Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3702

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 16-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3702, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/1037


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBDHA:2019:3702:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Proces-verbaalnummer: PL1500-2018308352Kenmerk RK: 19/1037
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 11 maart 2019, ter griffie van deze rechtbank ingekomen, tot onttrekking aan het verkeer van:

- een personenauto, te weten een [automerk] (hierna: de auto);

in de zaak tegen:

[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 [geboorteplaats]wonende te [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd proces-verbaalnummer.

Op 19 februari 2019 heeft de rechtbank besloten om het klaagschrift ex artikel 552a Sv, waarin [betrokkene] verzocht om teruggave van de auto, ongegrond te verklaren, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat een rechter, later oordelend, de auto zou onttrekken aan het verkeer.

Op 11 maart 2019 ontving de rechtbank een vordering tot onttrekking aan het verkeer van de auto.

De rechtbank heeft op 2 april 2019 deze vordering in raadkamer behandeld.

[betrokkene] is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de vordering en vindt het op dit moment onvoldoende onderbouwd dat [betrokkene] door de onttrekking aan het verkeer van de auto onevenredig wordt getroffen in de zin van artikel 33c, tweede lid, Sr.

[betrokkene] heeft primair verzocht om teruggave van zijn auto. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat hij zwaar zal worden getroffen als zijn auto aan het verkeer zal worden onttrokken en heeft verzocht deze schade te vergoeden.

overwegingen

Beoordeling van de vordering.
Onttrekking aan het verkeer

In raadkamer is aannemelijk geworden dat de auto op 16 november 2018 onder [autobedrijf] in beslag is genomen en in eigendom toebehoort aan [betrokkene] . Het voorwerp is inbeslaggenomen, omdat de verdenking bestond dat de auto was voorzien van een vals voertuigidentificatienummer (hierna: VIN-nummer). Uit het proces-verbaal van 21 december 2018 blijkt dat het VIN-nummer was vervalst en slijp- en/of schuursporen zijn aangetroffen in de nabijheid van het VIN-nummer. Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL6178) volgt dat auto’s met een vals VIN-nummer niet in het verkeer gebracht mogen worden, omdat het ongecontroleerde bezit van een dergelijk voertuig in strijd is met het algemeen belang. De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank heeft daarbij gelet op de artikel 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering.
Onevenredig getroffen?

Ingevolge artikel 33c, tweede lid, in verbinding met artikel 36b, tweede lid, Sr. kent de rechter een geldelijke tegemoetkoming toe indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van een voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder andere worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en wat de waarde van het onttrokken voorwerp is. De rechtbank merkt op dat een geldelijke tegemoetkoming niet hetzelfde is als een volledige vergoeding van de geleden schade.
In dit geval heeft de eigenaar een kat in de zak gekocht. Die koop is een kwestie tussen hem en de verkoper. Dat de auto niet is wat hij verwachtte, komt voor zijn risico. Er is in beginsel geen reden om vervolgens van de Staat te verwachten dat die die schade vergoedt. Dat wordt niet anders als hij een zaak heeft gekocht waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Slechts voor zover hij, zijn risico als koper meerekenend, door de onttrekking onevenredig wordt getroffen, kan voor een vergoeding plaats zijn.

Het grootste deel van de schade die [betrokkene] lijdt, vloeit niet voort uit de onttrekking aan het verkeer, maar uit het feit dat hij € 15.000,- euro heeft betaald voor een auto die nagenoeg geen waarde heeft in het economisch verkeer. Een omgekatte auto heeft immers geen andere waarde dan de sloopwaarde of waarde van de losse onderdelen, omdat een dergelijke auto niet op de openbare weg mag rijden. Nu de auto in het economisch verkeer weinig waarde heeft, is het nadeel dat [betrokkene] vervolgens door de onttrekking van die auto ondervindt beperkt. Kort gezegd: er wordt een auto met sloopwaarde onttrokken aan het verkeer. Hij wordt dan ook niet onevenredig getroffen door de onttrekking van die auto. Daar komt bij dat hij zelf het risico heeft genomen door een auto in het buitenland aan te schaffen met contant geld en de auto niet goed te (laten) inspecteren vóór de aankoop.
beslissing

Beslissing.

- verklaart onttrokken aan het verkeer: .
- wijst af het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33c, tweede lid, jo. 36b, tweede lid, Sr.
De rechtbank:

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Haalem, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 april 2019