Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3553

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3553, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/842129-16


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842129-16

Datum uitspraak: 12 april 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres]

ECLI:NL:RBDHA:2019:3553:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842129-16

Datum uitspraak: 12 april 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres]
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 18 april 2018 (regie), 18 maart 2019 (inhoudelijke behandeling), 22 maart 2019 (inhoudelijke behandeling) en 29 maart 2019 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. L.E. van der Leeuw en mr. L. Kooijmans (hierna telkens te noemen: de officier van justitie (in vrouwelijk enkelvoud)) en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. P.J. Hoogendam naar voren is gebracht.
Verdachte wordt hierna ook bij zijn achternaam aangeduid, te weten: [verdachte] .

2

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 18 maart 2019 - tenlastegelegd dat:
- aarde (bestemd voor/van hennepplanten) om te woelen en/of- ( hennepgerelateerde) spullen de woning ( [adres] ) in/uit te brengen/dragen en/of- de hennepkwekerij op te ruimen en/of- hennep(planten) te knippen;
- aarde (bestemd voor/van hennepplanten) om te woelen en/of- ( hennepgerelateerde) spullen de woning ( [adres] ) in/uit te brengen/dragen en/of- hennep(planten) te knippen;
- aarde (bestemd voor/van hennepplanten) om te woelen en/of- ( hennepgerelateerde) spullen de woning in/uit te brengen/dragen en/of- de hennepkwekerij op te ruimen en/of- hennep(planten) te knippen;
- aarde (bestemd voor/van hennepplanten) om te woelen en/of- ( hennepgerelateerde) spullen de woning ( [adres] ) in/uit te brengen/dragen en/of- de hennepkwekerij op te ruimen en/of- hennep(planten) te knippen;
- aarde (bestemd voor/van hennepplanten) om te woelen en/of- ( hennepgerelateerde) spullen de woning ( [adres] ) in/uit te brengen/dragen en/of- de hennepkwekerij op te ruimen - hennep(planten) te knippen;
9.
- een aanvraag WW-uitkering- een vaststellingsovereenkomst d.d. 10 april 2016
1.

Zaaksdossier 4

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 21 januari 2016 tot en met 24 mei 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer loonstro(o)k(en) en/of werkgeversverklaringen van [bedrijf 1] . en/of [bedrijf 2] op naam van [verdachte] en/of [medeverdachte 4] ) als ware deze echt en onvervalst, door die valse werkgeversverklaring(en) en/of die lo(o)nstro(o)k(en) te overleggen/verstrekken/overhandigen aan de [bank] teneinde een hypotheek te verkrijgen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2016 tot en met 24 mei 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hypothecaire geldlening ten bedrage van 217.742,- euro, door -(een) valse loonstro(o)k(en) en/of werkgeversverklaring(en) van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] aan de [bank] te verstrekken;
2.

Zaaksdossier 5

hij (op één of meer tijdstip(pen) in de periode 11 maart 2016 tot en met 14 juni 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten het uitkeren van verzekeringsgeld (ten bedrage van 22.686,53 euro) en/of een of meer schadebedrag, door zich voor te doen als gedupeerde van een onvoorzien, van buiten komend onheil, of onzeker voorval, te weten, het in het water rijden/terechtkomen van zijn, verdachtes, voertuig ( [auto merk] , kenteken [kenteken] ) en/of (vervolgens) een onterechte/onjuiste/valse schadeclaim(s) in te dienen bij [bedrijf 3] ;

3.

Zaaksdossier 7

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 2 oktober 2013 tot en met 10 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft (in een pand aan de [adres] ) geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep, althans en groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 2 oktober 2013 tot en met 10 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk (in een pand aan de [adres] )heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een hoeveelheid hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij deOpiumwet behorende lijst II,
bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 2 oktober 2013 tot en met 10 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

4.

Zaaksdossier 7

Primair

hij op of omstreeks 11 december 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van 420 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 11 december 2013 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid 420 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 11 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

5.

Zaaksdossiers 8 en 9

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van -11 november 2010 tot en met 18 januari 2011 in een pand gelegen aan de [adres] te ’s-Gravenhage en/of -30 januari 2012 tot en met 4 april 2012 in een pand gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid hennep,althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van -11 november 2010 tot en met 18 januari 2011 in een pand gelegen aan de [adres] te ’s-Gravenhage en/of -30 januari 2012 tot en met 4 april 2012 in een pand gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een hoeveelheid hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 11 november 2010 tot en met 4 april 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

6.

Zaaksdossiers 8 en 9

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 04 april 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van 775 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 4 april 2012 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid 775 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwetbehorende lijst II,
bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 4 april 2012, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

7.

(Zaaksdossier 9)

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 18 januari 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van 773 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 18 januari 2011 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid 773 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 18 januari 2011 te 's-Gravenhage , in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

8.

Zaaksdossier 7,8 en 9

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 4 februari 2010 tot en met 11 december 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(in een pand aan de [adres] en/of [adres] en/of [adres] ) (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) elektriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

Zaaksdossier UWV

hij in de periode van 01 juni 2016 tot en met 1 september 2016 te Rotterdam en/of Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp en/of Moerkapelle, althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten art 25 Werkeloosheidswet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WW-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door vals/valselijke informatie te verstrekken aan de uitkeringsinstantie UWV, te weten een vals/vervalst dienstverband bij [bedrijf 1] over de periode 30 november 2015 tot en met 31 mei 2016 en/of een valse/vervalste arbeidsovereenkomst van [bedrijf 1] en/of (een) loonstro(o)k(en) van [bedrijf 1] en/of (een) urensta(a)t(en) van [bedrijf 1] , teneinde die WW-uitkering aan te vragen;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 2 juni 2016 te ’s-Gravenhage en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), te weten:

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/ die geschrift(en) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader opzettelijk voornoemd(e) geschrift(en) heeft/hebben ingeleverd en/of afgegeven en/of overgedragen en/of verzonden en/of getoond aan het [bedrijf 5] (ten einde het (fictieve) dienstverband tussen verdachte en [bedrijf 1] . aan te tonen, zulks ten behoeve van het verkrijgen van een uitkering.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsman is ter zitting van de rechtbank een preliminair verweer gevoerd strekkende tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 9 primair tenlastegelegde omdat de omschrijving van dit feit innerlijk tegenstrijdig zou zijn. Dit verweer is ter terechtzitting verworpen. De raadsman heeft zijn verweer bij pleidooi herhaald. Nu door de raadsman geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd, wordt het verweer op dezelfde gronden verworpen. De dagvaarding is geldig.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van de feiten 3 tot en met 8 niet-ontvankelijk in de vervolging is, omdat de redelijke termijn fors is overschreden. De verdediging verzoekt de rechtbank hiermee af te wijken van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), die inhoudt dat overschrijding van de redelijke termijn, ook in uitzonderlijke gevallen, niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. De rechtbank ziet, net als de officier van justitie, geen aanleiding af te wijken van deze vaste rechtspraak van de Hoge Raad. De regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.
3. Voorvragen; geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

overwegingen

4

4.1
InleidingDe zaak tegen verdachte maakt deel uit van het onderzoek “ [onderzoeksnaam] ” naar georganiseerde hennepkwekerijen/hennephandel in Nederland. In de periode van 2009 tot en met begin 2016 kwam bij de politie diverse malen CIE-informatie binnen dat [verdachte] in de hennephandel zou zitten. Op 11 december 2013 werden [verdachte] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] ) aangehouden in een in werking zijnde hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te Den Haag. Naar aanleiding van deze aanhouding werd het DNA van [verdachte] en [medeverdachte 2] afgenomen. Na vergelijking met de profielen in de DNA-databank bleek dat [verdachte] mogelijk betrokkenheid had bij hennepkwekerijen op vier andere locaties, aangezien zijn DNA op die locaties werd aangetroffen. Ook het DNA van [medeverdachte 2] werd bij een hennepkwekerij in Zoetermeer aangetroffen. [verdachte] en [medeverdachte 2] bleken omgang te hebben met [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). [medeverdachte 3] werd op 14 juli 2015 aangehouden in verband met mogelijke betrokkenheid bij een zeer grote hennepkwekerij in het voormalige gebouw van het [naam] aan de [adres] te Rijswijk. Tevens werd op die dag een doorzoeking verricht in de woning van [medeverdachte 3] aan het [adres] te Nootdorp. Tijdens deze doorzoeking werden persoonlijke eigendommen van [verdachte] aangetroffen. In de berging van die woning werden hennepgerelateerde goederen aangetroffen. Na onderzoek bleek dat [verdachte] na zijn scheiding in de woning van [medeverdachte 3] te verblijven. Omdat in januari 2016 wederom CIE-informatie binnenkwam dat [verdachte] in de hennephandel zou zitten en dat hij dit met een “kleine club” zou doen, werd het onderzoek “ [onderzoeksnaam] ” gestart tegen de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Gedurende dit onderzoek zijn onder andere diverse observaties verricht en diverse mobiele telefoons afgeluisterd. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] en zijn partner [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) zich schuldig hebben gemaakt aan hypotheek-, verzekerings- en uitkeringsfraude.
De vraag die aan de rechtbank ter beantwoording voorligt is of verdachte – kort samengevat – zich samen met [medeverdachte 4] heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de [bank] door valselijk opgemaakte stukken bij een hypotheekaanvraag te gebruiken (feit 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief), aan oplichting van een verzekeringsmaatschappij (feit 2), en aan uitkeringsfraude (feit 9). Voorts dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte als (mede)pleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen aan de [adres] te Den Haag, [adres] te Den Haag en [adres] te Den Haag (de feiten 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 6 primair en subsidiair en 7 primair en subsidiair) en bij de diefstal van elektriciteit ten behoeve van deze hennepkwekerijen (feit 8).

4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – zoals verwoord in haar schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde voor wat betreft de periode 6 april 2016 tot 14 juni 2016, het onder 8 tenlastegelegde voor wat betreft de panden [adres] en [adres] , en het onder feit 9 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Zij acht de onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2 ten aanzien van de periode 11 maart 2016 tot 6 april 2016, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 ten aanzien van het pand [adres] en 9 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Voorts acht zij ten aanzien van deze feiten het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit en de hierna te bespreken verweren gevoerd.

4.4
De beoordeling van de tenlastelegging




Start van het onderzoek

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de start van het onderzoek [onderzoeksnaam] onrechtmatig is geweest nu de rechter-commissaris ten onrechte een tapmachtiging heeft verstrekt en dat als gevolg daarvan alle uit die machtiging verkregen en daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten. De raadsman heeft hiertoe betoogd dat de verdenking van artikel 3 van de Opiumwet geen misdrijf betreft dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Bovendien vorderde het onderzoek niet dringend dat tot het afgeven van de tapmachtiging werd overgegaan. Daarbij wijst de raadsman op de oudheid van de feiten en op de omstandigheid dat een eerder onderzoek naar verdachte (het onderzoek [onderzoeksnaam] ) in 2014 is beëindigd.
De rechtbank overweegt als volgt.Artikel 126m, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt - kort gezegd - dat een officier van justitie, indien een onderzoek dat dringend vordert, een opsporingsambtenaar kan bevelen tapgesprekken op te nemen, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, dat gezien zijn aard of samenhang met andere door verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Artikel 3 van de Opiumwet betreft een in artikel 67, eerste lid, Sv omschreven misdrijf. Het staat in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 126m Sv. Bij deze toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.De rechter-commissaris heeft op 11 maart 2016 machtiging verleend de telefoon van verdachte af te luisteren op basis van het proces-verbaal van verdenking van 19 januari 2016 (genummerd 2). Uit dit proces-verbaal blijkt dat er ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond dat hij betrokken was bij de handel in hennep. Dit wordt in zoverre ook niet door de raadsman betwist. Uit dit proces-verbaal blijkt dat verdachte al sinds 2009 in de hennephandel actief zou zijn, hetgeen bevestiging vindt in het aantreffen van verdachte in een hennepkwekerij aan de [adres] in Den Haag en het aantreffen van zijn sporen in nog vier andere hennepkwekerijen. Voorts blijkt dat verdachte in verband wordt gebracht met een aantal andere personen die er eveneens van worden verdacht betrokken te zijn bij de handel in hennep. Dit wees op grootschalige hennephandel, mogelijk in georganiseerd verband. Dergelijke handel levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige inbreuk op de rechtsorde op, zoals artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering eist voor het afgeven van een tapmachtiging. Het feit dat het onderzoek [onderzoeksnaam] eind 2014 was stopgezet leidt niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat een onderzoek vanwege (voornamelijk) capaciteitsgebrek wordt stopgezet, brengt niet met zich dat op basis van (mede) de in dat onderzoek vergaarde informatie op een later moment niet opnieuw een onderzoek kan worden gestart. Bovendien blijkt er in 2015 een onderzoek naar medeverdachte [medeverdachte 3] , genaamd [onderzoeksnaam] , te zijn geweest, in welk onderzoek ook de persoon van verdachte in beeld is gekomen bij een doorzoeking van de woning aan de [adres] te Nootdorp. Ten slotte is er nog een TCI-proces verbaal uit januari 2016 waarin staat vermeld dat verdachte nog steeds bezig is met hennep. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat de rechter-commissaris op grond van de inhoud van de vordering en het daarbij overgelegde proces-verbaal in redelijkheid tot het afgeven van de machtiging heeft kunnen komen. Voorts is niet gebleken dat het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid niet in overeenstemming zou zijn geweest met die machtiging of anderszins onrechtmatig is geweest.De conclusie is dat het verweer inzake de onrechtmatige start van het onderzoek wordt verworpen en dat de zich in het dossier bevindende tapresultaten in beginsel bruikbaar zijn voor het bewijs.De raadsman heeft bij pleidooi de rechtbank nogmaals verzocht het openbaar ministerie op te dragen alle stukken uit het onderzoek [onderzoeksnaam] aan het dossier toe te voegen. Dit verzoek is reeds tijdens de behandeling ter terechtzitting gedaan en door de rechtbank verworpen. Nu door de raadsman geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd, wordt het verzoek op dezelfde gronden verworpen.
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 9

Vanwege de samenhang tussen deze feiten zal de rechtbank de betreffende zaaksdossiers hieronder bespreken.

Feit 1 Zaaksdossier 4 “ [onderzoeksnaam] ”

Inleiding

Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij, tezamen en in vereniging, bij het aanvragen van een hypotheek gebruik heeft gemaakt van valse stukken, te weten een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook en/of dat hij door het gebruiken van deze stukken de [bank] heeft opgelicht.
Bewijsmiddelen
_5a3c80a9-4a18-4c2c-9c5e-fedb3b482a0b

Op 17 november 2016 heeft [naam] , fraudespecialist bij de afdeling Fraude Onderzoek en Analyse van de [bank] ( [bank] ), aangifte gedaan namens de [bank] van hypotheekfraude.

[verdachte] heeft bij zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat het moeilijk was om als ondernemer een hypotheek te krijgen. Zijn salaris als ondernemer was te weinig. Hij heeft verklaard dat hij, om een hypotheek aan te vragen bij de [bank] , een vals dienstverband heeft gehad bij [bedrijf 1] . Hij heeft daadwerkelijk salaris gestort gekregen op de [bank] rekening, als bewijs dat hij daar ook werkte. Het geld dat als salaris op de rekening werd gestort was afkomstig van zijn eigen rekening, dat heeft hij gepind. [medeverdachte 4] had hetzelfde als [verdachte] , maar dan bij [bedrijf 2] . Middels een tussenpersoon zijn [verdachte] en [medeverdachte 4] een hypotheekofferte gaan tekenen en daarbij hebben ze een valse loonstrook en een valse werkgeversverklaring overlegd. [verdachte] wil niet zeggen wat [bedrijf 1] daarvoor gekregen heeft, maar – zo verklaart hij – Sinterklaas bestaat niet. Over de betrokken boekhouder en makelaar verklaart [verdachte] dat deze beiden niets van de fraude wisten. Verder wil hij niet over anderen verklaren, de politie weet toch al hoe het zit. Over het zichzelf als ondernemer uitschrijven bij de Kamer van Koophandel als vennoot van [bedrijf 6] verklaart hij dat dit een bewuste keuze was voor het kunnen verkrijgen van de hypotheek. Hij heeft de broer van [medeverdachte 4] gevraagd op papier in de zaak te komen. Het was van belang voor de hypotheek dat [verdachte] op papier uitgeschreven stond.

Tussenconclusie rechtbank

Verdachte heeft in het proces-verbaal op laten nemen dat waar in de verklaring “vals dienstverband” staat er vooralsnog “dienstverband” gelezen moet worden. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat “vals” moet worden gelezen als “vast”. De rechtbank gaat evenwel uit van de bewoordingen zoals die blijkens het proces-verbaal door [verdachte] tijdens het verhoor zijn gebezigd. Niet alleen heeft [verdachte] uit zichzelf en gedetailleerd verklaard, ook blijft staan dat [verdachte] tevens heeft verklaard over hoe de salarisbetalingen in zijn werk gingen, over de vergoeding aan [bedrijf 1] , benoemt hij valse werkgeversverklaringen en spreekt hij over “fraude”. Bovendien past deze verklaring van [verdachte] bij de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank zal hieronder nader ingaan op deze overige bewijsmiddelen.
Tapgesprekken aankoop woning

In het kader van onderzoek [onderzoeksnaam] is de telefoon van [verdachte] getapt. Uit deze tapgesprekken is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 4] bezig waren met de aankoop van een woning. Ook blijkt hieruit dat [verdachte] , om een hypotheek te kunnen krijgen, zich uit zou moeten schrijven bij de kamer van Koophandel en dat iemand anders tijdelijk de [bedrijf 6] op zijn naam moest hebben.Uit historische bevraging van de kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte] zich twee maanden (april en mei 2016) heeft laten uitschrijven als vennoot en dat [naam] zich gedurende deze twee maanden heeft laten inschrijven als vennoot.Uit een tapgesprek met makelaar [naam] blijkt dat [naam] problemen heeft met de verkopende makelaar omdat [verdachte] zou hebben gezegd dat hij zelfstandig ondernemer is. [verdachte] geeft aan dat hij bij een bezichtiging tegen de verkopende partij heeft gezegd dat hij in de kraamzorg werkt. [naam] zegt dat [verdachte] op moet passen met wat hij zegt en dat ze wel allemaal hetzelfde moeten zeggen.In een WhatsApp-gesprek tussen [verdachte] en hypotheekadviseur [naam] , geeft [verdachte] op 21 januari 2016 aan dat hij het goede contract met zijn naam bij [naam] wil afgooien.
WhatsApp-gesprekken met boekhouder [boekhouder]

_80e2b7db-cf0d-44db-ad7a-d65e4cd99939

Op 8 februari 2016 vraagt [verdachte] aan [boekhouder] hoeveel hij morgen moet betalen en hij zegt dat er nog niet was gestort. [boekhouder] antwoordt dat hij vanavond de bedragen appt en dat deze week wordt gestort. Op 10 februari 2016 stuurt [boekhouder] dat de bedragen €2900,- + € 3870,- = € 5960,- zijn. [verdachte] vraagt hoeveel er dan wordt gestort en dat hij het niet meer snapt. [boekhouder] zegt tussen de € 3350 en € 3450 en dan hij nog even naar de reiskosten moet kijken. [verdachte] zegt daarop ‘desnoods zonder reiskosten’, waarop [boekhouder] reageert dat dat alleen maar beter voor hun is en dat [verdachte] het terug krijgt op rekening.
Op 11 april 2016 vraagt [boekhouder] of [verdachte] die avond de papieren kan geven. [verdachte] antwoordt dat dat zeker kan, dat hij straks gaat pinnen. [verdachte] zegt dat hij denkt dat het de laatste keer is, hij heeft waarschijnlijk binnen 4 weken de sleutel. [boekhouder] zegt dat hij dat hoopt.

Op 9 mei 2016 vraagt [boekhouder] aan [verdachte] of hij niet wil vergeten €€ af te geven. Op 11 mei 2016 vraagt [boekhouder] of [verdachte] die dag €€ kan afgeven zodat hij die avond kan wegbrengen naar de bedrijven.

Op 13 mei 2016 schrijft [verdachte] aan [boekhouder] dat hij naar de notaris gaat en vraagt of hij dus alleen nog die ene moet betalen die open staat en dan de afrekening. [boekhouder] zegt dat dat klopt, eerst periode 4 en dan na de 23e alleen nog de afrekening.

Op 19 mei 2016 vraagt [verdachte] of [boekhouder] nog gekeken had voor de WW van hem en van [naam] . Op 20 mei 2016 antwoordt [boekhouder] dat hij 3 maanden kan krijgen als hij 26 weken heeft gewerkt. [verdachte] vraagt of hij dat heeft en zegt [naam] sowieso. Hij vraagt of [boekhouder] dat kan regelen. [boekhouder] zegt dat [verdachte] nog 1 maand door moet gaan en dat het dan kan. Voor de vriendin van [verdachte] gaat [boekhouder] het alvast regelen. [verdachte] zegt dat dat top is en

Op 30 mei 2016 is er contact tussen [medeverdachte 4] en [boekhouder] . Zij vraagt of [boekhouder] de beëindigingsovereenkomst al van het werk van haar en [verdachte] heeft voor het UWV. Zij heeft haar brief nog niet binnen maar [verdachte] wel. [boekhouder] zegt dat hij die van [verdachte] straks krijgt en dat [verdachte] ook nog centjes moet geven. [medeverdachte 4] zegt daarop dat zijn salaris nog niet is gestort maar dat van haar wel. [boekhouder] geeft aan dat dat deze week komt.

Op 7 juni 2016 vraagt [boekhouder] aan [verdachte] of hij het vanavond kan geven en dat hij zo gaat uitrekenen hoeveel het is. Op 8 juni 2016 stuurt [boekhouder] aan [verdachte] Op 9 juni 2016 vraagt [boekhouder] of [verdachte] hem niet vergeet. [verdachte] reageert dat hij die avond komt maar dat hij niet snapt hoe het zo hoog is omdat het alleen nog om periode 6 ging en vakantiegeld. Er is totaal maar 5800 gestort en hij moet 10700 betalen. [boekhouder] zegt dat hij de stroken voor [verdachte] heeft en dat op eindejaarsuitkering en vakantiegeld 42% belasting ingehouden wordt. En dat [verdachte] dit terug krijgt, 4500 op zijn naam en van de partner moet hij nog uitrekenen. [boekhouder] zegt dat hij desnoods met voorlopige teruggave kan vragen, dat ze dan het geld eerder terug halen. [verdachte] zegt dan als het eerder kan want hij zit met het huis. [boekhouder] zegt
Bevindingen ten aanzien van salarisbetalingen en contante opnames

Uit de gegevens van de bankrekeningen van [verdachte] en [medeverdachte 4] blijkt dat zij beiden vanaf 8 januari 2016 salaris hebben ontvangen van respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [verdachte] heeft voor het laatst op 3 juni 2016 een bedrag van € 3.583,21 ontvangen voor periodes 5 en 6 en voor vakantiegeld, [medeverdachte 4] heeft voor het laatst op 26 mei 2016 een bedrag van € 2.222,58 ontvangen voor periode 5.
De rechtbank merkt op dat het totaal van de bedragen die op 3 juni 2016 zijn gestort € 5.805,79 is, hetgeen overeen lijkt te komen met het op 9 juni 2016 door [verdachte] genoemde gestorte bedrag over de periodes 5 en 6 van hem en [medeverdachte 4] . Hier noemt [verdachte] immers dat er maar € 5.800,- is gestort en hij toch € 10.700,- moet betalen.
Dienstverband [bedrijf 1] en [bedrijf 2]

Bij een huiszoeking op 10 april 2016 is in de woning van [verdachte] administratie aangetroffen. Er werd een jaaropgave 2015 van [bedrijf 1] op naam van [verdachte] aangetroffen waaruit bleek dat [verdachte] per 30 november 2015 in dienst is getreden van [bedrijf 1] . Ook werd een loonstrook van periode 1 van het jaar 2016 aangetroffen.Uit het hypotheekdossier is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 4] op 15 april 2016 een hypothecaire geldlening hebben aangevraagd bij de [bank] . Hierbij heeft [verdachte] een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] overgelegd, ondertekend op 3 februari 2016 en tevens een loonstrook van de maand maart 2016 van [bedrijf 1] . [medeverdachte 4] heeft een werkgeversverklaring overgelegd van [bedrijf 2] , getekend op 22 januari 2016 en een loonstrook van de maand maart 2016. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben de hypotheekofferte op 18 april 2016 en op 24 mei 2016 ondertekend. Op 24 mei 2016 is tevens de hypotheekakte gepasseerd bij de notaris.
Gebleken is dat [naam] eigenaar is van [bedrijf 1] en dat [bedrijf 2] wordt bestuurd door een holding, waarvan [naam] de directeur is. Uit navraag in de gemeentelijke basisadministratie bleek dat [naam] de moeder is van [naam] .

Verhoren [naam]

Op 14 juni 2016 is [naam] (verder [naam] ) als getuige gehoord. Ze heeft verklaard dat [verdachte] bij haar in loondienst is geweest, maar dat ze verder eerst met [verdachte] en haar advocaat wil spreken voor ze verder antwoorden geeft. Zij zegt dat ze toestemming van [verdachte] moet hebben en dat ze geen gedoe met hem wil.Op 15 juni 2016 is [naam] nogmaals als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat zij [verdachte] heeft aangenomen nadat haar accountant hem aan haar had voorgesteld. De eerste zes weken zat hij bij haar op kantoor. Hij werkte ook wel thuis, hij had geen laptop of telefoon van het werk. Nadat in januari 2016 bleek dat hij zijn werk niet goed deed heeft zij uiteindelijk in maart 2016 voorgesteld om via een vaststellingsovereenkomst uit elkaar te gaan. Zij heeft [verdachte] een aantal maal gebeld op zijn mobiele nummer maar er kwam geen contact tot stand, daarna verliep het contact met [verdachte] via de accountant [bedrijf 7] , contactpersoon [naam] . [naam] heeft bemiddeld en heeft het opgelost. Ze weet niet of er andere werknemers zijn die [verdachte] op het kantoor aan het werk hebben gezien.
Onderzoek telecom [verdachte]

Uit dit onderzoek is gebleken dat er tussen de nummers zoals opgegeven door [naam] en het telefoonnummer van [verdachte] in de periode van 21 december 2015 tot 4 mei 2016 geen contacten is geweest. De zendmastgegevens zijn in kaart gebracht. Uit deze gegevens kan opgemaakt worden dat de telefoon van [verdachte] in de periode dat hij gewerkt zou hebben bij [bedrijf 1] geen enkele keer een heel dagdeel de zendmast heeft aangestraald in de buurt van [bedrijf 1] . In die periode was sprake van een vijftal kortdurende contacten met de zendmasten nabij [bedrijf 1] , 1 maal eind december 2015 en de overige keren begin januari 2016 met een maximale duur van 1 uur en 20 minuten. Uit het proces-verbaal blijkt dat de telefoon van [verdachte] deze dagen ook meerdere malen per dag de zendmast nabij het [bedrijf 6] aanstraalt.
Verklaringen verdachte [medeverdachte 4]

heeft bij de politie verklaard dat zij dacht vanaf januari of februari 2016 bij [bedrijf 2] te hebben gewerkt. Zij werkte ook veel thuis en ze werkte meestal 21 uur per week ofzo.Bij de [bank] heeft [medeverdachte 4] verteld dat zij via [verdachte] en zijn boekhouder in contact kwam met de eigenaar van [bedrijf 2] . Zij had een contract voor 20 tot 32 uur, maar ze vond het werk niet zo leuk. In het begin ging ze nog wel maar daarna niet meer zo vaak.
Verhoor [naam]

heeft bij de politie verklaard dat zij de dagelijkse leiding heeft bij [bedrijf 2] . [medeverdachte 4] is niet door iemand aanbevolen, ze had zelf gesolliciteerd. [medeverdachte 4] was in november 2015 begonnen en haar werkzaamheden zijn officieel in mei 2016 gestopt, maar feitelijk is [medeverdachte 4] in april 2016 met haar werkzaamheden gestopt. Zij werkte 4 dagen, 32 uur in de week.
De rechtbank merkt op dat uit de zich in het dossier bevindende beëindigingsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte 4] blijkt dat haar salaris is gebaseerd op een 36-urige werkweek. Ook valt op dat de arbeidsovereenkomst per 23 mei 2016 zou zijn beëindigd vanwege een verschil van inzicht, terwijl uit de werkgeversverklaring blijkt dat [medeverdachte 4] een contract voor bepaalde tijd had welke van rechtswege eindigde op 2 mei 2016.

Conclusie rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, niet anders dan tot de conclusie gekomen kan worden dat [verdachte] en [medeverdachte 4] geen daadwerkelijk dienstverband bij [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] hebben gehad en dat zij een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook hebben laten opmaken en met behulp van deze valse stukken een hypotheek bij de [bank] hebben aangevraagd en ook hebben verkregen. Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte] een beduidend grotere rol heeft gespeeld dan [medeverdachte 4] , maar dat [medeverdachte 4] ook een wezenlijk aandeel heeft gehad bij het gebruiken van de valse stukken en de oplichting van de [bank] . Zij hebben samen de offerte aangevraagd en ondertekend en daarbij de valse stukken ingeleverd met als doel het verkrijgen van de hypotheek. Om die reden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 4] in vereniging gebruik hebben gemaakt van valse stukken en de [bank] hebben opgelicht.|
Feit 9 Zaaksdossier UWV

De beoordeling van de tenlastelegging

[medeverdachte 4] en [verdachte] hebben beide op 23 mei 2016 een werkloosheidsuitkering (hierna WW) aangevraagd. Zij hebben bij deze aanvraag melding gemaakt van beëindiging van hun dienstverband bij respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] .Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onderdeel dat ziet op artikel 227B Sr, het opzettelijk nalaten tijdige de benodigde gegevens te verstrekken (feit 9 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde). Ten aanzien van de valsheid van de stukken ter onderbouwing van het dienstverband verwijst de rechtbank naar de overwegingen ten aanzien van feit 1 en haar conclusie dat de stukken ten aanzien van de dienstverbanden valselijk zijn opgemaakt. Nu [verdachte] gebruik heeft gemaakt van deze stukken ten behoeve van zijn aanvraag voor een WW-uitkering acht de rechtbank het gebruik maken van deze valse stukken bewezen. Nu een ieder verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen aanvraag zal de rechtbank niet bewezen achten dat hij dit feit in vereniging heeft gepleegd en verdachte in zoverre dan ook vrijspreken van dit onderdeel.
Feit 2 Zaaksdossier [onderzoeksnaam]

Inleiding

Op 16 maart 2016 is [verdachte] met zijn auto in het water terecht gekomen. Hij heeft daarna een schadeformulier bij [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) ingediend voor het uitkeren van verzekeringsgeld.
De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of [verdachte] , al dan niet in in vereniging met [medeverdachte 4] , het vooropgezet plan heeft gehad de auto het water in te rijden en daarna door een valse schadeclaim [bedrijf 3] tot uitkering van de schade te bewegen.

Bewijsmiddelen
_5f5f3573-1ecf-4181-b2d4-ab1edce97cd1

Tapgesprekken

_cba0eb3d-3354-4193-99fc-de08e5b1e2e3

Op 11 maart 2016 belt [verdachte] met hypotheekadviseur [naam] . Er is een probleem met de [bank] , er moet een verklaring komen dat [verdachte] zich laat uitschrijven bij het [bedrijf 6] en dat het bedrijf de lening van de auto overneemt. Op 14 maart 2016 is er een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] dat de auto van [verdachte] misschien privé moet worden afgelost en dat [verdachte] zich moet laten uitschrijven. [medeverdachte 4] vraagt of het anders dan helemaal niet lukt. [verdachte] reageert dat ze dan naar een ander huis moeten gaan kijken en dan dit op tijd kunnen regelen.
Op 16 maart 2016 wordt [verdachte] door [naam] gebeld. [naam] heeft contact gehad met de bank en allebei de kredieten moeten eraf. De financieringen hebben heel veel invloed op de hoogte van de lening. Ze moeten nu gaan bedenken hoe ze het anders moeten gaan regelen. Even later wordt [verdachte] gebeld door makelaar [naam] . Er is uitstel met een week maar er moet nu iets gebeuren. [verdachte] zegt dat zijn auto een klein ongeluk krijgt deze week, dus die is van de week weg. Om 13.07 uur belt [verdachte] met [naam] en zegt dat vanmiddag de auto weg is en of [naam] het programma “ter land, ter zee en in de lucht” kent. [naam] zegt dat hij dat kent en er klinkt gelach. Om 13.09 uur belt [verdachte] met de tussenpersoon [naam] en vraagt of de premies voor [bedrijf 3] zijn betaald en of de tussenpersoon dit met spoed op de mail kan zetten.[medeverdachte 4] belt [verdachte] om 14.17 uur en vraagt of [verdachte] nog aan de buurman gaat vragen om die slang voor de benzine. Om 15.10 uur belt [medeverdachte 4] met de telefoon van [verdachte] naar het alarmnummer 112. Zij noemt haar naam en meldt dat er bij [wijk] iemand het kanaal is ingereden met de auto. De auto is helemaal onder water, de persoon is er net uit en is helemaal nat. [medeverdachte 4] wordt doorverbonden met de brandweer, doet eenzelfde melding en de brandweer meldt dat ze eraan komen.
Op 17 maart 2016 belt [verdachte] met [naam] en meldt dat hij de auto in het water heeft gereden en dat er dus 1 auto uit het bedrijf gaat. De verzekering gaat uitbetalen maar dat dat wel 3 weken duurt. [verdachte] wil weten “of ze dan aan zijn”.

Bevindingen

_b4467b36-200a-4d55-9296-1dcaedba72e9

[verdachte] heeft op 29 maart 2016 een schadeformulier ingevuld en ondertekend waarin hij aangeeft dat hij met zijn auto [auto merk] , kenteken [kenteken] het water in is gereden. Op 5 april 2016 is in verband met dit ongeval door de verzekeringsmaatschappij [bedrijf 3] een bedrag van € 22.686,53 overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 6] .

Verklaring [verdachte]

_ccce0e10-f543-4512-a642-6935bba19334

Verklaring [medeverdachte 4]Conclusie rechtbank
_7fdea4ee-7e9d-4c87-a6c6-43f364923060

_38d6f30a-32e3-4594-8a2c-fdd2591c277f

[medeverdachte 4] wist van de problemen die de auto opleverde voor het verkrijgen van een hypotheek en zij is ter plaatse als [verdachte] het water in rijdt. Zij heeft met het toestel van [verdachte] als eerste 112 gebeld, waarbij nog opvalt dat ze in algemene termen beschrijft wat er is gebeurd. Zij spreekt immers over “een auto” en “een persoon”. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] verklaren wisselend en leugenachtig en de rechtbank gaat dan ook voorbij aan hun verklaringen. [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank met opzet het water in gereden om van de auto af te komen en [medeverdachte 4] heeft bij dit plan een wezenlijk aandeel gehad.

Nu dit voorval heeft geleidt tot het indienen van een schadeformulier en de verzekeringsmaatschappij is overgegaan tot uitbetaling van een schadebedrag, acht de rechtbank de tenlastegelegde oplichting van [bedrijf 3] verzekering in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Hennepkwekerij aan de [adres] te Den Haag
_9dbce165-0190-442a-b80b-e3d84f5a0c0a

De bewijsmiddelen

Op 11 december 2013 werden [verdachte] en [medeverdachte 2] in de woning aan de [adres] te Den Haag aangehouden. In deze woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de kweekruimte op de eerste etage stonden 352 potten aarde met daarin afgeknipte stammen met wortelresten. In de kweekruimte op de tweede etage stonden 420 hennepplanten.Na onderzoek heeft een verbalisant geconcludeerd dat het afgeknipte stammen met wortelresten van de vrouwelijke hennepplant betreft. Ook de op de tweede etage aangetroffen hennepplanten betreffen vrouwelijke hennepplanten.Voorts werd de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij op een illegale wijze afgenomen. Op een kap van een assimilatielamp in de kweekruimte op de eerste etage en op een kap van een assimilatielamp in de kweekruimte op de tweede etage werd een vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen. Bij [medeverdachte 2] werd een sleutel van voornoemde woning aangetroffen.
[verdachte] heeft verklaard dat hij op 11 december 2013 samen met [medeverdachte 2] in het pand aan de [adres] te Den Haag aanwezig was, omdat aan hem was gevraagd of hij daar aarde wilde omwoelen. Hij wist dat het pand voor de hennepteelt gebruikt werd. In september 2013 is hij ook in de woning aanwezig geweest om goederen voor de hennepkwekerij naar boven te dragen. Hij is in totaal vier keer in de woning geweest om spullen te sjouwen. Hij is op 11 december 2013 ook met [medeverdachte 2] naar de bovenste etage geweest om naar de hennepplanten te kijken.Ter terechtzitting van 18 april 2019 heeft [verdachte] bevestigd dat hij op 11 december 2013 samen met [medeverdachte 2] in voornoemde woning aanwezig was om aarde om te woelen en dat hij een aantal malen eerder in het pand is geweest om goederen naar binnen te dragen.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 11 december 2013 voor het eerst in de woning aan de [adres] te Den Haag aanwezig was. Aan hem was gevraagd of hij wilde opruimen in die woning en of hij samen met [verdachte] de aarde wilde omwoelen. Hij heeft voor die werkzaamheden een bedrag € 680,- gekregen. De huissleutel had hij gekregen om de deur open te maken en dicht te doen. Voorts heeft hij verklaard dat hij met [verdachte] op de bovenste verdieping is geweest en dat hij daar de hennepplanten heeft gezien.

Conclusie

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] als pleger of als medeleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en bij de diefstal van de elektriciteit in het pand aan de [adres] te Den Haag. Het enkele feit dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 11 december 2013 samen in het pand aanwezig waren, rechtvaardigt niet de conclusie dat [verdachte] de eigenaar was van die hennepkwekerij, dan wel dat er tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] of andere personen een nauwe en bewuste samenwerking bestond met betrekking tot het telen van hennep of de diefstal van de elektriciteit. Ook is niet gebleken dat [verdachte] uitvoeringshandelingen heeft verricht die van dermate gewicht waren, dat er sprake is van medeplegen. Met betrekking tot de diefstal van de elektriciteit overweegt de rechtbank voorts dat uit de bewijsmiddelen niet geconcludeerd kan worden dat [verdachte] wist dat er sprake was van diefstal van elektriciteit, dan wel dat hij enige uitvoeringshandelingen heeft verricht met betrekking tot deze diefstal.
Gelet op de eigen verklaring van verdachte acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep door aarde om te woelen en door goederen ten behoeve van de hennepkwekerij die woning in te dragen. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 11 december 2013 opzettelijk 420 hennepplanten aanwezig hebben gehad. [verdachte] en [medeverdachte 2] waren op de hoogte dat de hennepplanten in de woning aanwezig waren. Zij hebben immers verklaard dat zij op de bovenste verdieping waren geweest en dat zij de hennepplanten hebben gezien. Voorts werd van [verdachte] een vingerafdruk op de kap van een assimilatielamp op de bovenste verdieping aangetroffen. [medeverdachte 2] was ook in het bezit van een sleutel van de woning. Op grond van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de hennepplanten zich in de machtssfeer van [verdachte] en [medeverdachte 2] bevonden.
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 2 oktober 2013 tot en met 10 december 2013 medeplichtig is geweest aan het telen van hennep in het pand aan de [adres] te Den Haag (feit 3 subsidiair) en dat hij met en ander op 11 december 2013 420 hennepplanten aanwezig heeft gehad (feit 4 primair). Zij zal verdachte ten aanzien van het pand [adres] te Den Haag vrijspreken van feit 3 primair en feit 8.
Ten aanzien van feit 5

Hennepkwekerij aan de [adres] te Den Haag
_f1b30eff-4041-4fe0-abf5-b1474909cb6c

De bewijsmiddelen

Op woensdag 4 april 2012 werd in de woning aan de [adres] te Den Haag een in werking zijnde hennepkwekerij met 775 hennepplanten aangetroffen. Na onderzoek bleken dit vrouwelijke hennepplanten te betreffen. De stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen. Op de wastafel in de badkamer van dit pand werden twee sigarettenpeuken aangetroffen.Op één van deze sigarettenpeuken werd een DNA-spoor aangetroffen. De kans dat het DNA van een willekeurige andere persoon dan [verdachte] matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard.
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens hennep heeft geknipt in andere hennepkwekerijen in Den Haag. Hij heeft verklaard dat hij in de periode 2009/2010 omgang had met “grote jongens” en dat hij zich in “bepaalde kringen” bevond, maar dat hij sinds zijn aanhouding in het pand aan de [adres] te Den Haag in 2013 niets meer heeft gedaan.

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, als pleger of medepleger, betrokken is geweest bij het telen van hennep in voornoemd pand. Het aantreffen van een sigarettenpeuk in de badkamer met het DNA-spoor van de verdachte erop, is onvoldoende om tot die conclusie te komen. Verdachte heeft ter zitting van 18 maart 2019 als een mogelijke verklaring voor het aantreffen van zijn DNA-spoor in voornoemde woning verklaard dat hij in die woning op verzoek van [naam] (hierna: [naam] ) een offerte voor een verbouwing van de keuken en de badkamer heeft opgemaakt. De woning moest verbouwd worden zodat hij verhuurd kon worden. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk. [naam] heeft immers verklaard dat hij sinds 1 september 2009 voornoemde woning heeft verhuurd. Verdachte zou dan vóór die datum voor het laatst in voornoemde woning zijn geweest en toen een sigarettenpeuk in de badkamer hebben laten liggen. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de sigarettenpeuk gedurende een periode van tweeënhalf jaar in de badkamer van voornoemde woning zou zijn blijven liggen.
Gelet op bovengenoemde verklaring van verdachte bij de politie en gelet op het aantreffen van het DNA-spoor van verdachte in dit pand, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode – tenminste – éénmaal in het pand aan de [adres] te Den Haag is geweest en daar hennepplanten heeft geknipt. Het knippen van hennep is volgens vaste rechtspraak aan te merken als het bewerken van hennep.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode in voornoemde woning, als pleger of als medepleger of als medeplichtige, 775 hennepplanten aanwezig heeft gehad en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Zoals reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte eenmaal in voornoemde woning is geweest om hennepplanten te knippen. Dit rechtvaardigt niet de conclusie dat de hennepplanten zich op enigerlei wijze in zijn machtssfeer bevonden, dan wel dat hij behulpzaam is geweest met betrekking tot het aanwezig hebben van deze hennepplanten. Ook is niet gebleken dat verdachte wist van de diefstal van elektriciteit of dat hij enige uitvoeringshandelingen heeft verricht met betrekking tot deze diefstal.
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 30 januari 2012 tot en met 4 april 2012 in het pand aan de [adres] te Den Haag hennepplanten heeft bewerkt (feit 5 primair). Zij zal verdachte ten aanzien van het pand [adres] te Den Haag vrijspreken van de feiten 6 primair en subsidiair en 8 .
Hennepkwekerij aan de [adres] te Den Haag
_8d19271c-5ab4-40d0-992f-9131903009b5

De bewijsmiddelen

Op dinsdag 18 januari 2011 werd in de woning aan de [adres] te Den Haag een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met drie afzonderlijke kweekruimtes. Na telling bleek dat er 773 hennepplanten in de woning aanwezig waren.Na onderzoek bleken dit vrouwelijke hennepplanten te betreffen. De stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen. Op de vloer in de badkamer op de tweede etage werden twee sigarettenpeuken aangetroffen.Op één van deze sigarettenpeuken werd een DNA-spoor aangetroffen. De kans dat het DNA van een willekeurige andere persoon dan [verdachte] matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens heeft geknipt in andere hennepkwekerijen in Den Haag. Hij heeft verklaard dat hij in de periode 2009/2010 omgang had met “grote jongens” en dat hij zich in “bepaalde kringen” bevond, maar dat hij sinds zijn aanhouding met betrekking tot het pand [adres] te Den Haag niets meer heeft gedaan.
Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, als pleger of medepleger, betrokken is geweest bij het telen van hennep in voornoemd pand. Het aantreffen van een sigarettenpeuk in de badkamer met net DNA-spoor van de verdachte erop, is onvoldoende om tot die conclusie te komen. Verdachte heeft ter zitting van 18 maart 2019 als een mogelijke verklaring voor het aantreffen zijn DNA-spoor in voornoemde woning verklaard dat hij de eigenaar van de woning, [naam] genaamd (hierna: [naam] ), kende en dat hij zijn woning op verzoek van [naam] heeft opgeruimd en schoongemaakt, zodat hij de woning kon verhuren. Sindsdien is hij niet meer in die woning geweest.De rechtbank acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk. [naam] heeft verklaard dat hij sinds 1 oktober 2009 heeft verhuurd.Verdachte zou dan vóór die datum voor het laatst in voornoemde woning zijn geweest en toen een sigarettenpeuk in de badkamer hebben laten liggen. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de sigarettenpeuk gedurende een periode van meer dan een jaar in de badkamer van voornoemde woning zou zijn blijven liggen.
Gelet op bovengenoemde verklaring van verdachte bij de politie en gelet op het aantreffen van het DNA-spoor van verdachte in dit pand, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode – tenminste – éénmaal in het pand aan de [adres] te Den Haag is geweest en daar hennepplanten heeft geknipt. Het knippen van hennep is volgens vaste rechtspraak aan te merken als het bewerken van hennep.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode in voornoemde woning, als pleger of als medepleger of als medeplichtige, 773 hennepplanten aanwezig heeft gehad en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Zoals reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte eenmaal in voornoemde woning is geweest om hennepplanten te knippen. Dit rechtvaardigt niet de conclusie dat de hennepplanten zich op enigerlei wijze in zijn machtssfeer bevonden, dan wel dat hij behulpzaam is geweest met betrekking tot het aanwezig hebben van deze hennepplanten. Ook is niet gebleken dat verdachte wist van de diefstal van elektriciteit of dat hij enige uitvoeringshandelingen heeft verricht met betrekking tot deze diefstal.
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 11 november 2010 tot en met 18 januari 2011 in het pand aan de [adres] te Den Haag hennepplanten heeft bewerkt (feit 5 primair). Zij zal de verdachte vrijspreken van de feiten 7 primair en subsidiair en 8 ten aanzien van het pand [adres] te Den Haag.
4.5
De bewezenverklaring
- valse loonstroken en werkgeversverklaringen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan de [bank] te verstrekken;
- aarde bestemd voor/van hennepplanten om te woelen en- hennepgerelateerde spullen de woning [adres] in te dragen;
9.
- een aanvraag WW-uitkering- een vaststellingsovereenkomst d.d. 10 april 2016
De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 21 januari 2016 tot en met 24 mei 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten loonstroken en werkgeversverklaringen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op naam van [verdachte] en [medeverdachte 4] als ware deze echt en onvervalst, door die valse werkgeversverklaringen en die loonstroken te verstrekken aan de [bank] teneinde een hypotheek te verkrijgen;

en

hij in de periode van 18 april