Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:3424

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:3424, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/541476 / HA ZA 17-1102


Bron: Rechtspraak

center
100
157575d9-7dbe-4c61-9b22-ec38f359f33a
2
13
image/png

center
100
47acf5e2-1f34-4b08-abc9-3f8d59a12506
2
523
image/png


RECHTBANK DEN HAAG
Team handelZittingsplaats Den Haag
zaaknummer / rolnummer: C/09/541476 / HA ZA 17-1102

Vonnis van 10 april 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht
NUTRITION SCIENCES N.V.

gevestigd te Gent (Drongen), België,eiseres in conventie,verweerster in reconventie,advocaat mr. M.H.J. van den Horst te 's-Gravenhage,
tegen

NOBA B.V.

te Haarlemmermeer,gedaagde in conventie,eiseres in reconventie,advocaat mr. R. Dijkstra te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Nutrition en Noba genoemd worden. Voor Nutrition is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat en mr. C. Zeri, advocaat te Den Haag, bijgestaan door de octrooigemachtigde E. Crabbe. Voor Noba is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat en mr. B.B. van der Wansem, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door de octrooigemachtigde R. Raggers.

ECLI:NL:RBDHA:2019:3424:DOC
nl

center
100
157575d9-7dbe-4c61-9b22-ec38f359f33a
2
13
image/png

center
100
47acf5e2-1f34-4b08-abc9-3f8d59a12506
2
523
image/png


RECHTBANK DEN HAAG
Team handelZittingsplaats Den Haag
zaaknummer / rolnummer: C/09/541476 / HA ZA 17-1102

Vonnis van 10 april 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht
NUTRITION SCIENCES N.V.

gevestigd te Gent (Drongen), België,eiseres in conventie,verweerster in reconventie,advocaat mr. M.H.J. van den Horst te 's-Gravenhage,
tegen

NOBA B.V.

te Haarlemmermeer,gedaagde in conventie,eiseres in reconventie,advocaat mr. R. Dijkstra te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Nutrition en Noba genoemd worden. Voor Nutrition is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat en mr. C. Zeri, advocaat te Den Haag, bijgestaan door de octrooigemachtigde E. Crabbe. Voor Noba is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat en mr. B.B. van der Wansem, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door de octrooigemachtigde R. Raggers.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 mei 2017 waarbij Nutrition verlof is verleend Noba te dagvaarden in de versnelde bodemprocedure in octrooizaken;- de dagvaarding van 29 mei 2017;- de akte overlegging producties van 25 oktober 2017 van Nutrition met producties EP1 tot en met EP14; - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie tevens akte houdende overlegging producties van 3 januari 2018 van Noba, met producties GP1 tot en met GP40;- de conclusie van antwoord in reconventie van 28 februari 2018 van Nutrition; - de akte overlegging nadere producties van 11 april 2018 van Nutrition met producties EP15 en EP16;- de akte houdende overlegging aanvullende producties van 11 april 2018 van Noba met producties GP41 t/m GP44;- de akte overlegging reactieve producties van 11 mei 2018 van Nutrition met producties EP17 t/m EP20; - de akte overlegging proceskostenoverzicht ex art. 1019h Rv van Noba, ingekomen op 25 mei 2018, met productie GP45;- de akte houdende overlegging proceskostenoverzicht ex art. 1019hRv van Nutrition, ingekomen op 25 mei 2018, met productie EP21;- het overzicht gemaakte kosten ex art. 1019h Rv (geactualiseerd) van Nutrition, ingekomen op 7 juni 2018; - de aanvullende proceskostenspecificatie ex art. 1019h Rv van Noba, ingekomen op 7 juni 2018;- de door partijen ter gelegenheid van het pleidooi op 8 juni 2018 overgelegde pleitnotities.
1.2.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.
2

partijen
2.1.
Nutrition ontwikkelt en produceert veevoeders en daarvoor bestemde producten zoals ingrediënten, pre-mixen en concentraten.
2.2.
Noba houdt zich bezig met het ontwikkelen, produceren en verhandelen van vetproducten voor de diervoederindustrie.
het octrooi

2.3.
Nutrition is houdster van het Europese octrooi EP 1 294 371 B2 (hierna: EP 371), met gelding in onder meer Nederland (hierna ook: EP 371 (NL)), voor “” (in de niet bestreden Nederlandse vertaling: “”). Het octrooi is verleend op 15 december 2004 op een aanvrage daartoe van 20 juni 2001. EP 371 roept de prioriteit in van EP 00870137 met als prioriteitsdatum 20 juni 2000. Als uitvinders staan vermeld [uitvinder 1] en [uitvinder 2] .
2.4.
De conclusies van EP 371 in de oorspronkelijke Engelse taal zoals deze na de oppositie zijn gehandhaafd (B2) luiden als volgt:
1. Use of two medium chain fatty acids (MCFA), chosen from the group consisting of caprylic (C8) acid and capric (C10) acid, emulsions or mixtures thereof, about equal amounts by weight, in an amount of:

20-50% C820-50% C10and optionally other MCFA chosen from C6- C24
wherein the MCFA concentration is 100-3000ppm for the manufacture of a medicament for the inhibition of microbial contamination, growth and/or the subsequent toxin production.

2. Use according to claim 1, of caprylic (C8) acid and capric (C10) acid in about equal amounts by weight and in a concentration of 100-3000ppm for the manufacture of a medicament for the inhibition of microbial contamination, growth and/or the subsequent toxin production.

3. Use according to claim 1 or 2, in combination with other MCFA, such as lauric (C12) and myristic (C14) acid, other antifungal agents or with other (organic) (fatty) acids or with additives, such as aroma’s and plant extracts.

4. Use according to any of the previous claims 1 to 3, for combatting the growth of fungi and yeasts chosen from the group: Penicillium, Aspergillus, Fusarium, Cephalosporum, Saccharomyces, Candida as well as to other Fungi Imperfecti and Hemiascomycetes (yeasts).

5. Use according to any of the previous claims 1 to 4, for selective combatting the growth of Gram negative bacteria such as Escherichia coli, Salmonella sp., Shigella sp. and other Gram negative and coliform bacteria and food/feed spoilers.

6. Use according to any of the previous claims 4 or 5, for the selective control and regulation of the microbial ecosystem in the gastrointestinal tract of any animal or human.

7. Use according to claim 6, wherein the animals are in their early weaning phase.

8. Feed composition for an animal comprising a feed supplement containing one or more medium chain fatty acids (MCFA) chosen from the group consisting of caprylic (C8) acid and capric (C10) acid, emulsions or mixtures thereof in an amount by weight % of:

20-50% C820-50% C10and optionally other MCFA chosen from C6-C24,
wherein the MCFA concentration is 100-3000ppm.

9. Feed composition according to claim 8, containing caprylic (C8) acid and capric (C10) acid in about equal amounts by weight and in a concentration of 100-3000ppm.

2.5.
De - niet bestreden - Nederlandse vertaling van de conclusies van EP 371 luidt:
1. Gebruik van twee middenlange keten vetzuren (MKVZ), gekozen uit de groep bestaande uit caprylzuur (C8) en caprinezuur (C10), emulsies of mengsels hiervan, ongeveer gelijke hoeveelheden op gewichtsbasis van:20 - 50% C820 - 50% C10en optioneel andere MKVZ gekozen uit C6- C24waarbij de MKVZ concentratie 100 - 3000 ppm isvoor de bereiding van een geneesmiddel voor de remming van microbiële besmetting, groei en/of de daaropvolgende toxineproductie.
2. Gebruik volgens conclusie 1, van caprylzuur (C8) en caprinezuur (C10) in ongeveer gelijke hoeveelheden op gewichtsbasis en in een concentratie van 100 - 3000 ppm voor de bereiding van een geneesmiddel voor de remming van microbiële besmetting, groei en/of de daaropvolgende toxineproductie.

3. Gebruik volgens conclusie 1 of 2, in combinatie met andere MKVZ, zoals laurinezuur (C12) en myristinezuur (C14), andere antifungi middelen of met andere (organische) (vet) zuren of met additieven, zoals aroma's en plantenextracten.

4. Gebruik volgens elk van de voorgaande conclusies 1 tot 3, voor het bestrijden van de groei van fungi en gisten gekozen uit de groep : Penicillium, Aspergillus, Fusarium, Cephalosporum, Saccharomyces, Candida evenals andere Fungi lmperfecti en Hemiascomycetes (gisten).

5. Gebruik volgens elk van de voorgaande conclusies 1 tot 4, voor het selectief bestrijden van de groei van Gram-negatieve bacteriën zoals Escherichia coli, Salmonella sp., Shigella sp. en andere Gram-negatieve and coliforme bacteriën en voedsel-/voederbedervers.

6. Gebruik volgens elk van de voorgaande conclusies 4 of 5, voor de selectieve beheersing en regeling van het microbiële ecosysteem in het gastro-intestinale stelsel van elk dier of mens.

7. Gebruik volgens conclusie 6, waarin de dieren in hun vroege speenfase verkeren.

8. Voedersamenstelling voor een dier omvattende een voedersupplement omvattende één of meer middenlange keten vetzuren (MKVZ) gekozen uit de groep bevattende caprylzuur (C8) en caprinezuur (C10), emulsies of mengsels hiervan in een hoeveelheid op gewichtsbasis van :20 - 50% C820 - 50% C10en optioneel andere MKVZ gekozen uit C6 – C24waarbij de MKVZ concentratie 100 - 3000 ppm is.
9. Voedersamenstelling volgens conclusie 8, omvattende caprylzuur (C8) encaprinezuur (C10) in ongeveer gelijke hoeveelheden op gewichtsbasis en in eenconcentratie van 100 - 3000 ppm.
2.6.
De beschrijving van EP 371 bevat onder meer de volgende passages (de rechtbank heeft daarbij tussen vierkante haken weergegeven wat in haar ogen bedoeld zal zijn):
Description

Technical field

[0001]

[0002] More in particular the invention relates to a mixture comprising essentially equal amounts in weight of C8 and C10 as antimicrobial agents, being mainly active in acidic environments such as the stomach.
Background of the invention

(…)
[0012]

[0013]

for alternatives, functional as antimicrobial agents (Muirhead, 1998; Ross, 1999).
[0014]

[0015]

[0016]

[0017]

[0018]

[0019]

[0020]

Description of invention

[0021]

[0022]

20-50% C820-50% C10and optionally other MCFA chosen from C6- C24 wherein the MCFA concentration is 100-3000ppm for the manufacture of a medicament for the inhibition of microbial contamination, growth and/or the subsequent toxin production.
[0023]

[0024]

[0025]

[0026]

[0027]

[0028]

[0029]

20-50% C820-50% C10and optionally other MCFA chosen from C6-C24,wherein the MCFA concentration is 100-3000ppm.
[0030]

[0031]

[0032]

(…)

[0034]

[0035]

[0036]

[0037]

[0038]

[0039]

(…)
[0042]

2.7.
EP 371 bevat onder meer de volgende voorbeelden:
Example 3: In vivo evaluation of MCFA with early weaned piglets

[0049]

[0050]

[0051]

[0052]

[0053]

[0054]

[0055]

[0056]

Example 4: Effect of specific MCFA on animal performances

[0057]

[0058]

center
100
96136ce4-3962-498a-a924-1ab47c320314
145
408
image/png

2.8.
Tegen de verlening van EP 371 is door een derde partij oppositie ingesteld. Na intrekking door die derde partij, is de oppositie ambtshalve voortgezet door de oppositieafdeling van het Europees Octrooibureau. In de oppositieprocedure is onder meer geoordeeld dat de ingeroepen prioriteit van EP 371 niet valide was, waardoor de hierna te bespreken publicatie WO 00/36928 nieuwheidsschadelijk was voor de conclusie 1 van EP 371 zoals aanvankelijk verleend. Daarop heeft Nutrition conclusie 1 als volgt beperkt (wijzigingen zijn gemarkeerd):
Use of two medium chain fatty acids (MCFA), chosen from the group consisting of caprylic (C8) acid and capric (C10) acid, emulsions or mixtures thereof, about equal amounts by weight, in an amount of:- 20-50% C8- 20-50% C10- and optionally other MCFA chosen from C6-C24
wherein the MCFA concentration is 100-3000ppm

for the manufacture of a medicament

contamination, growth and/or the subsequent toxin production.
Bij op 26 mei 2015 gepubliceerde beslissing heeft de oppositieafdeling van het Europees Octrooibureau EP 371 in gewijzigde vorm in stand gelaten.

Prior art

2.9.
Tot de stand van de techniek op de aanvraagdatum van EP 371 behoort de Europese Octrooiaanvrage met nummer (EP) 0 519 458 A1 (hierna: EP 458), gepubliceerd op 23 december 1992, voor een “”.
2.10.
Tot de stand van de techniek op de aanvraagdatum van EP 371 behoort ook de internationale (PCT-)aanvrage met nummer WO 00/36928 (hierna: WO 928), gepubliceerd op 29 juni 2000, voor een “”. De in EP 371 genoemde uitvinder [uitvinder 1] is eveneens als eerste uitvinder in WO 928 vermeld. WO 928 openbaart de volgende conclusies:

1. Feed supplement composition comprising one or more free fatty acids containing 6 - 10 carbon atoms or salts of such fatty acids, or mixtures of the afore mentioned compounds.

2. Feed supplement composition as claimed in claim 1, characterized in that the feed supplement composition comprises a mixture of fatty acids containing 6 - 8 carbon atoms.

3. Feed supplement composition as claimed in claim 1, characterized in that the feed supplement composition comprises a mixture of fatty acids containing 8 - 10 carbon atoms.

4. Feed supplement composition as claimed in any of the claims 1, 2 or 3, characterized in that as a salt use is made of a NH4+, Na+, K+ or Ca2+ salt.

5. Anti-bacterial feed supplement composition as claimed in any of the claims 1-4.

6. Feed supplement composition as claimed in any of the claims 1-5, characterized in that it contains an amount of slowly fermentable sugars.

7. Feed supplement composition as claimed in claim 6, characterized in 25 that it contains B-glucan.

8. Feed supplement composition as claimed in claim 6 or 7, characterized in that the slowly fermentable sugars are present in an amount of 0.5 to 1.5 percent by weight with respect to the total weight of the supplement composition.

9. Feed supplement composition comprising 10-30 percent by weight with respect to the weight of the total composition of the feed supplement composition of any one of the claims 1-8.

10. Use of a feed supplement composition according to any of the claims 1-9 for use as an anti-bacterial agent.

11. Use according to claim 10 for the administration to young piglets after weaning.

WO 928 openbaart voorts op het voorblad:

en op de hierna genoemde pagina:

pagina 1:

pagina 4:

pagina 5:

pagina 7:

pagina 8:

pagina 9:

center
100
b362de0b-cbba-4970-8fb2-5f656de4dcab
79
496
image/png

center
100
a991d687-1f87-4bab-bf89-c71e1b6fd504
176
342
image/png

center
100
343d967a-2b17-4bc7-95b6-829012c7a1c4
272
323
image/png

center
100
d202cc5b-4584-4c8b-af9b-7746ade7fadf
60
320
image/png

center
100
326e36c6-8252-4f69-9329-df32e40fc69b
353
322
image/png

center
100
52dd35f9-d631-453f-aae8-869401306701
476
334
image/png

center
100
a88d77c0-d324-407b-9cd2-b08af993b732
310
325
image/png

3

in conventie

3.1.
Nutrition vordert in conventie - verkort weergegeven - dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Noba verbiedt om (in)direct inbreuk te maken op het Nederlandse deel van EP 371, met nevenvorderingen (opgave van afnemers, mededeling van inbreuk en recall, vernietiging, rekening en verantwoording), alles op straffe van dwangsommen, en schadevergoeding respectievelijk winstafdracht, op te maken bij staat, met veroordeling van Noba in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.
3.2.
Nutrition legt aan haar vorderingen - samengevat - ten grondslag dat Noba door het verhandelen van de producten “Noba Vital Pure” en “Noba Dry Vital Pure” inbreuk maakt op conclusies 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 van EP 371 (NL).
3.3.
Noba voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen van Nutrition, met veroordeling van Nutrition in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Zij betwist niet dat “Noba Vital Pure” en “Noba Dry Vital Pure” onder de beschermingsomvang van conclusies 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 van EP 371 vallen, maar betwist wel dat zij indirect inbreukmakende handelingen verricht in relatie tot dat product. Zij stelt echter dat partijen in 2015 een minnelijke regeling hebben getroffen, die inhoudt dat zij toestemming heeft om de gestelde inbreukmakende handelingen te verrichten. Daarnaast stelt zij dat EP 371 nietig is. Daartoe voert zij - samengevat en voor zover van belang - het volgende aan:- EP 371 is niet nieuw in het licht van EP 458; - EP 371 is niet inventief in het licht van WO 928. WO 928, dat als meest nabije stand van de techniek moet worden aangemerkt nu de ingeroepen prioriteit niet geldig is, openbaart de meeste kenmerken uit conclusie 1 van EP 371. De testen en resultaten uit voorbeelden 1, 2 en 3 van WO 928 zijn gelijk aan die van voorbeelden 3 en 4 van EP 371. Deze voorbeelden openbaren een concentratie vetzuren in het mengsel van 1700 ppm. Indien als verschilmaatregel (ten opzichte van voorbeeld 4 van WO 928) moet worden aangewezen dat in EP 371 is gekozen voor de toepassing van vrije vetzuren in plaats van de zoutvorm, geldt dat EP 371 daarvan geen (aannemelijk) verschileffect beschrijft en dat de vakman in het kiezen van een alternatief voor de zoutvorm zeker zou komen tot een vrij vetzuur. Indien als verschilkenmerk uit EP 371 ten opzichte van (voorbeelden 1, 2 en 3 van) WO 928 moet worden aangewezen dat in EP 371 de vetzuren C8 en C10 in ongeveer gelijke hoeveelheden aanwezig zijn, terwijl de verhouding C8 en C10 niet uit WO 928 kan worden afgeleid, geldt dat hieraan geen technisch effect kan worden gekoppeld. Er is dus geen bijdrage aan de stand van de techniek; - EP 371 is niet inventief in het licht van de alternatieve meest nabije stand van de techniek EP 458, al dan niet in combinatie met andere documenten uit de stand van de techniek; - tot slot voert Noba aan dat conclusies 5, 6 en 7 van EP 371 niet nawerkbaar zijn.
in reconventie

3.4.
Noba vordert in reconventie vernietiging van EP 371 (NL) met veroordeling van Nutrition in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Zij bestrijdt daartoe - op dezelfde gronden als in conventie - dat EP 371 nieuw, inventief en nawerkbaar is.
in conventie en reconventie

3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

in conventie en reconventie

bevoegdheid

4.1.
De rechtbank is internationaal bevoegd om van de vordering in conventie kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I -Vo, nu Noba is gevestigd in Nederland. De rechtbank is internationaal bevoegd om van de vordering in reconventie kennis te nemen op grond van artikel 24 aanhef en onder 4 van de Brussel I -Vo. De relatieve bevoegdheid berust op artikel 80 lid 1 sub a en lid 2 sub a ROW. De internationale en relatieve bevoegdheid van deze rechtbank is overigens niet bestreden.
(technische) achtergrond

4.2.
De volgende inleiding op de techniek van het octrooi is ontleend aan de onbetwiste gedeelten van de processtukken, de door partijen overgelegde producties en hetgeen ter zitting is besproken.
4.3.
Vetzuren zijn chemische verbindingen die bestaan uit een keten van ten minste twee koolstofatomen (koolstofketen) en een carboxy(l)groep (COOH). Hieronder is een structuurformule van een vetzuur afgebeeld.
center
100
f47602d2-f137-44df-963a-03dcd2edbdd5
108
254
image/png

4.4.
De koolstofketen van vetzuren kan variëren in lengte. De vetzuren worden aan de hand van het aantal koolstofatomen aangeduid, bijvoorbeeld C3 voor een vetzuur met een keten van drie koolstofatomen. Onverzadigde vetzuren hebben één of meer dubbele bindingen tussen de koolstofatomen in de koolstofketen, verzadigde vetzuren hebben slechts enkele bindingen. Afhankelijk van de lengte van de koolstofketen wordt gesproken van korte-, middellange- en langeketenvetzuren. EP 371 heeft betrekking op onder meer de middellangeketenvetzuren C8 (caprylzuur) en C10 (caprinezuur), waarvan de structuurformule hieronder is afgebeeld.
center
100
f2d8760f-bd12-4495-849b-38606b037e84
95
490
image/png

4.5.
Onderscheid wordt gemaakt tussen de (vrije) vetzuren en (onder meer) de zoutvorm van een vetzuur. Een zout wordt gevormd door positieve en negatieve ionen, respectievelijk kationen en anionen. In de zoutvorm van een vetzuur (dan ook wel een zeep genoemd) vormt een metaal-ion het kation en wordt uit het vetzuur een anion gevormd. Hieronder is de structuurformule van C8 als (vrij) vetzuur en in de zoutvorm weergegeven.
center
100
e5927db5-c06b-45b0-954b-631dd21615e7
150
225
image/png

4.6.
EP 371 heeft betrekking op het gebruik van middellangeketenvetzuren, in het bijzonder C8 en C10, als antimicrobieel middel (toegevoegd aan veevoeder). Het doel hierbij is om de besmetting met en groei van micro-organismen, in het bijzonder bacteriën en schimmels, en de daaropvolgende productie van toxines, in het maagdarmstelsel van dieren te verhinderen dan wel te remmen.
inventiviteit

4.7.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of conclusie 1 van EP 371, zoals Noba heeft gesteld, nietig is wegens gebrek aan inventiviteit. Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor de vakman niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek.
4.8.
Voor de beoordeling van de inventiviteit van conclusie 1 van EP 371 kan deze conclusie worden onderverdeeld in de volgende deelkenmerken:
3. waarbij de MKVZ concentratie 100 - 3000 ppm (parts per million) is4. voor de bereiding van een geneesmiddel voor de remming van microbiële besmetting, groei en/of de daaropvolgende toxineproductie.
arabic

Gebruik van twee middenlange keten vetzuren (MKVZ), gekozen uit de groep bestaande uit caprylzuur (C8) en caprinezuur (C10), emulsies of mengsels hiervan,

[in] ongeveer gelijke hoeveelheden op gewichtsbasis van:

20 - 50% C820 - 50% C10en optioneel andere MKVZ gekozen uit C6- C24
4.9.
Noba heeft zich in het kader van haar stelling dat conclusie 1 van EP 371 niet inventief is onder meer beroepen op (voorbeeld 1 van) WO 928. Nutrition heeft niet betwist dat WO 928 als meest nabije stand van de techniek kan worden beschouwd. Zij stelt echter dat WO 928 het gebruik van het zout van C8 en C10 vetzuren openbaart, terwijl EP 371 ziet op een beter werkend voedersupplement op basis van de vrije vorm van C8 en C10 vetzuren met een verrassend laag inmengpercentage.
4.10.
Nutrition heeft de stelling van Noba niet betwist dat als gemiddelde vakman die relevant is voor de beoordeling van de inventiviteit van EP 371 kan worden aangemerkt een biomedisch geschoold persoon, eventueel bijgestaan door een (dierkundig) diëtist, met kennis op het gebied van de antimicrobiële werking van vetzuren, zodat daarvan bij het navolgende zal worden uitgegaan.
4.11.
De rechtbank zal eerst nagaan wat de verschilkenmerken zijn tussen conclusie 1 en voorbeeld 1 van WO 928. Zoals hiervoor onder 2.10 weergegeven, luidt voorbeeld 1 van WO 928 onder meer:
Example 1: Feed composition.

A mixture according to this invention was prepared which contained approximately 40 parts by weight of barley, 14 parts by weight of wheat, 10 parts by weight of maize products, 11 parts by weight of Soya products and 20 parts by weight of a feed supplementcomposition containing 0.8 parts by weight of fatty acids with 8-10 carbon atoms.
4.12.
Nutrition heeft ten aanzien van voorbeeld 1 van WO 928 aangevoerd dat dit voorbeeld een veel hoger inmengpercentage aan vetzuren openbaart dan hetgeen is geclaimd in (deelkenmerk 3 van) conclusie 1 van EP 371, waarin wordt uitgegaan van 100 - 3000 ppm. Zij stelt dat voorbeeld 1 zo moet worden gelezen dat het voeder uit 95 delen bestaat (overeenkomend met 100%), waarvan het supplement 20 delen uitmaakt, en dat in het voeder als geheel 0.8 deel C8 en C10 vetzuren is ingemengd. Dit komt volgens haar neer op een inmengpercentage van (0.8/95e) - afgerond - 0.84%, derhalve op 8400 ppm aan vetzuren in het voeder.
4.13.
Noba stelt daar tegenover dat voorbeeld 1 van WO 928 zo moet worden begrepen dat het genoemde deel van 0.8 aan vetzuren moet worden gezien als deel van het supplement en niet als deel van de uiteindelijke voedersamenstelling. Op deze wijze berekend is volgens Noba de concentratie vetzuren in het voeder (0.8 * 20/95e) - afgerond - 0,17%, derhalve 1700 ppm.
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank openbaart voorbeeld 1 van WO 928 duidelijk en ondubbelzinnig aan de vakman een concentratie vetzuren in het voedingssupplement van 1700 ppm. Indien de gemiddelde vakman zich gesteld zou zien voor de vraag hoe in voorbeeld 1 van WO 928 het deel aan vetzuren dient te worden bepaald, zal deze gezien de tekst van het voorbeeld aanleiding zien om uit te gaan van een berekening waarin het element “0.8 parts by weight” wordt genomen van het supplement en niet van de gehele voedersamenstelling. Er is immers een voeder beschreven “which contained 40 parts by weight (… , …) and 20 parts by weight of a feed supplement composition (cursivering rechtbank) 0.8 parts by weight of fatty acids”. Een taalkundige lezing leert de gemiddelde vakman daarom dat het voedingssupplement 0.8 gewichtsdelen vrije vetzuren bevat. De vakman zou bovendien voor die lezing bevestiging vinden in de beschrijving van WO 928. In regels 19-21 op pagina 4 is immers opgenomen, bij de beschrijving van de samenstelling van het gewenste voedingssupplement:
The fatty acids are preferably present in the supplement composition in an amount of 0.01-2 percent by weight with respect to the total weight of the feed supplement composition.

Vervolgens is in regels 8-12 op pagina 7 vermeld hoe dit supplement zich verhoudt tot de gehele voedersamenstelling:

The invention also relates to a feed composition comprising the above described feed supplement composition, preferably in an amount of 10-30 percent by weight with respect to the total weight of the feed composition. Administration of such an amount allows to achieve an optimum growth performance.

4.15.
Indien de berekening van Nutrition zou worden gevolgd, zou het deel vetzuren in het voedingssupplement volgens voorbeeld 1 (95/20 * 0,84% =) ongeveer 4% bedragen. Dit is (veel) meer dan de in het hiervoor geciteerde onderdeel van de beschrijving genoemde 0,01-2 gewichtsprocent, terwijl in de beschrijving van WO 928 nergens een dergelijk hoog percentage vetzuren wordt genoemd of gesuggereerd. Zonder toelichting in de tekst van een publicatie/octrooiaanvrage of andere duidelijke aanleiding, ligt het niet in de rede dat een gemiddelde vakman zal aannemen dat een voorbeeld aanzienlijk afwijkt van hetgeen wordt aangeraden in de tekst van die publicatie/octrooiaanvrage. Te minder zal hij dat doen omdat de concentratie die wordt verkregen indien het deel vetzuren als 0.8 deel van het supplement wordt genomen, 0,17 % ofwel 1700 ppm, wel binnen deze bandbreedte valt en deze voorts veel meer in de lijn van de in voorbeeld 4 van WO 928 gebruikte concentratie vetzuren van 1200 ppm ligt. De gemiddelde vakman zal daarom bij het nawerken van voorbeeld 1 uitgaan van de door Noba voorgestane berekening.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de concentratie vetzuren in voorbeeld 1 van WO 928 (afgerond) 1700 ppm bedraagt, hetgeen valt binnen de in deelkenmerk 3 van conclusie 1 van EP 371 geformuleerde concentratie van 100-3000 ppm.
4.17.
Nutrition heeft (ter gelegenheid van haar repliek in het pleidooi) nog aan de orde gesteld dat uit voorbeeld 1 van WO 928 niet duidelijk blijkt of het voorbeeld betrekking heeft op vrije vetzuren of zouten. Daarmee bedoelt zij kennelijk te betogen dat voorbeeld 1 deelkenmerk 1 niet duidelijk en ondubbelzinnig openbaart. Deze niet nader onderbouwde stelling is in tegenspraak met haar eerdere stelling (onder nrs. 77 en 78 van de conclusie van antwoord in reconventie) dat voorbeeld 1 het gebruik van vrije vetzuren betreft, in tegenstelling tot voorbeeld 4. Daarbij komt dat WO 928 blijkens de beschrijving en de conclusies naast de zoutvorm van vetzuren nadrukkelijk ook betrekking heeft op vrije vetzuren en de voordelige effecten daarvan. Dat blijkt onder meer uit de hiervoor onder 2.10 en verder weergegeven conclusie 1 van WO 928, de samenvatting en de beschrijving, waarin telkens wordt gesproken over vrije vetzuren of de zouten daarvan. Bovendien wordt in voorbeeld 1 van WO 928 (en de daarmee samenhangende voorbeelden 2 en 3) gesproken over “fatty acids” terwijl in voorbeeld 4 van WO 928 expliciet wordt gesproken over “the sodium salt of a fatty acid”. Hieruit zou de vakman opmaken dat in voorbeeld 1 van WO 928 niet de zoutvorm is gebruikt. Het voorgaande brengt mee dat er vanuit dient te worden gegaan dat voorbeeld 1 van WO 928 ziet op vrije C8 en C10 vetzuren. Nutrition heeft niet bestreden dat in dat geval voorbeeld 1 van WO 928 deelkenmerk 1 van conclusie 1 van EP 371 openbaart.

4.18.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat in WO 928 ook het gebruik van C8 en C10 vetzuren voor het doel zoals omschreven in deelkenmerk 4 van conclusie 1 van EP 371 openbaart.
4.19.
Noba bestrijdt niet dat de vakman uit voorbeeld 1 van WO 928 niet kan afleiden in welke verhouding de C8 en C10 vetzuren moeten worden gebruikt. Aldus bezien openbaart voorbeeld 1 van WO 928 niet deelkenmerk 2 van conclusie 1 van EP 371. Indien de vakman voorbeeld 1 echter zou nawerken, zou hij zonder meer als één van de eerste varianten kiezen voor een (ongeveer) gelijke verhouding van de twee vetzuren. Voorbeeld 1 suggereert ook niet dat een andere verhouding de voorkeur zou moeten hebben, terwijl bovendien voorbeeld 4 van WO 928 - weliswaar voor de zoutvormen - een gelijke verhouding C8 en C10 vetzuren leert. De vakman zou, bij gebreke van de vermelding van een verhouding in voorbeeld 1, in ieder geval de in voorbeeld 4 van hetzelfde document beschreven verhouding onderzoeken. Hieruit volgt dat de vakman zonder inventieve denkarbeid tot de uitvinding zou komen op basis van voorbeeld 1 van WO 928. Dit geldt te meer nu Noba, onder meer onder verwijzing naar resultaten die zijn overgelegd in de octrooiaanvraagprocedure in de Verenigde Staten, heeft gesteld dat de specifieke verhouding C8 en C10 in EP 371 - ongeveer gelijke verhoudingen - geen voordelig effect heeft. Nutrition heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Inherent aan het hiervoor beschreven nawerken van voorbeeld 1 van WO 928 is dat het door Nutrition gestelde voordelige effect van vrije vetzuren ten opzichte van zouten wordt bereikt.
4.20.
Voor zover Nutrition betoogt dat WO 928 de vakman juist in de richting van het gebruik van zouten in plaats van vrije vetzuren wijst, kan dit betoog niet slagen. WO 928 betreft als geheel bezien zowel vrije vetzuren als zouten daarvan. Ook de conclusies zien op het gebruik van vrije vetzuren en zouten daarvan. Drie van de vier gegeven voorbeelden in WO 928 hebben betrekking op het gebruik van vrije vetzuren. Dat in regels 22 tot en met 26 op pagina 4 van de beschrijving van WO 928 is opgenomen dat het voedingssupplement bij voorkeur een zoutvorm van één of meer van de vetzuren bevat, maakt in het licht van het gehele document niet dat de vakman voorbeeld 1 van WO 928 zou opvatten als betrekking hebbend op (enkel) zouten of aan het tevens als voordelig beschreven gebruik van vrije vetzuren geheel voorbij zou zijn gegaan.
4.21.
Het voorgaande weergegeven in de problem-solution-approach, waarop partijen zich bij hun argumentatie hebben beroepen, leidt tot het volgende. Ten opzichte van de meest nabije stand van de techniek, te weten (voorbeeld 1 van) WO 928, is als enige verschilmaatregel aan te wijzen dat conclusie 1 van EP 371 een ongeveer gelijke verhouding C8 en C10 vetzuren openbaart. Zoals hiervoor is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat aan die verschilmaatregel geen technisch effect is te verbinden. Het probleem is dan te formuleren als het vinden van een alternatief in de vorm van een werkzame verhouding tussen C8 en C10. Als de gemiddelde vakman in dat geval al niet zonder meer aan een min of meer gelijke verhouding (als immers meest voor de hand liggende verhouding) zou hebben gedacht, zou hij die kunnen vinden in voorbeeld 4 van hetzelfde document om zonder inventieve denkarbeid te komen tot (ongeveer) gelijke verhoudingen. Omdat de gemiddelde vakman bij nawerking van voorbeeld 1 al het door Nutrition gestelde voordelige effect van vrije vetzuren ten opzichte van zouten zou bereiken, is dat effect niet meer van belang. Ook op deze wijze benaderd is de slotsom dat conclusie 1 van EP 371 niet inventief is in het licht van (voorbeeld 1 van) WO 928.

4.22.
Ten aanzien van onderconclusies 2 t/m 7 heeft Nutrition de stellingen van Noba die erop neerkomen dat deze ten opzichte van WO 928 geen inventieve maatregelen toevoegen niet bestreden, zodat deze conclusies het lot van conclusie 1 delen. Ten aanzien van productconclusie 8 en de daarvan afhankelijke conclusie 9 heeft Nutrition evenmin betwist dat deze geen inventieve maatregelen bevatten ten opzichte van conclusie 1, zodat ook deze conclusies als niet inventief moeten worden aangemerkt. EP 371 ontbeert dan ook in zijn geheel inventiviteit.
4.23.
Het voorgaande brengt mee dat EP 371 (NL) nietig is, zodat de vorderingen in conventie reeds om die reden moeten worden afgewezen. De vordering in reconventie zal worden toegewezen, in die zin dat het Nederlandse deel van EP 371 zal worden vernietigd.
proceskosten

4.24.
Nutrition zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Partijen hebben in hun proceskostenopgaven geen onderscheid gemaakt tussen de procedure in conventie en in reconventie. Nu de eis in reconventie geheel samenhangt met het verweer in conventie, zal de rechtbank de opgegeven proceskosten toewijzen aan de conventie en de proceskosten in reconventie begroten op nihil. Nutrition heeft de door Noba op grond van artikel 1019h Rv gevorderde kosten van € 162.282,84 niet bestreden en de rechtbank ziet evenmin aanleiding om deze als niet redelijk en evenredig aan te merken. De gevorderde kosten die, vermeerderd met het griffierecht van € 618,-, € 162.900,84 bedragen, zullen dan ook in de procedure in conventie worden toegewezen.
beslissing

5

De rechtbank
in conventie

5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt Nutrition in de proceskosten, aan de zijde van Noba tot op heden begroot op € 162.900,84,
in reconventie

5.3.
vernietigt het Nederlandse deel van het Europese Octrooi EP 1 294 371,
5.4.
veroordeelt Nutrition in de proceskosten, aan de zijde van Noba tot op heden begroot op nihil,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman, mr. M.J.J. Visser en mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2019.

_2c52cc76-7cc0-49ca-b298-a97cf8129b5e
1

Nutrition heeft niet betwist dat EP 371 geen aanspraak op de ingeroepen prioriteit kan maken, zoals de Oppositieafdeling al had geoordeeld (zie r.o. 2.8).

_6e504a1c-f931-46a0-a9d7-37c6be122401
2

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

_c09a0f9f-6d2c-478e-a408-f0d02b1e73b7
3

Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, inwerkingtreding: 9-1-2013, PB EU 2012, L 351/1 (de herschikte EEX-Vo)

_603fe2cf-5a0e-49cb-89d9-02613fd3168e
4

Rijksoctrooiwet 1995, inwerkingtreding: 1-4-1994, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2016, 291

_02f4d4bb-ed0a-4a7e-b406-09fb6692909d
5

Artikel 6 ROW (Rijksoctrooiwet 1995) en artikel 56 EOV (Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag).