Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3773

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3773, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is rekestnummer: C/09/569597 / FT RK 19/341


Bron: Rechtspraak

center
100
15246e75-e132-4d07-aa90-1dff87eeb5c6
2
13
image/png

center
100
68746c28-e58f-4906-89fa-9bb81592112b
2
523
image/png

RECHTBANK DEN HAAG
Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/569597 / FT RK 19/341

vonnis van 17 april 2019
[verzoekster],wonende te [adres][postcode en woonplaats],verzoekster,
tegen

Grouwels Vastgoed B.V.,

gevestigd te Maastricht,vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarders Van de Pas B.V..gevestigd te Weert,verweerster.

ECLI:NL:RBDHA:2019:3773:DOC
nl

center
100
15246e75-e132-4d07-aa90-1dff87eeb5c6
2
13
image/png

center
100
68746c28-e58f-4906-89fa-9bb81592112b
2
523
image/png

RECHTBANK DEN HAAG
Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/569597 / FT RK 19/341

vonnis van 17 april 2019
[verzoekster],wonende te [adres][postcode en woonplaats],verzoekster,
tegen

Grouwels Vastgoed B.V.,

gevestigd te Maastricht,vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarders Van de Pas B.V..gevestigd te Weert,verweerster.
1

1.1
Op 5 maart 2019 is door verzoekster tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen van verweerster in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
1.2
Ter terechtzitting van 3 april 2019 zijn verzoekster, vergezeld van [A] en [B] van de gemeente Den Haag, alsmede [Z], namens verweerster, hierover gehoord.
1.3
De uitspraak is bepaald op heden.
2

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
2.1
Verzoekster heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 37.350,96 aan 10 schuldeisers.
2.2
De vordering van verweerster op verzoekster bedraagt € 13.277,84 zijnde 35,55 % van de totale schuldenlast.
2.3
Namens verzoekster is bij brief van 31 augustus 2018 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan de preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 7,16 % en 3,58 tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.
2.4
De aangeboden schuldregeling is, behoudens door verweerster, door de andere schuldeisers aanvaard.
3

3.1
Verzoekster stelt dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.
3.2
Verweerster heeft aan haar weigering het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster is gedurende een lange periode haar betalingsverplichtingen voortvloeiende uit huurovereenkomst tussen haar en verweerster niet nagekomen, hetgeen uiteindelijk tot een ontbinding van de huurovereenkomst en tot een ontruiming heeft geleid. Indien verzoekster een baan vindt, kan zij meer aanbieden aan haar schuldeisers.
overwegingen

4

4.1
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die er toe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal slechts kunnen worden toegewezen als de desbetreffende schuldeisers – in dit geval verweerster – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen enerzijds de onevenredigheid tussen het belang van verweerster bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoekster of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.
4.2
Aan de schuldeisers is een saneringsvoorstel gedaan, inhoudende een eenmalige betaling tegen finale kwijting ter hoogte van 7,16% van preferente vorderingen en 3,58% van concurrente vorderingen. Er is één weigerachtige schuldeiser waarvan de vordering 35,55% van de totale schuldeisers vertegenwoordigd. Aan de door die schuldeiser gestelde omstandigheden uit het verleden die aan het ontstaan van diens vordering ten grondslag liggen, kan de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toekennen. Wel aan het antwoord van de door die schuldeiser opgeworpen vraag of het aangeboden saneringsvoorstel het uiterste is waartoe de verzoekster financieel in staat moet worden geacht. Hiertoe neemt de rechtbank in overweging dat het voorstel dat aan de schuldeisers is gedaan, gebaseerd is op de maximale aflossingscapaciteit volgens de NVVK-normen. Het is niet aannemelijk dat in een wettelijk traject van drie jaar tot een hogere aflossingscapaciteit kan worden gekomen. Verzoekster is thans arbeidsongeschikt en gezien de in de medische rapportage d.d. 24 januari 2019 beschreven medische problematiek en de daarvoor benodigde behandeling zal de weg naar herstel een lange periode in beslag nemen. Dit tevens gezien de sociale problematiek waarmee een deel van de medische problematiek verband houdt.Verzoekster is gedurende lange periode dakloos en is aangewezen op nachtopvang, hetgeen zwaar voor haar is en tezamen met haar financiële situatie veel spanningen met zich brengt. Zij heeft tevergeefs geprobeerd om een urgentieverklaring te krijgen om op korte, of in ieder geval redelijke, termijn voor woonruimte in aanmerking te komen. Die urgentieverklaring is haar geweigerd. Het moet er dus voor worden gehouden dat het nog langere tijd zal duren voordat verzoekster over zelfstandige woonruimte kan beschikken, hetgeen ook zijn weerslag heeft op de medische situatie van verzoekster. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat verzoekster, gezien haar opleiding en ervaring, een baan zal kunnen verwerven waarvan de inkomsten zodanig zullen zijn, dat daarmee een aflossingscapaciteit kan worden gerealiseerd die hoger is van voornoemde maximale aflossingscapaciteit volgens de NVVK-normen. Dit alles maakt dat de rechtbank aannemelijk acht dat het aangeboden saneringsvoorstel het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht.
4.3
Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier om een onderbouwd voorstel gaat, dat de overige acht schuldeisers wel met de voorstelde regeling hebben ingestemd, een dergelijke minnelijke regeling tot snellere betaling aan de schuldeisers zal leiden, dat een vlotte(re) schuldenregeling kan bijdragen aan vermindering van spanningen van verzoekster voor zover deze verband houden met haar financiële situatie en aldus bevorderlijk kan zijn voor verbetering van haar situatie, alsmede dat gezien het vorenstaande niet aannemelijk is dat een wettelijk schuldsaneringstraject de schuldeisers financieel meer zal opleveren. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat de weigerachtige schuldeiser – hoewel haar vordering een fors aandeel in de totale schuldenlast van verzoekster vertegenwoordigt – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. De verzochte dwangregeling zal derhalve worden toegewezen.
4.4
Verzoekster heeft tevens een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend. Verzoekster zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij geen belang meer heeft bij dat verzoek.
beslissing

5

De rechtbank:

5.1
beveelt Grouwels Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarders Van de Pas B.V. in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling;
5.2
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2019 in tegenwoordigheid van D.D. Elsayed-Vorst, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.