Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3698

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 15-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3698, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/570214 / KG RK 19-428


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

Wrakingnummer 2019/20

zaak- /rekestnummer: C/09/570214 / KG RK 19-428
Beslissing van 15 april 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,advocaat mr. M.A. van de Weerd te Den Haag,
strekkende tot wraking van

mr. M. van Loenhoud

kinderrechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:mr. I. Kluiter, officier van justitie.

ECLI:NL:RBDHA:2019:3698:DOC
nl

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

Wrakingnummer 2019/20

zaak- /rekestnummer: C/09/570214 / KG RK 19-428
Beslissing van 15 april 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,advocaat mr. M.A. van de Weerd te Den Haag,
strekkende tot wraking van

mr. M. van Loenhoud

kinderrechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:mr. I. Kluiter, officier van justitie.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 12 maart 2019, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;- de schriftelijke reactie van de rechter van 21 maart 2019.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is de advocaat van verzoeker verschenen. De rechter en de belanghebbende zijn niet verschenen; de rechter met kennisgeving vooraf.
2

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de (hoofd)zaak met parketnummer 09-012399-18, zijnde de strafzaak van verzoeker. De strafzaak betreft een verdenking dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.
2.2.
Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De uitlatingen van de rechter ter zitting hebben bij hem de vrees gewekt dat de rechter zich voorafgaand aan de zitting al een oordeel had gevormd over de zaak en zonder een kritische bevraging te hebben afgewacht. Hij heeft de indruk gekregen dat het niet meer uitmaakte wat hij ter zitting nog zou zeggen. Daarmee heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt.
2.3.
De rechter heeft op het verzoek gereageerd. Zij meent dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Zij stelt daartoe, samengevat weergegeven, dat zij de verdachte louter op kritische wijze heeft geconfronteerd met de inhoud van het procesdossier en dat een kritische wijze van bevragen iets anders is dan vooringenomenheid.
2.4.
De belanghebbende heeft zich niet uitgelaten over het wrakingsverzoek.
overwegingen

3

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek verwezen naar hetgeen de rechter ter zitting heeft gezegd. De advocaat van verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer opgemerkt dat het proces-verbaal een juiste weergave is van hetgeen ter zitting is voorgevallen, zij het dat de rechter al aan het begin van de zitting, direct na de ontkenning van de verdachte, tevens zou hebben medegedeeld “Dan ben ik wel uitgepraat” of woorden van gelijke strekking. Nu deze mededeling niet blijkt uit het proces-verbaal laat de wrakingskamer deze, mede gezien het navolgende, buiten beschouwing.
3.3.
De wrakingskamer acht voor haar beslissing het volgende van belang. Uit het proces-verbaal blijkt dat de zitting als volgt is verlopen. De officier van justitie heeft de zaak voorgedragen. De rechter heeft vervolgens de eerdere ontkenning van verzoeker en de getuigenverhoren genoemd en verzoeker gevraagd wat hij daarover wil verklaren. Verzoeker heeft daarop – kort gezegd – verklaard niet op de betreffende plek te kunnen zijn geweest. De rechter heeft daarop gereageerd met de opmerking dat zij tot een andere conclusie komt. Daarbij heeft zij geen voorbehoud gemaakt. Vervolgens heeft de advocaat van verzoeker met zijn vraag , onmiddellijk zijn bedenkingen bij die opmerking geuit, maar dit heeft niet geleid tot een nuancering hiervan. De rechter reageert met: “
3.4.
Vooropgesteld wordt dat een rechter een verdachte kritisch moet kunnen bevragen. Daartoe dient voldoende ruimte te bestaan en die ruimte moet de rechter ook (kunnen) nemen. Echter, in dit geval is veeleer sprake geweest van het op grond van een eerder getrokken conclusie enkel voorhouden van stukken van het dossier zonder ervan blijk te geven nog open te staan voor het betoog van de verdachte. Immers, de rechter heeft vrijwel aan het begin van de zitting, direct na ontkenning van de verdachte, gemeld dat zij tot een andere conclusie komt, en vervolgt daarop met de opmerking en merkt daarna bij weergave van het Whatsapp-gesprek op , daarmee stellende dat verzoeker dit in het bewuste Whatsapp gesprek heeft gezegd, terwijl verzoeker juist uitdrukkelijk ontkent dat gesprek te hebben gevoerd en overigens zonder verzoeker tussentijds in de gelegenheid te stellen daar op te reageren. Hierdoor kan bij verzoeker de vrees zijn ontstaan dat de rechter jegens hem vooringenomen is. Die vrees is naar het oordeel van de wrakingskamer ook objectief gerechtvaardigd. Het wrakingsverzoek is daarom gegrond. Het onderzoek in de strafzaak van verzoeker zal dus door een andere rechter in deze rechtbank moeten worden hervat.
3.5.
De wrakingskamer zal beslissen zoals hierna vermeld.
beslissing

4

De wrakingskamer

4.1.
wijst het verzoek tot wraking toe;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan: • de verzoeker p/a zijn raadsman mr. M.A. van der Weerd;• de officier van justitie mr. I. Kluiter;• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.W.E. de Ruiter, T.A. de Hek en M.J. Alt-van Endt in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.E. Scheers en in openbaar uitgesproken op 15 april 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.