Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3700

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 15-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3700, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/571619 / KG RK 19-574


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/23zaak- /rekestnummer: C/09/571619/ KG RK 19/574
Beslissing van 15 april 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: verzoekster,gemachtigde [belanghebbende] ,
strekkende tot de wraking van

mr. C.M. van der Kleijn, kinderrechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:- Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland.

ECLI:NL:RBDHA:2019:3700:DOC
nl

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/23zaak- /rekestnummer: C/09/571619/ KG RK 19/574
Beslissing van 15 april 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: verzoekster,gemachtigde [belanghebbende] ,
strekkende tot de wraking van

mr. C.M. van der Kleijn, kinderrechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:- Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het proces-verbaal van 5 april 2019 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 april 2019;- de schriftelijke reactie van verzoekster en gemachtigde van 11 april 2019;
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:- verzoekster, C. Pielert, bijgestaan door gemachtigde C.E.F. Vermeulen;- de belanghebbende, ter terechtzitting vertegenwoordigd door de heer J. Wagemaker. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/570766/ JE RK 19-727 tussen verzoekster en de belanghebbende.
Naar aanleiding van het verzoekschrift van de belanghebbende strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van het minderjarige kind van verzoekster heeft op 5 april 2019 een zitting plaatsgevonden in bovengenoemde zaak. De stiefvader van het minderjarige kind, thans de gemachtigde van verzoekster, is door de kinderrechter als informant aangemerkt. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 5 april 2019 heeft de gemachtigde, in zijn hoedanigheid als informant, de rechter ter terechtzitting gewraakt, omdat de rechter niet aan waarheidsvinding zou doen en niet zou luisteren. Verzoekster heeft zich bij dit wrakingsverzoek aangesloten.
2.2.
Verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek nog nader toegelicht met de stelling dat de rechter niet naar haar partner, tevens stiefvader van de minderjarige en gemachtigde van verzoekster, wilde luisteren.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
overwegingen

3

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Aan het verzoek tot wraking ligt ten grondslag dat de rechter niet naar het standpunt van verzoekster en haar gemachtigde heeft willen luisteren. De wrakingskamer stelt voorop dat het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 5 april 2019 bij de beoordeling van het verzoek leidend is, waar het de gang van zaken tijdens een zitting betreft. De inhoud van het proces-verbaal is bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek d.d. 15 april 2019 niet betwist. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat zowel de belanghebbende, als de verzoekster en de gemachtigde meerdere malen aan het woord zijn geweest, hetgeen impliceert dat zij hun standpunt aan de rechter kenbaar hebben kunnen maken. Voorts zijn er geen bijzondere omstandigheden aangevoerd of gebleken waaruit zou blijken dat de rechter niet heeft willen luisteren. Gelet op voorgaande is er naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid jegens verzoekster. Het wrakingsverzoek wordt om die reden afgewezen
beslissing

4

De wrakingskamer

4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de onder 1 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan: • de verzoekster en haar gemachtigde;• de belanghebbende, [belanghebbende] van de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland;• de kinderrechter.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. O. van der Burg, P.M.E. Bernini en S.M. Krans in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Beeck en in openbaar uitgesproken op 15 april 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.