Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:2467

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:2467, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/797491-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797491-17

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]BRP-adres: [adres]

ECLI:NL:RBDHA:2019:2467:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797491-17

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]BRP-adres: [adres]
1

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 september 2018 (regie) en 28 februari 2019 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.P. Visser naar voren is gebracht.
2

- één of meermalen (met kracht) tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen toen deze [slachtoffer] op de grond lag,- en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (dikke lip, losse tand en een gebroken pink), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2017 te Leiden, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Breestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

overwegingen

3

3.1
InleidingIn deze zaak zijn vier personen als verdachten aangemerkt, te weten: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij worden allemaal verdacht van openlijke geweldpleging in vereniging, begaan op 27 juni 2017 op de openbare weg te Leiden, tegen [slachtoffer] (hierna: aangever). Als strafverhogende omstandigheid is aan alle verdachten ten laste gelegd dat het geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
Het staat niet ter discussie dat een aantal jongens op 27 juni 2017 op de openbare weg te Leiden aangever tegen zijn lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl aangever op de grond lag. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ontkennen hierbij betrokken te zijn geweest. Wel volgt uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] dat zij aanwezig waren bij het incident. [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij aangever heeft geschopt, terwijl deze op de grond lag.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging, waarbij zij zich tevens op het standpunt heeft gesteld dat bewezen kan worden dat het geweld enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie vrijspraak vordert met betrekking tot het ‘zwaar lichamelijk letsel’.

3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] vrijgesproken moet worden van het hem ten laste gelegde, omdat hij geen rol heeft gespeeld bij de openlijke geweldpleging. De enkele aanwezigheid - wellicht heeft hij zich in de nabijheid opgehouden, maar daar is het bij gebleven - is onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken, aldus de raadsman.

3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden. Deze vinden hun oorsprong in de bewijsmiddelen die in de voetnoten zijn vermeld.

Aangever heeft verklaard dat hij op 27 juni 2017 op de Papengracht te Leiden, terwijl hij op de grond lag, trappen over zijn hele lichaam kreeg van drie jongens; de jongens bleven op hem intrappen. Ter bescherming van met name zijn gezicht, heeft hij zich op de grond zo klein mogelijk gemaakt en lag hij in een soort foetushouding, met zijn handen voor zijn gezicht. Hij heeft verder verklaard dat één van de jongens een lichtbruine jas met capuchon droeg.

[verdachte] is ter plaatse op aanwijzing van aangever aangehouden. Aangever heeft verklaard dat hij één van de jongens was die hem had geslagen. [verdachte] droeg ten tijde van zijn aanhouding een lichtbruine jas met capuchon.

[medeverdachte 1] heeft op 28 juni 2017 bij de politie over het incident verklaard dat hij en drie anderen in een lijn stonden voor de jongen die op de grond lag en dat zij alle vier de jongen hebben geschopt. Om ieders positie ten opzichte van de jongen die op de grond lag duidelijk te maken, heeft [medeverdachte 1] in een tekening de letters [(-)] , [(-)] , [(-)] en [(-)] vermeld. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [(-)] staat voor [medeverdachte 2] , [(-)] voor [verdachte] , [(-)] voor hemzelf en [(-)] voor de onbekende jongen. Uit deze tekening volgt dat [medeverdachte 2] ter hoogte van het hoofd stond, [verdachte] ter hoogte van de borst, [medeverdachte 1] ter hoogte van de buik en de onbekende jongen ter hoogte van de benen. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat de jongen zijn hoofd beschermde door zijn armen voor zijn hoofd te houden en dat hij, [medeverdachte 1] , twee of drie keer met zijn rechterbeen heeft geschopt en dat hij denkt dat hij de jongen op zijn bovenlichaam heeft geraakt.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 27 juni 2017 op de Papengracht te Leiden zag dat [medeverdachte 2] , [naam] (de rechtbank leest en begrijpt: [medeverdachte 1] ) en een jongen met een beige jas – door de getuige de vierde jongen genoemd - op een rij naast elkaar stonden en dat zij alle drie, ongeveer gelijktijdig, aan het schoppen waren tegen een jongen die op de grond lag. [medeverdachte 2] schopte met zijn linkerbeen en de vierde jongen met zijn rechterbeen. De vierde jongen is kort daarna op aanwijzing van het slachtoffer aangehouden. [getuige 1] heeft [verdachte] op de aan haar getoonde foto herkend als de vierde jongen (met de beige jas)die door de politie ter plaatse werd aangehouden. Ze heeft verklaard dat zij hem voor 100% herkende aan zijn jas, capuchon, spijkerbroek en postuur.

[getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat een jongen op de grond lag en dat hij tegen zijn lichaam werd getrapt door vier jongens, onder wie [medeverdachte 2] en [naam] (de rechtbank leest en begrijpt: [medeverdachte 1] ). [getuige 2] heeft [verdachte] op de aan haar getoonde foto herkend als één van de jongens die zij heeft zien schoppen tegen het slachtoffer en die ter plaatse door de politie werd aangehouden.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat drie of vier jongens om een andere jongen heen stonden, dat de jongen op de grond viel en op de grond bleef liggen en dat zeker twee van de jongens het slachtoffer tegen zijn gehele lichaam schopten. [getuige 3] zegt met zekerheid te kunnen zeggen dat de even later aangehouden jongen, één van de jongens is die het slachtoffer meerdere keren heeft geschopt terwijl hij op de grond lag.

De conclusie van de rechtbank

De belastende verklaring van [medeverdachte 1] , zoals hiervoor weergegeven, is naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hij heeft deze verklaring – die zeer gedetailleerd is – een dag na het incident afgelegd en deze wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Bovendien heeft [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 28 februari 2019 – als verdachte in zijn eigen zaak – waarvan het proces-verbaal in de zaken van de medeverdachten is gevoegd – niet nadrukkelijk afstand gedaan van deze belastende verklaring. Wel heeft hij verklaard dat hij zich tijdens het politieverhoor onder druk gezet voelde door de politie en dat hij zijn verklaring heeft ondertekend, hoewel hij het niets eens was met de inhoud, omdat hij naar huis wilde. Zijn verklaring ter terechtzitting dat hij niet weet wat anderen tegen aangever hebben gedaan vanaf het moment dat hij – [medeverdachte 1] – een lens uit zijn oog kreeg en het gevecht begon, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Vooral nu hij ter terechtzitting desgevraagd ook heeft verklaard dat hij zelf de hiervoor genoemde tekening heeft gemaakt en zelf de posities van de verschillende personen daarin heeft aangegeven, zonder daartoe aanwijzingen van de politie te hebben gekregen.
Gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen van aangever, de getuigen en [medeverdachte 1] – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en nog een vierde jongen aangever tegen zijn lichaam hebben getrapt/geschopt, terwijl aangever op de grond lag. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] de vierde dader is. Hoewel niet alle betrokkenen eenduidig hebben verklaard over het aantal daders (twee of drie of vier), gaat de rechtbank uit van de verklaring van [medeverdachte 1] dat zij met zijn vieren waren en dat zij alle vier geweld hebben gebruikt tegen aangever. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Dat iedere verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, is naar het oordeel van de rechtbank evident. Aangever werd immers ongeveer gelijktijdig door vier personen tegen zijn lichaam getrapt/geschopt. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever.

De strafverhogende omstandigheid – dat het geweld zwaar lichamelijk letsel dan wel enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad – als bepaald in artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is alleen van toepassing op de verdachte die zelf het letsel heeft toegebracht. Vast staat dat vier personen, onder wie de verdachte, tegen het lichaam van aangever hebben getrapt en/of geschopt. Ook staat vast dat aangever letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het opgelopen letsel het gevolg is van het schoppen en/of trappen tegen zijn lichaam. Gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan echter niet worden vastgesteld door wiens geweldshandelingen aangever het letsel heeft opgelopen. Nu dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 27 juni 2017 te Leiden, met anderen, op de openbare weg, , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het trappen en/of schoppen toen deze op de grond lag.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de op te leggen straf te matigen en aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft gewezen op het tijdsverloop in deze zaak, op de omstandigheid dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, hij jongvolwassene is, hij studeert en hij een goede toekomst tegemoet gaat.

6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich na afloop van een avond uit (in de vroege ochtend) zonder duidelijke aanleiding met drie anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer, door hem tegen zijn lichaam te trappen/schoppen, terwijl hij op de grond lag. Zij hebben op agressieve wijze gehandeld en daarmee in gezamenlijkheid in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten letsel opgelopen en pijn ervaren. Door voornoemd geweld in het openbaar te plegen hebben de verdachte en zijn medeverdachten ook bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel en bij de ooggetuigen van dit incident in het bijzonder. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 6 februari 2019 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

In beginsel rechtvaardigen de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en in lijn met de eis van de officier van justitie.

De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdsverloop (anderhalf jaar), de relatief jeugdige leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte vóór en ook na dit feit niet met politie en justitie in aanraking is gekomen. De verdachte lijkt zijn leven goed op orde te hebben. Een onvoorwaardelijke straf zou dit kunnen doorkruisen, wat niet wenselijk is. In genoemde omstandigheden en ook omdat de verdachte – anders dan gevorderd door de officier van justitie – wordt vrijgesproken van de strafverhogende omstandigheid, ziet de rechtbank aanleiding in aanzienlijke mate af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van twee jaren gepast. Deze straf strekt er ook toe om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.493,24, bestaande uit een bedrag van € 293,24 aan materiële schade (tandartskosten € 163,81; kosten eigen risico zorgverzekeraar € 129,43) en een bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schade (fysiek letsel en psychische gevolgen). De benadeelde partij heeft tevens gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op zijn betoog de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft hij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel het toe te wijzen bedrag te matigen, omdat de vordering met betrekking tot de immateriële schade aangaande de psychische gevolgen onvoldoende is onderbouwd.

7.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

Materiële schade

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de ‘kosten eigen risico zorgverzekeraar’ tot een bedrag van € 129,43 (bijlage 4 bij het voegingsformulier) en de ‘tandartskosten’ met betrekking tot de factuur van 24 augustus 2017 tot een bedrag van € 111,87 (bijlage 2 bij het voegingsformulier) toewijzen, nu deze voldoende is onderbouwd.
Wat betreft de vordering met betrekking tot de ‘tandartskosten’ van 30 oktober 2018 tot een bedrag van € 51,94 (bijlage 3 bij het voegingsformulier; kleine röntgenfoto en periodieke controle) overweegt de rechtbank als volgt. Deze kosten zijn ruim een jaar na het voorval gemaakt en lijken geen causaal verband te hebben met het incident. Uit de toelichting van de tandarts, zoals weergegeven in de e-mail van 5 februari 2019 (bijlage 8 bij het voegingsformulier), blijkt dat de benadeelde partij vier tot zes weken na 24 augustus 2017 terug moest komen voor een controle afspraak. De factuur van 30 oktober 2018 – van ruim een jaar na de afspraak van augustus 2017 – heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen betrekking op genoemde controle afspraak. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren als de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs te leveren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De rechtbank acht een bedrag van € 300,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade aangaande het fysieke letsel naar billijkheid toewijsbaar. Wat betreft de gevorderde immateriële schade aangaande de psychische gevolgen, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren als de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Hoofdelijkheid

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover één van de mededaders de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.
Totaal toegewezen

De rechtbank zal daarom de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van in totaal € 411,87 (€ 111,87 + € 300,00). De rechtbank zal ook de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag toewijzen met ingang van 27 juni 2017, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door dat feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 411,87, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] .
8

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

beslissing

9


De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een van ;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van ;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op twee uren per dag;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

vordering benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] een bedrag van € 411,87, bestaande uit € 111,87 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 411,87, bestaande uit € 111,87 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen doormr. A.P. Sno, voorzitter,mr. E.C.M. Bouman, rechter,mr. P.G. Salvadori, rechter,in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2019.
_4e27980d-a038-42be-a8e4-9d84669a9ebe
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017178643, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 1 t/m 149).

_639dff2e-515b-4f1f-be7a-f05cd7a45fa0
2

Proces-verbaal verhoor van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 5 december 2018, onder punt 13.

_ffa89ce0-0bad-442f-9f85-c691e19d71b2
3

Proces-verbaal verhoor van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 5 december 2018, onder punt 11.

_2b13749a-4d0c-4bac-9001-68fd24121b8d
4

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 27 juni 2017, p. 10 t/m 11.

_182e0317-38a1-4af3-971a-e532c896587f
5

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 27 juni 2017, p. 11; Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] d.d. 27 juni 2017, p. 61 t/m 62.

_7849c24c-2e85-404a-85cd-357778701328
6

Een geschrift, te weten een tekening, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 28 juni 2017, p. 111.

_d158a268-c219-4752-be51-96a223ea2ad0
7

Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 28 juni 2017, p. 106 t/m 109.

_c2058ac8-f218-4373-a684-c4734b981e69
8

Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 27 juni 2017, p. 17 t/m 20, met als bijlage een foto van [verdachte] , p. 21.

_5b58a584-2fe2-49b6-8694-2699d98ac962
9

Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 27 juni 2017, p. 22 t/m 24, met als bijlage een foto van [verdachte] , p. 25.

_ee9cd951-46ed-4942-ae21-513bcb92b10c
10

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 29 juni 2017, p. 26 t/m 27.