Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3769

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3769, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C-09-569253-KG ZA 19-206


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/569253 / KG ZA 19/206

Vonnis in kort geding van 17 april 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,
tegen:

de Staat der Nederlanden

gedaagde,advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

ECLI:NL:RBDHA:2019:3769:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/569253 / KG ZA 19/206

Vonnis in kort geding van 17 april 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,
tegen:

de Staat der Nederlanden

gedaagde,advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding met 33 producties;- de door de Staat overgelegde producties;- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019. Vonnis is bepaald op heden.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “Het Koetsiertje” te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. In verband met dat strafbare feit is [eiser] op 7 april 1983 in detentie genomen.
2.2.
Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [eiser] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de minister van Justitie en het Forensisch Psychiatrisch Centrum [de kliniek] (hierna: de kliniek) heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:
1. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) nadert haar voltooiing waarbij het van belang blijft de inbedding in de samenleving zodanig in te richten dat betrokkene de dwang blijft voelen om daaraan maximale medewerking te verlenen.

2. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) is zodanig progressief verlopen dat betrokkene voldoende gemotiveerd is aanwijzingen te volgen die de gewenste inbedding ondersteunen, zonder dat daartoe een dwangkader benodigd is.

"Deze kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht. Er kunnen zich binnen deze optie twee situaties ontwikkelen, die ieder afzonderlijk de inhoud van het gratieverzoek kunnen beïnvloeden:

Ad 1: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening, gevolgd door het verlenen van gratie voor het resterend gedeelte van de gevangenisstraf onder voorwaarde. Bij het niet volgen van de voorwaarde herleeft de eindige gevangenisstraf.

Ad 2: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening. De aldus omgezette gevangenisstraf dient zodanig aangepast te zijn dat de VI-datum passeert op het moment van ontslag uit de kliniek.

Het aldus in te dienen gratieverzoek zal in de kliniek haar startpunt krijgen, d.w.z. er zal een plan van aanpak rond de afronding van de klinische behandeling worden voorgelegd aan de heer [A] .

Hij zal vervolgens het plan om advies voorleggen aan de heer [B] , die zal beoordelen of er voldoende elementen zijn om een ambtshalve gratieverzoek in te dienen vanuit zijn positie als psychiatrisch adviseur. Gelet op de haalbaarheid van een dergelijk verzoek is wederzijdse overeenstemming omtrent het verloop / afloop van de behandeling wenselijk. Indien het gratieverzoek niet wordt gehonoreerd kan betrokkene niet langer in de kliniek verblijven en zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen plaatsvinden."

2.3.
Op 20 juli 2001 heeft de minister aan [eiser] bericht dat hij ( [eiser] ) in een tbs-inrichting wordt geplaatst. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de minister aan de kliniek waarin onder meer staat vermeld:
"Tijdens (...) mondeling en schriftelijk contact met uw kliniek, waarbij ook de advocate van de gedetineerde was betrokken, toonde u zich bereid een opname toch in overweging te nemen, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

Dit was aanleiding voor overleg tussen uw kliniek, de advocate van betrokkene en de GGG-commissie. De uitkomsten van dit overleg op 3 mei 2001 werden, na een consultatieronde langs alle deelnemers, vastgelegd in een memo d.d. 9 juli 2001. Deze memo is reeds in uw bezit.

Op basis van de afspraken in de memo verzoek ik u thans betrokkene met voorrang in uw kliniek op te nemen en het behandelingstraject te beginnen met een observatieperiode.

Na afronding van de observatieperiode ontvang ik graag het verslag van uw bevindingen naar aanleiding van deze observatie.

Het verslag zal de eerste aanzet betekenen voor de overige actiepunten zoals vastgelegd in de memo.

Over de voortgang van de gemaakte afspraken in de memo zullen alle deelnemers aan het eerdergenoemde overleg steeds worden geïnformeerd rond het moment dat zich daarbij relevante ontwikkelingen voordoen."

2.4.
[eiser] is vervolgens op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.
2.5.
Nadien hebben tussen partijen verschillende procedures plaatsgevonden, onder meer in kort geding over aan [eiser] toe te kennen verloven en tussen partijen te voeren overleg.
2.6.
Op 3 november 2016 is aan [eiser] transmuraal verlof toegekend vanaf 11 november 2016. Op 10 maart 2017 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend (hierna: het gratieverzoek).
2.7.
Op 20 april 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het volgende medegedeeld aan [eiser] :
“Op 13 maart 2017 heb ik uw gratieverzoek ontvangen. Hierbij informeer ik u over de behandeling van uw gratieverzoek.

Onderzoeken

(…)

Uit de bovenstaande stappen blijkt dat een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek niet opnieuw zal worden uitgevoerd. De reden hiervoor is dat in 2014, bij de behandeling van uw vorige gratieverzoek en in het kader van een aanvraag onbegeleid verlof, reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat een nieuw onderzoek thans een ander licht op de zaak zal werpen. Daarom zal het onderzoek uit 2014 in deze procedure worden gebruikt.

Behandelduur

In mijn brief van 16 maart 2017 heb ik u laten weten dat de behandelingsduur van een gratieverzoek gemiddeld zes maanden is. In uw geval zal deze termijn, gezien de genoemde onderzoeken, langer zijn.”

2.8.
Op 18 mei 2018 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) geadviseerd het gratieverzoek af te wijzen. De conclusie van het advies luidt:
“Bij gebrek aan een recent slachtofferonderzoek, een impactanalyse van (voorwaardelijke) gratie van [eiser] op de maatschappij en een reclasseringsrapport is het niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend goed te beantwoorden, Bij de huidige stand van zaken zie ik mij daarom genoodzaakt om tot afwijzing van het gratieverzoek te adviseren.”

2.9.
Op 6 september 2018 heeft het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) zijn advies uitgebracht naar aanleiding van het gratieverzoek. Voor zover relevant luidt dit:
a. het recidiverisico,

b. de delictgevaarlijkheid van de verzoeker en

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie,

er thans, na een detentie van ruim 35 jaren, gegeven de door de verzoeker geleverde inzet in het kader van de op zijn resocialisatie gerichte activiteiten - in een resocialisatietraject in relatie tot het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige straf door middel van gratie dat hem bij zijn overplaatsing naar de [de kliniek] te [plaats] reeds in 2001 in het vooruitzicht werd gesteld4 - en gelet op de voortdurende positieve ontwikkeling die hij daarin heeft doorgemaakt en die ertoe heeft geleid dat van een voor het recidiverisico relevante persoonlijkheidsstoornis geen sprake meer is, en welk recidiverisico dermate beperkt is dat thans geen noodzaak bestaat voor begeleiding bij verdere re-integratie in de maatschappij of risicomanagement, geen aanknopingspunten meer zijn te vinden voor de stelling dat met de voortzetting van de detentie, in het onderhavige gevat, de met de generale en speciale preventie na te streven doel(en) in redelijkheid (nog) word(en)t gediend.

"Concluderend komt het hof op grond van het voorgaande tot het oordeel dat ter zake

Vergelding

Ad d) Het hof ziet onder ogen dat de verzoeker als verdachte in zijn strafzaak veroordeeld is voor zeer ernstige misdrijven waarbij zes personen, waaronder een kind, om het leven zijn gekomen. Deze schokkende feiten hebben toenmaals grote beroering veroorzaakt in de maatschappij en een blijvende impact gehad op het leven van de slachtoffers/nabestaanden. Het hof neemt zonder meer aan dat het door deze feiten bij de slachtoffers/nabestaanden veroorzaakte onnoemelijke leed en verdriet nog immer bestaan en dat zij ook thans nog in meerdere of mindere mate negatief zullen staan tegenover het verlenen van gratie aan de verzoeker, zoals eerder is gebleken uit het op 7 mei 2014 uitgebracht rapport "Slachtofferonderzoek [eiser] ". Ook zullen, zo neemt het hof aan, over deze feiten naar hun aard in bredere zin in de samenleving, meer in het bijzonder in de gemeente Delft, nog gevoelens van onbehagen bestaan.

Het hof acht zich ten aanzien van de thans nog bestaande impact van de feiten op de slachtoffers/nabestaanden, op grond van de ingebrachte stukken - en mitsdien zonder de door de advocaat-generaal gewenste nadere informatie - voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen. Niet is aan te nemen dat in het relatief korte tijdsverloop ten opzichte van het in 2014 uitgebrachte rapport het gemis, de gevoelens en belevingen over het verlies van de slachtoffers zoals in dat rapport tot uitdrukking gebracht, veel aan betekenis zullen hebben ingeboet. Immers, het meergenoemde rapport is meer dan 30 jaar na de datum van de feiten waarvoor de verzoeker is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, tot stand gekomen en getuigt niet van heling door tijdverloop. Om diezelfde reden is niet aannemelijk dat de impact in de komende jaren nog veel zal veranderen. Tenslotte speelt een rol dat naar het oordeel van het hof van slachtoffers/nabestaanden niet (bij herhaling) kan en mag worden gevraagd of verwacht dat zij bijdragen aan een eventuele gratiëring van de verzoeker door jegens hem 'bevrijdend' te verklaren.

De vergeldingsbehoefte die bij slachtoffers/nabestaanden van zulke ernstige misdrijven kan bestaan, en die niet noodzakelijkerwijze vermindert naarmate de tijd verstrijkt, kan niet doorslaggevend zijn voor de afweging in het kader van de gratiëring. Het is een factor, die in de loop van de tijd verbleekt, juist omdat op die concrete vergeldingsbehoefte geen maat staat. De concrete vergeldingsdrang gaat gaandeweg op in de meer abstracte notie van 'vergelding' die in essentie in elke vorm van bestraffing besloten ligt.

Voor zover de levenslange gevangenisstraf mede ziet op die vergelding, heeft als uitgangspunt te gelden dat vergelding aan grenzen is gebonden. De vergelding houdt niet slechts in dat op een bepaald vergrijp een sanctie volgt, en wel 'ter verevening' van het aangedane onrecht, ter morele genoegdoening, maar zij geeft ook aan dat aan deze reactie een 'grens' is. Vergelding impliceert niet, en mag niet impliceren, een niet aan enige maat gebonden, feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij van een dader. Dat is ook de kern van de jurisprudentie van het EHRM: een voor de veroordeelde aanhoudend en langdurig, volstrekt uitzichtloze situatie is strijdig met het verdragsrecht. De maatschappelijke reactie moet in zekere evenredigheid staan tot het begane anti-sociale gedrag. Dat betekent al met al dat de vraag of de - door de misdaden gemaakte - inbreuk op de rechtsorde is geheeld van groot belang is maar dat het antwoord op die vraag niet onder alle omstandigheden de doorslag geeft voor de te nemen beslissing. De vraag of thans nog in overwegende mate (negatief) gewicht moet/mag worden toegekend aan het strafdoel van vergelding - de impact op slachtoffers/nabestaanden toen, nu en naar het hof aanneemt ook in de toekomst - beantwoordt het hof ontkennend. Alles afwegende en concluderende bestaat naar het oordeel van het hof thans na verloop van ruim 35 jaren geen ruimte meer voor vergelding en is aannemelijk geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Conclusie

Verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof niet langer gerechtvaardigd.

Dit leidt ertoe dat het hof, met eenparigheid van stemmen, Uwe Majesteit zal adviseren het gratieverzoek toe te wijzen.

E. Advies

Het hof adviseert Uwe Majesteit het verzoek thans toe te wijzen.”

2.10.
Bij brief van 2 november 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming het volgende bericht aan [eiser] :
“Inmiddels zijn de adviezen van het OM en het Hof Den Haag bestudeerd en heeft daarover overleg plaatsgevonden. Het OM geeft in het gratie-advies aan het wenselijk te achten dat recente informatie met betrekking tot de impact van gratieverlening op de slachtoffers/nabestaanden en de maatschappij als geheel in het dossier wordt gevoegd alsmede dat een reclasseringsrapport wordt opgemaakt betreffende de te stellen voorwaarden in het kader van een eventuele (voorwaardelijke) gratieverlening. Nu deze informatie ontbreekt is het naar de mening van de advocaat-generaal niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend, goed te beantwoorden. Derhalve heeft het OM geadviseerd het gratieverzoek af te wijzen. Voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek acht ik het van belang alsnog de mening van het Openbaar Ministerie te vernemen over de vraag of met de tenuitvoerlegging van de straf nog een redelijk doel is gediend en daarmee over de vraag of gratie moet worden verleend. Ik heb daarom besloten de beslissing op het gratieverzoek aan te houden en alsnog een onderzoek te laten doen naar de impact van gratieverlening op slachtoffers, nabestaanden en de maatschappij en een reclasseringsrapport te laten opmaken betreffende de stellen voorwaarden in het kader van een eventuele voorwaardelijke gratieverlening. De resultaten daarvan worden aan het OM voorgelegd met het verzoek om nader advies uit te brengen.

Ik realiseer mij dat ik hiermee terugkom op de eerder gedane mededeling dat geen nieuw slachtofferonderzoek zou worden verricht. Ik realiseer mij voorts dat de genoemde onderzoeken de nodige tijd vergen. Het belang van een nader advies van het OM is naar mijn mening voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek echter zo groot dat de genoemde onderzoeken en de daarmee gemoeide tijd gerechtvaardigd zijn.”

2.11.
[eiser] heeft vervolgens in kort geding gevorderd de Staat te veroordelen binnen tien werkdagen een positieve voordracht tot onvoorwaardelijke gratieverlening in te (doen) dienen bij het Kabinet van de Koning. In een vonnis van 21 december 2018 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de minister voor Rechtsbescherming in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om een nader advies van het OM te vragen waarbij (mede) rekening wordt gehouden met de uitkomsten van een nog te verrichten onderzoek naar de impact van gratieverlening op de (nabestaanden van de) slachtoffers en de maatschappij en een nog uit te laten brengen reclasseringsrapport. De voorzieningenrechter heeft beslist dat binnen een termijn van twee maanden een al dan niet positieve voordracht moet worden gedaan aan de Kroon ter zake van het gratieverzoek.
2.12.
De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2018.
2.13.
Op 9 januari 2019 heeft de Staat opdracht gegeven aan Reclassering Nederland om een advies uit te brengen. In het daarop volgende reclasseringsadvies van 11 februari 2019 staat onder meer vermeld:
“Inschatting risico’s
Risico op recidive

Het risico op recidive wordt ingeschat als laag.

Risico op letselschade

Het risico op letselschade wordt ingeschat als laag.

Risico op onttrekking

Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.

Toelichting

[de kliniek] komt in hun rapportage d.d. 13-09-2018 tot de inschatting dat het recidiverisico bij voorwaardelijke gratiëring laag is. zo schrijft [de kliniek] .
Uit het gesprek met mevrouw [C] , hoofd behandelaar van [de kliniek] , blijkt dat deze inschatting actueel is.

(...)

Advies

Op basis van de inschatting van het recidiverisico acht de reclassering geen bijzondere voorwaarden geïndiceerd bij eventuele gratie.”

2.14.
Op 18 februari 2019 is een voordracht voor de gratiebeslissing aan het Kabinet van de Koning toegestuurd. Op 20 februari 2019 is een machtiging verleend conform de voordracht te beslissen.
2.15.
Bij brief van 28 februari 2019 heeft de minister voor Rechtsbescherming aan [eiser] bericht dat hij het gratieverzoek met Koninklijke machtiging afwijst. De brief vermeldt voorts onder meer:
“Beoordeling
Op grond van het al voorgaande wordt negatief op uw gratieverzoek beslist. Daarbij is allereerst betrokken dat het hof positief heeft geadviseerd. (...) Het advies van het hof weegt zwaar in de beslissing en het is in beginsel leidend. Het advies is echter niet bindend. Bij de beslissing om in afwijking van het positieve advies van het hof geen gratie te verlenen zijn, kort weergegeven, de redenen voor het OM om negatief te adviseren betrokken, het ontbreken van een slachtofferonderzoek, de informatie die wel bekend is over de toestand van de slachtoffers alsmede het gegeven dat u al zeer veel vrijheden hebt en in het kader van transmuraal verlof volledig buiten de [de kliniek] verblijft, alsmede dat er nog een kanttekening te plaatsen is bij het recidiverisico. Een en ander is zodanig uitzonderlijk en weegt zodanig zwaar dat ik heb besloten af te wijken van het advies van het hof. De overwegingen worden hierna toegelicht.

Daarbij wordt vooropgesteld dat de levenslange gevangenisstraf de zwaarst denkbare sanctie is voor de meest ernstige feiten. (...)

(...)

Het hof ziet geen grond voor een nieuw slachtofferonderzoek, omdat het niet aanneemt dat het gemis, de gevoelens en belevingen over het verlies van de slachtoffers sinds 2014 veel aan betekenis zullen hebben ingeboet, of dat de impact de komende jaren nog veel zal veranderen. Bovendien mag niet van de slachtoffers worden verwacht dat zij ‘bevrijdend’ jegens de dader verklaren. Hun vergeldingsbehoefte kan volgens het hof niet doorslaggevend zijn voor de afweging in het kader van gratiëring. Op de impact van gratieverlening op de samenleving als geheel gaat het hof niet in.

Ik kan deze overwegingen niet volgen. Bij gratieverlening gaat het niet primair om de vergeldingsbehoefte van slachtoffers en nabestaanden, en hun opvattingen over gratieverlening aan een levenslanggestrafte, zoals het hof kennelijk aanneemt. Het gaat er evenmin om, en zeker niet alleen, dat slachtoffers ‘bevrijdend’ voor de dader zouden moeten verklaren voordat er ruimte kan zijn voor gratie. Het vergeldingsaspect omvat meer dan de opvattingen van slachtoffers en nabestaanden. Het gaat primair om hun situatie en de toestand waarin zij verkeren. Daarnaast gaat het om de impact van gratieverlening op de samenleving als geheel. De toestand van slachtoffers en nabestaanden van uw misdrijven was in 2014 nog zodanig deplorabel, zoals hiervoor beschreven, dat ik dat schrijnend vind: (...) Bij deze situatie past naar mijn oordeel niet dat aan u gratie wordt verleend. Dat geldt te meer waar volgens het hof niet is te verwachten dat de situatie sinds 2014 is verbeterd en de voorzieningenrechter in kort geding daarin grond heeft gezien om een zodanige termijn te stellen voor het indienen van de voordracht dat er geen tijd was voor nieuw onderzoek.

Ik betrek hierbij dat dit niet betekent dat u in het geheel geen vrijheden en perspectief heeft. (...) Er is geen sprake van feitelijke absolute uitsluiting uit de maatschappij en evenmin van een volstrekt uitzichtloze situatie. U verblijft immers buiten de [de kliniek] . Het hof kan in deze overwegingen, die de basis vormen voor zijn positieve advies, dus niet worden gevolgd.

Ik betrek tot slot het volgende in mijn overwegingen. Aan het rapport van de [de kliniek] dat is opgesteld in het kader van deze gratieprocedure ontleen ik dat de kans op gewelddadig gedrag zonder een begeleidend kader op de lange termijn als laag tot matig wordt ingeschat, “waarbij met name valt te denken aan een situatie waarin de verzoeker ervaart dat hijzelf dan wel zijn gezin worden bedreigd en hij zich langdurig zou isoleren van mensen die hem zouden kunnen bijsturen of helpen.” Het OM heeft daarover in zijn advies overwogen dat professionele begeleiding in het geval van spanningen als gevolg van negatieve berichtgeving over gratiëring niet afhankelijk zou moeten zijn van uw houding.

Het hof besteedt niet specifiek aandacht aan dit aspect en overweegt slechts dat gratiëring negatieve media-aandacht zal genereren, wat volgens het hof in de lijn der verwachting ligt, dat stress zal opleveren bij u en uw gezin, en dat verwacht mag worden dat u dan steun zoekt bij uw netwerk of uw advocaat. (...)

Er is hiermee geen sprake van een situatie waarin deskundigen het risico in alle opzichten op korte en zeker ook de lange(re) termijn als laag inschatten. Gelet hierop en nu het gaat om een levenslange gevangenisstraf, opgelegd voor de meest ernstige misdrijven, meen ik dat gratie niet aan de orde is. Ik vind het te vrijblijvend en niet verantwoord om volledig op uw opstelling te vertrouwen. Dit is reden te meer voor afwijzing van uw gratieverzoek.

Voortzetting van de tenuitvoerlegging waarborgt immers dat uw ontwikkeling kan worden gevolgd en dat kan worden ingegrepen als het risico gaat oplopen. ”

2.16.
Op 25 maart 2019 heeft [eiser] een nieuw gratieverzoek ingediend.
3

3.1.
[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:
primair:

I. de Staat te veroordelen binnen vijf werkdagen aan [eiser] , althans aan zijn advocaat, afschriften te verstrekken van (a) de voordracht die ter zake van het gratieverzoek aan het Kabinet van de Koning is gezonden, met inbegrip van de bij deze voordracht behorende bijlagen en begeleidende correspondentie en (b) de machtiging die is verstrekt aan de minister voor Rechtsbescherming om in afwijzende zin op het gratieverzoek te beschikken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.II. de Staat te veroordelen om binnen vijf werkdagen de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming van 28 februari 2019 tot afwijzing van het gratieverzoek te (doen) herroepen en een nieuwe voordracht te doen aan de Koning naar aanleiding van het gratieverzoek, inhoudende dat gunstig en zonder oplegging van voorwaarden op het gratieverzoek zal worden beschikt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
subsidiair:

de Staat te veroordelen binnen vijf werkdagen op de voet van artikel 19 in samenhang met artikel 9 Gratiewet een voordracht te doen aan de Koning, inhoudende dat [eiser] onvoorwaardelijke gratie zal worden verleend, onder bepaling dat aan het gestelde in artikel 19 Gratiewet moet worden geacht te zijn voldaan voor zover daarin wordt bepaald dat (i) het advies wordt ingewonnen van het OM en (ii) het advies wordt ingewonnen van het in artikel 4 Gratiewet aangewezen gerecht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
meer subsidiair:

de Staat te veroordelen het nieuwe gratieverzoek van [eiser] in behandeling te nemen, met voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 4 lid 4 aanhef en onder sub b Gratiewet en daarop binnen vier maanden na indiening te (doen) beslissen met inachtneming van de overwegingen in dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Niet ondenkbaar is dat zich verdere onregelmatigheden hebben voorgedaan in de procedurele gang van zaken rond het gratieverzoek. Op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vordert [eiser] dan ook een afschrift van de bedoelde voordracht en machtiging. Ook op grond van de afspraken die in 2001 zijn gemaakt is de Staat gehouden de gevorderde documentatie te verstrekken.De Staat heeft onrechtmatig gehandeld door in afwijzende zin te beschikken op het gratieverzoek en door de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf te laten voortduren. De Gratiewet en de artikelen 3 en 7 EVRM/1 Wetboek van Strafrecht zijn geschonden, evenals de beginselen van behoorlijk bestuur en de in 2011 met [eiser] en zijn advocaat gemaakte afspraken. De beslissing tot afwijzing is ook in strijd met de toetsingsmaatstaven van gratieverzoeken zoals die voortvloeien uit de jurisprudentie. De afwijking van het positieve advies van het Hof mist een draagkrachtige motivering.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
De Staat heeft zich tegen de vorderingen verweerd met de stelling dat [eiser] geen voorzieningen met een voorlopig karakter heeft gevorderd. Wat daar ook van zij, de enkele omstandigheid dat toewijzing van een vordering in kort geding tot onomkeerbare gevolgen leidt, behoeft geen beletsel te zijn voor toewijzing (HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036).
4.2.
[eiser] heeft onder meer gevorderd dat (i) de voordracht aan het Kabinet van de Koning en (ii) de machtiging die is verleend voor de beslissing op het gratieverzoek aan hem worden verstrekt. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom die stukken relevant zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de afwijzing van het gratieverzoek. Zijn stelling dat niet ondenkbaar is dat zich verdere onregelmatigheden hebben voorgedaan in de aanloop naar de afwijzing van het gratieverzoek, heeft hij niet geconcretiseerd. Evenmin heeft [eiser] vorderingen ingesteld die verband houden met mogelijke verdere onregelmatigheden, noch heeft hij aangegeven of hij voornemens is dergelijke vorderingen in te stellen en op welke rechtsgrond hij die zal baseren, indien de verzochte stukken daartoe aanleiding geven. Van een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv is, gelet op wat [eiser] stelt, dan ook geen sprake. Evenmin valt in te zien dat [eiser] een recht op afschrift van of inzage in die documenten kan ontlenen aan de correspondentie van 20 juli 2001 (hiervoor, onder 2.3, genoemd). De tekst noch de strekking van deze brieven verschaft hem die aanspraak. De vordering die strekt tot afgifte van stukken zal dan ook worden afgewezen.
4.3.
De overige vorderingen van [eiser] hebben alle het doel een positieve beslissing, dan wel een positieve voordracht op het gratieverzoek of op een nieuw gratieverzoek af te dwingen. De Staat heeft aangevoerd dat niet valt in te zien waarom deze vorderingen niet aan de bodemrechter kunnen worden voorgelegd. Voor zover de Staat daarmee betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, zal dat verweer worden gepasseerd. Vaststaat immers dat [eiser] – nu aan hem geen gratie is verleend – onverminderd te maken heeft met tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf, ook al bevindt hij zich niet langer in detentie. De nog bestaande beperkingen van zijn vrijheid maken dat [eiser] zijn spoedeisend belang bij het gevorderde voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
4.4.
Het gegeven dat [eiser] een (spoedeisend) belang heeft bij opheffing van de beperkingen die zijn huidige situatie van zogenoemd transmuraal verlof meebrengt, maakt nog niet dat hij zonder meer recht heeft op de verlangde opheffing dan wel op andere voorzieningen die daartoe zouden kunnen leiden. Het is aan de voorzieningenrechter te beoordelen of de Staat, gegeven alle omstandigheden, in redelijkheid heeft kunnen komen tot een afwijzing van het gratieverzoek.
4.5.
Bij die beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Het verlenen van gratie is een bevoegdheid van de Kroon. In artikel 122 van de Grondwet is bepaald dat gratie wordt verleend na advies van een bij wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Die voorschriften zijn neergelegd in de Gratiewet. In artikel 2 van de Gratiewet is bepaald dat gratie kan worden verleend:a. a) op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan, dan welb) indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.
4.6.
Artikel 4 van de Gratiewet bepaalt dat de minister advies moet inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, alvorens op het gratieverzoek te beslissen. Wanneer het gratieverzoek wordt afgewezen, dient de verzoeker daarvan op grond van artikel 18 lid 2 Gratiewet onder opgaaf van redenen in kennis te worden gesteld. De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een negatieve beslissing op het verzoek tot verlening van gratie. Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling van de wet werd opgemerkt, kan de veroordeelde in dat geval het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing op het verzoek, in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de argumenten die voor de negatieve beslissing zijn genoemd. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Dit advies is namelijk in beginsel leidend bij het nemen van de beslissing op het verzoek om gratieverlening (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, r.o. 3.5.4.). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het gratie-instrument er niet toe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, maar om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd. Daaruit blijkt eveneens dat het rechterlijk advies zwaar weegt (1984/85, nr. 19 075, nr. 3, p. 14-15 en 1986/87, 85-4303). De wetgever heeft voor ogen gestaan dat de beslissing op het gratieverzoek alleen kan afwijken van het rechterlijk advies als zich bijzondere omstandigheden voordoen (zie ook: Gerechtshof Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952, r.o. 3.4.).
4.7.
Het Hof heeft (zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.9 geciteerde passage uit het advies) in de zaak van [eiser] geadviseerd tot toewijzing van het gratieverzoek. Naar het oordeel van het Hof bestaat nu, na verloop van 35 jaren, geen ruimte meer voor vergelding en is aannemelijk geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Het Hof heeft dus geoordeeld dat de situatie bedoeld in de b-grond van artikel 2 Gratiewet zich voordoet. De Staat heeft het hof daarin niet gevolgd. De civiele rechter moet beoordelen of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van het rechterlijk advies mocht worden afgeweken.
4.8.
In de afwijzende beslissing op het gratieverzoek van [eiser] heeft de minister vermeld dat is afgeweken van het positieve advies van het Hof vanwege (i) de redenen van het OM om negatief te adviseren, (ii) het ontbreken van een slachtofferonderzoek, (iii) de informatie die wel bekend is over de toestand van de slachtoffers, (iv) het gegeven dat [eiser] al zeer veel vrijheden heeft en in het kader van transmuraal verlof volledig buiten de kliniek verblijft en (v) de kanttekening die nog te plaatsen is bij het recidiverisico. Deze punten zullen hierna worden besproken, waarbij wordt opgemerkt dat de eerste twee punten elkaar gedeeltelijk overlappen. De Staat heeft ter zitting ook een beroep gedaan op een evaluatierapport van het transmuraal verlof van [eiser] van 13 september 2018, met de stelling dat daaruit volgt dat [eiser] een geringe draagkracht/stressbestendigheid heeft en beperkte probleemoplossende vaardigheden. Voor zover dat rapport ten grondslag ligt aan de motivering dat nog een kanttekening is te plaatsen bij het recidiverisico (punt (v) zoals hiervoor genoemd), zal het bij de bespreking van dat punt aan de orde komen. Nu het rapport verder niet ten grondslag is gelegd aan de motivering van de beslissing van 28 februari 2019, zal daaraan voor het overige voorbij worden gegaan.
4.9.
Het OM heeft in zijn advies geconcludeerd dat met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf van [eiser] nog een redelijk doel is gediend. Het heeft aangegeven die vraag niet te kunnen beantwoorden omdat een recent slachtofferonderzoek, een impactanalyse van (voorwaardelijke) gratie van [eiser] op de maatschappij en een reclasseringsrapport ontbreken. Op grond van het ontbreken van die rapportages heeft het OM negatief geadviseerd ten aanzien van het gratieverzoek.
4.10.
De Staat noemt het ontbreken van een (recent) slachtofferonderzoek, naast de verwijzing naar het advies van het OM, nogmaals expliciet als reden om van het advies van het Hof af te wijken. Die reden kan echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter noch op zichzelf, noch in samenhang met andere redenen ten grondslag worden gelegd aan de beslissing om af te wijken van het positieve advies van het Hof, net zomin als het feit dat geen impactanalyse van gratie van [eiser] op de maatschappij als geheel beschikbaar is. Daarvoor is redengevend dat – zoals ook de voorzieningenrechter in haar vonnis van 21 december 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:15292) heeft overwogen – [eiser] geen nieuw slachtofferonderzoek behoefde te verwachten op grond van de onder 2.7 vermelde brief van 20 april 2017 over de gang van zaken na de indiening van het gratieverzoek. Integendeel, in die brief heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk en gemotiveerd aan [eiser] bericht dat geen nieuw slachtoffer- en nabestaandenonderzoek zou worden uitgevoerd. Daarbij komt dat de reden voor de minister om in een later stadium alsnog een nieuw slachtofferonderzoek en een impactanalyse uit te laten voeren gelegen was in de wens om het OM op grond daarvan aanvullend advies te laten uitbrengen. Zoals de voorzieningenrechter eveneens al op 21 december 2018 heeft overwogen zou een verzoek aan het OM om een nader advies te geven op grond van nieuwe onderzoeken echter in strijd zijn met (de strekking van) artikel 6 lid 2 Gratiewet. Dat artikellid bepaalt immers dat de minister alleen nader advies kan vragen aan het OM indien het advies van het Hof daartoe aanleiding geeft. Het Hof achtte zich echter ook zonder te beschikken over een nieuw slachtofferonderzoek en een impactanalyse voldoende geïnformeerd. Anders dan de Staat stelt, is het Hof in zijn advies ook niet volledig voorbijgegaan aan de impact van gratieverlening op de samenleving. Het Hof heeft immers zonder meer aangenomen dat ook in bredere zin in de samenleving, en in het bijzonder in de gemeente Delft, nog gevoelens van onbehagen zullen bestaan over de door [eiser] gepleegde strafbare feiten. Het Hof heeft verder aangenomen dat de conclusies uit het in 2014 uitgevoerde slachtofferonderzoek nu niet veel aan betekenis zullen hebben ingeboet. Onder deze omstandigheden kan de Staat zich in redelijkheid niet beroepen op het ontbreken van een recent slachtofferonderzoek en een impactanalyse als reden voor een afwijking van het advies van het Hof.
4.11.
Nadat het OM advies had uitgebracht, heeft de Staat alsnog opdracht gegeven aan de reclassering om advies uit te brengen over de wel of niet te stellen voorwaarden bij eventuele gratieverlening aan [eiser] . Dat advies is op 11 februari 2019 uitgebracht. Daardoor is het advies van het OM achterhaald voor zover het is gebaseerd op de opmerking dat een reclasseringsadvies ontbreekt. De reclassering acht op basis van het recidiverisico geen bijzondere voorwaarden geïndiceerd bij eventuele gratie. Nu dit reclasseringsrapport gelet hierop zonder meer positief is te noemen, waarover later meer, kan dit geen grond vormen voor de afwijzende beslissing op het gratieverzoek.
4.12.
De negatieve beslissing op het gratieverzoek is verder gebaseerd op het gegeven dat [eiser] in het kader van transmuraal verlof al volledig buiten de kliniek verblijft. De Staat heeft betoogd dat gelet hierop geen strijd bestaat met de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de mens waaruit volgt dat een levenslang veroordeelde een perspectief op invrijheidstelling moet hebben. Er is immers geen sprake van een “feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij” en van een voor de veroordeelde “aanhoudend en langdurig, volstrekt uitzichtloze situatie”, aldus de Staat. De Staat heeft aangevoerd dat in het zogenoemde Vinter-arrest is beslist dat het in stand houden van enige vorm van toezicht op een levenslang veroordeelde geen strijd oplevert met artikel 3 EVRM (EHRM 9 juli 2013, appl. nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10, r.o. 109).
4.13.
Die motivering kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen stand houden. Met [eiser] en met de kliniek zijn in 2001 afspraken gemaakt over opname van [eiser] in de TBS-inrichting. Daarbij is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een verlofbeleid op gang zou komen. De behandeling was gericht op een mogelijke terugkeer in de samenleving. In een memo dat ter bevestiging van de gemaakte afspraken is opgesteld, is dat ook expliciet genoemd, en wel in geval van een succesvol verlopen behandeling. In verband daarmee werd, onder het kopje “horizonbepaling gratieprocedure”, in het bijzonder aandacht besteed aan de indiening van een gratieverzoek. Van de verlofmogelijkheden in het kader van de behandeling is in het geval van [eiser] gebruik gemaakt; hem is een zogenoemd transmuraal verlof verleend, dat onderdeel vormde van een voorbereiding op re-integratie in de samenleving. De in 2001 gemaakte afspraken en de in het kader daarvan verleende verloven hebben [eiser] een perspectief verschaft op een volledige re-integratie in de samenleving. De Staat kan nu niet onder verwijzing naar de door die verloven aan [eiser] al geboden ruimte beargumenteren dat volledige re-integratie, waarvoor gratie voorwaarde is, verder gaat dan waartoe de Staat op grond van artikel 3 EVRM en de op dit punt bestaande jurisprudentie van het EHRM gehouden zou zijn. Hierbij moet bedacht worden dat met het in stand houden van het transmuraal verlof de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in feite wordt gecontinueerd, terwijl dat bij een voorwaardelijke invrijheidstelling (waarop het Vinter-arrest doelt) niet het geval is.
4.14.
De negatieve beslissing op het gratieverzoek is daarnaast gemotiveerd met de opmerking dat nog een kanttekening is te plaatsen bij het recidiverisico, nu er geen sprake is van een situatie waarin deskundigen het risico in alle opzichten op korte en zeker ook de lange(re) termijn als laag inschatten. De minister en de Staat baseren zich daarvoor op een rapport van de kliniek, dat ook is geciteerd in het reclasseringsadvies van 11 februari 2019 (zie onder 2.13.). Het betreft het evaluatierapport van het transmuraal verlof van de kliniek van 13 september 2018. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de visie van de minister en de Staat niet correspondeert met de conclusie uit dat rapport.
4.15.
Op zichzelf is juist dat het rapport vermeldt dat de kans op gewelddadig gedrag zonder begeleidend kader op de lange termijn niet als laag wordt ingeschat, maar als laag tot matig. Die opmerking moet echter in samenhang worden gelezen met het vervolg van het rapport. Daarin is te lezen dat de kans dat dit scenario optreedt en zal leiden tot ernstig gewelddadig gedrag op basis van het toegenomen vermogen van [eiser] om gebruik te maken van steunende anderen als wordt ingeschat. De reclassering concludeert uiteindelijk, na kennisneming van dit rapport, dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag, net als de risico’s bij de andere onderzochte gebieden. De minister meldt in de beslissing op het gratieverzoek dat hij het te vrijblijvend en niet verantwoord vindt om op de opstelling van [eiser] te vertrouwen, waarmee hij kennelijk bedoelt dat het onwenselijk is dat het recidiverisico afhankelijk is van de opstelling van [eiser] . De kans op recidive is echter in alle gevallen mede afhankelijk van het gedrag, en dus de opstelling van de veroordeelde. Nu deskundigen de opstelling van [eiser] hebben onderzocht en op grond daarvan hebben geconcludeerd dat het risico op recidive laag is, had de minister niet aan zijn motivering van de afwijzing van het gratieverzoek ten grondslag kunnen leggen dat het recidiverisico níet in alle gevallen laag is. De minister is kennelijk ook geheel voorbijgegaan aan de zonder meer positieve conclusie in het reclasseringsrapport – waaraan de Staat op voorhand nu juist waarde had gehecht, omdat het op uitdrukkelijk verzoek van de Staat tot stand is gekomen – en heeft evenmin in de motivering van zijn beslissing aandacht besteed aan het advies van de reclassering dat bij een eventuele gratie geen bijzondere voorwaarden zijn geïndiceerd.
4.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de toestand van de slachtoffers, zoals die volgt uit het slachtofferonderzoek van 2014, als enige nog te beoordelen reden resteert voor de afwijzing van het gratieverzoek, in weerwil van het advies van het Hof. De voorzieningenrechter wenst, net zomin als de Staat en het Hof, geen afbreuk te doen aan de ernst van de conclusies die volgen uit dat onderzoek. Het is schrijnend dat van heling bij slachtoffers en nabestaanden ondanks het tijdverloop geen sprake is en dat de door [eiser] gepleegde strafbare feiten nog dagelijks impact op hen hebben. Bij de beantwoording van de vraag of met de verdere tenuitvoerlegging van de straf nog strafdoelen worden gediend, valt de toestand van de slachtoffers en nabestaanden onder het vergeldingsaspect. Dat heeft het Hof onder ogen gezien, maar het heeft niettemin positief geadviseerd ten aanzien van het gratieverzoek. De minister heeft daarvan in redelijkheid niet kunnen afwijken door het vergeldingsaspect anders te wegen dan het Hof. Niet in geschil is dat gelet op het grote tijdsverloop sinds de gepleegde strafbare feiten kan worden aangenomen dat de situatie van de slachtoffers en nabestaanden niet of nauwelijks meer zal veranderen. Indien het slachtofferonderzoek doorslaggevend zou blijven, zou dat dus betekenen dat [eiser] niet alleen nu niet, maar ook in de toekomst nooit in aanmerking zal komen voor gratieverlening, ongeacht zijn eigen ontwikkeling en gedragsverandering. Dat acht de voorzieningenrechter in strijd met de Europese jurisprudentie waarin is geoordeeld dat vergelding na een gevangenisstraf van 25 jaar niet zonder meer nog een gerechtvaardigd strafdoel is. De ratio van die jurisprudentie is dat het vergeldingsaspect aan grenzen is gebonden. Een situatie waarin als gevolg van de toestand van de slachtoffers – nu en in de toekomst – geen gratie zal worden verleend, is ook niet te rijmen met de afspraken die de Staat in 2001 met [eiser] en de kliniek heeft gemaakt. In die afspraken is, zoals hiervoor al werd overwogen, vastgelegd dat er – mits de behandeling van [eiser] positief zou verlopen – een uitzicht op gratie bestond. In de afspraken is als doel een vanuit behandelingsperspectief verantwoorde terugkeer van [eiser] in de samenleving geformuleerd. Uit de deskundigenrapporten volgt dat die situatie zich nu voordoet.
4.17.
Gelet op het voorgaande heeft de minister in redelijkheid niet kunnen komen tot afwijzing van het gratieverzoek van [eiser] . De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. Aan de Staat zal daarvoor een termijn van vier weken worden gegund. Aangezien de Staat pleegt gerechtelijke uitspraken na te komen, zal geen dwangsom worden opgelegd. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit geding. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de werkelijke proceskosten van [eiser] , zoals hij heeft gevorderd. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
veroordeelt de Staat om binnen vier weken na heden de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming van 28 februari 2019 tot afwijzing van het gratieverzoek van [eiser] te (doen) herroepen en opnieuw te (doen) beslissen met inachtneming van het bovenstaande oordeel van de voorzieningenrechter over het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek;
5.2.
veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.138,01,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 81,-- aan griffierecht en € 77,01,-- aan dagvaardingskosten;
5.3.
bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.

hvd