Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:40

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:40, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/566047 / FT RK 19/10


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBDHA:2019:40:DOC
nl

center
100
c44946f1-c947-4428-95cd-967274005a68
2
13
image/png

center
100
756ea471-27b2-4538-abe0-7efcf10ec2fd
2
523
image/png

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer : C/09/566047 / FT RK 19/10insolventienummer : C/09/19/1 S
Beschikking van 4 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SecurCash Nederland B.V.

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 30141964,statutair gevestigd te Delft,correspondentieadres: 2601 DA Delft, Postbus 3011,vestigingsadres: 2612 CT Delft, Brassersplein 1,handelend onder de naam SECURCASH ALARMCENTRALE,verzoekster,advocaten: mrs. C. Boersma en C.M. Molhuysen.
Verzoekster heeft op 3 januari 2019 een verzoekschrift ingediend strekkende tot verlening van surseance van betaling en tot bepaling van een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 241a Faillissementswet.

Hedenochtend heeft de rechtbank zitting gehouden. Ter zitting zijn namens verzoekster verschenen de heren [X] , [Y] , vergezeld door de heer [Z] en bijgestaan door mr C.M. Molhuysen en mr C. Boersma, advocaten te Amsterdam. Voorts zijn verschenen mr drs M.M. Hoving en mr M.C. Udink.

overwegingen

Beoordeling
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

Bij het verzoekschrift ontbrak een aantal stukken als bedoeld in (artikel 2.2.6. onder b en onder e van) het Procesreglement verzoekschrift insolventiezaken rechtbanken (Stcrt. 2018, 73037). Die ontbrekende stukken zijn ter zitting overgelegd.

Nu het verzoekschrift voldoet aan de wettelijke vereisten, dient de surseance van betaling voorlopig verleend te worden. Ook zal, als verzocht, een afkoelingsperiode worden afgekondigd.

De rechtbank overweegt ambtshalve nog het volgende.

Uit openbare bronnen, die na de indiening van het verzoekschrift beschikbaar waren, is gebleken dat op de website van SecurCash vermeld heeft gestaan: “Op 2 januari 2019 is het faillissement van SecurCash Nederland B.V. en SecurCash Geldverwerking B.V. door de Rechtbank Den Haag uitgesproken. Mr. drs. M.M. Hoving en mr. M.C. Udink zijn aangesteld tot curator.” (bron: https://www.wonen360.nl/article/9057062/vervoerder-contant-geld-komt-geld-tekort/) In andere dito bronnen wordt mr Udink aangeduid als curator Marc Udink en ook als zodanig geciteerd. (b.v. https://www.ad.nl/economie/geldtransporteur-securcash-bankroet-in-ieder-geval-tot-vrijdag-geen-geldtransporten~a29f8dff/ en https://www.rtlz.nl/beurs/ bedrijven/artikel/ 4537746/geldtransporteur-securcash-failliet-rauw-nieuws-voor-personeel)
Geconstateerd moet worden dat die informatie over het faillissement en de aanstellingen feitelijk onjuist is. Het faillissement van de vennootschap is niet uitgesproken en er zijn (dus ook) geen curatoren aangesteld.

Bij het verlenen van de voorlopige surseance van betaling zal de rechtbank een of meer bewindvoerder(s) moeten benoemen. Mr Hoving en mr Udink zijn advocaten die op zich voor een dergelijke benoeming in aanmerking komen. Nu hun namen al voortijdig in een onjuiste context de ronde deden, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of zij in deze surseance benoembaar zijn in de onafhankelijke functie van bewindvoerder. Ter zitting, die mede voor dit doel is bepaald, heeft de rechtbank die benoembaarheid getoetst.

Ter zitting is naar voren gekomen dat mr Hoving en mr Udink in een ‘stille periode’ voorafgaand aan de eerdere faillissementsaanvraag hebben meegekeken in de onderneming van de vennootschap. Mr Udink heeft verklaard dat hij en mr Hoving “waarnemend bezig zijn geweest”. Na het afwijzen van het faillissementsverzoek hebben zij hun werkzaamheden neergelegd.

De rechtbank is van oordeel dat beiden, ondanks de indruk die de onjuiste mededelingen kunnen wekken, voldoende onafhankelijk zijn van de vennootschap om hun werk als bewindvoerder naar behoren te verrichten. Daarbij weegt mee dat ze na de stille periode niet alsnog de rol van adviseur van verzoekster zijn gaan vervullen. Tegelijk kan worden aangenomen dat ze tijdens de stille periode kennis van de vennootschap en de specifieke soort onderneming die de vennootschap drijft hebben opgedaan. Die kennis maakt dat hun benoeming juist aangewezen is.

Hoewel de rechtbank evenmin twijfelt aan de kritische houding van de beide heren, ontkomt ze er, gelet op de hiervoor bedoelde onjuiste openbare informatie, niet aan om met hen nog een bewindvoerder te benoemen.

De rechtbank overweegt daarbij dat drie bewindvoerders (of bij een eventuele omzetting naar faillissement drie curatoren) op enig moment een overdaad kan zijn. Het is aan de drie gelijkwaardige bewindvoerders gezamenlijk en aan de te benoemen rechter-commissaris om ook op dat punt kritisch te blijven. Zo een vermindering van het aantal op enig moment aan de orde is, is het aan hen om over de concrete uitwerking daarvan een standpunt in te nemen en aan de rechtbank om daarop te beslissen. De rechtbank kan daar thans niet op vooruitlopen.

De rechtbank benoemt – in alfabetische volgorde – de drie hierna te noemen personen tot bewindvoerder.

beslissing

De beslissing

- verleent aan , voornoemd, voorlopige surseance van betaling;
- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdinsolventieprocedure is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO);
- benoemt tot rechter-commissaris mr D. Nobel;
- benoemt tot bewindvoerders
- bepaalt dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de verzoekster bevinden, voor een periode van niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechter-commissaris;- beveelt dat de bekende schuldeisers, de verzoekster, de rechter-commissaris en de bewindvoerders door de griffier bij brieven worden opgeroepen om te verschijnen op in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60, teneinde door deze rechtbank en kamer op het verzoekschrift (waarbij geen ontwerp van akkoord gevoegd is) in raadkamer te worden gehoord;
- bepaalt dat de griffier melding doet van de in de artikel 216 van de Faillissementswet voorgeschreven aankondiging.
De rechtbank:

mr drs M.M. Hoving, advocaat te Leiden, mr M.W.M. Souren, advocaat te Zoetermeer, en mr M.C. Udink, advocaat te ’s-Gravenhage;
Gegeven door mr G.H.M. Smelt, rechter, op 4 januari 2019 om 11:36 uur, in tegenwoordigheid van F.J. Knaap LL.B., griffier.

De behandelend juridisch medewerker is mr. J.J.P. van Wieringen.