Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:2335

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:2335, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/767267-15


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/767267-15

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, BRP-adres: [adres] .

ECLI:NL:RBDHA:2019:2335:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/767267-15

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, BRP-adres: [adres] .
1

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 28 februari 2017 en 27 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. I.A. van Straalen naar voren is gebracht.
2

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 27 februari 2019 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de bijlage bij dit vonnis. Kort gezegd gaat het om seksuele uitbuiting van twee jonge vrouwen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

overwegingen

3

3.1
Inleiding
Naar aanleiding van de verklaring die door [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) is afgelegd is bij de politie het vermoeden ontstaan dat zij slachtoffer van mensenhandel (in de zin van seksuele uitbuiting) is geweest. Na een informatief gesprek op 19 mei 2015 heeft [slachtoffer 1] op 8 juni 2015 aangifte gedaan van mensenhandel, gepleegd door de verdachte. Naar aanleiding van deze aangifte is het onderzoek genaamd “Koningscobra” gestart.

In de loop van dat onderzoek heeft [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ) op 14 september 2016 een verklaring als getuige afgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft zij op 28 september 2016 aangifte gedaan van mensenhandel, gepleegd door de verdachte.

Het onderzoek heeft geleid tot de uiteindelijke verdenkingen tegen de verdachte van mensenhandel.

3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte door dwang en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht [slachtoffer 1] heeft gedwongen en bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde, (feit 1; artikel 273f, eerste lid, onder 9, van het Wetboek van Strafrecht), en dat de verdachte door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer 2] heeft geworven met het oogmerk van seksuele uitbuiting en haar heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard of daartoe handelingen heeft ondernomen (feit 2; artikel 273f, eerste lid, onder 1 en 4, van het Wetboek van Strafrecht). Op de standpunten van de officier van justitie zal – voor zover relevant voor het oordeel van de rechtbank – nader worden ingegaan.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Zij heeft daarnaast gevorderd de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 1 bij einduitspraak op te heffen en ten aanzien van feit 2 de gevangenneming te bevelen. Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen (ten aanzien van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 10.000,- en ten aanzien van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 12.802,17), vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen voor het overige.

3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Daar waar dit aangewezen is, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd.

3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
3.4.1
Wettelijk kader
Aan de verdachte is mensenhandel ten laste gelegd zoals omschreven in artikel 273f, eerste lid, onder 1, 4, 6 en 9, van het Wetboek van Strafrecht. Kort gezegd gaat het om: het werven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de prostitutie (onder 1); [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich beschikbaar doen stellen voor de prostitutie (onder 4); het voordeel trekken uit de prostitutie van [slachtoffer 1] (onder 6); [slachtoffer 1] doen afstaan van haar opbrengsten uit de prostitutie (onder 9).Bij de beoordeling van de vraag of de ten laste gelegde mensenhandel kan worden bewezen, dient te worden vastgesteld of sprake was van dwang, geweld, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misleiding, misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft (varianten onder 1, 4 en 9). Bij de variant onder 6 is een dwangmiddel niet nodig.
Wezenlijk bestanddeel van de varianten onder 1, 4 en 6 is voorts (een oogmerk van) uitbuiting. Ook bij de variant onder 9 speelt uitbuiting indirect een rol. De in die variant genoemde handelingen (kort gezegd: iemand dwingen de opbrengst van diens seksuele handelingen met een derde af te staan) zijn alleen strafbaar als die zijn begaan onder omstandigheden waarin uitbuiting kan worden verondersteld.

3.4.2
Bewijs in deze zaak
Verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Zij heeft de verdachte begin 2011 leren kennen via een chatsessie waarbij zij en haar toenmalige vriend op zoek waren naar een vrouw om gezamenlijk seks mee te hebben. Zij kwamen daarbij in contact met de verdachte die zich daarbij in eerste instantie voordeed als vrouw. Na meerdere chatcontacten heeft [slachtoffer 1] de verdachte enkele keren ontmoet. De eerste keer was bij hem thuis en vanaf de eerste ontmoeting hebben zij seks met elkaar gehad. Op 13 mei 2011 is [slachtoffer 1] met de verdachte gaan samenwonen in zijn woning te Zoetermeer. Vanaf 6 juni 2011 heeft [slachtoffer 1] als prostituee gewerkt in een club, genaamd [naam club] , te Den Haag. Op 28 juli 2011 heeft zij daar voor het laatst gewerkt. Vanaf dat moment tot eind 2012 heeft [slachtoffer 1] in de woning van de verdachte prostitutiewerkzaamheden verricht. Daarnaast heeft zij als actrice gespeeld in meer dan twintig pornofilms, die zowel in Nederland als in het buitenland zijn opgenomen. In één geval trad de verdachte daarin met [slachtoffer 1] samen op als acteur. Nadat [slachtoffer 1] was gestopt met de werkzaamheden als prostituee en als pornoactrice heeft zij werkzaamheden verricht in de thuiszorg. In 2014 werd zij zwanger en zijn haar werkzaamheden in de thuiszorg gestopt. In november 2014 is het dochtertje van [slachtoffer 1] en de verdachte geboren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte het werk in de club had geregeld en dat hij een advertentie op [website] had geplaatst voor het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden in zijn woning. Het geld dat zij als prostituee verdiende, nam hij van haar af. Hij zette haar daarbij onder grote druk, onder andere door te dreigen met zelfmoord als zij hem geen geld zou geven en door te zeggen dat zij anders op straat zouden komen te staan. Hij zou haar daarbij ook veelvuldig hebben verkracht en geslagen.
[slachtoffer 2] heeft – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Zij heeft de verdachte begin 2013 leren kennen via [slachtoffer 1] . Op een zeker moment heeft zij tegen betaling seks gehad met de verdachte. Zij was in die periode psychisch niet stabiel. In hun seksuele relatie had de verdachte een dominante rol en zij een onderdanige. Het ging steeds verder en verder. Daarbij moest [slachtoffer 2] allerlei vervelende standen aannemen en werd zij getraind om anale seks te kunnen verdragen. Uiteindelijk heeft zij met enkele klanten betaalde BDSM-seks gehad. Het geld dat zij daarmee verdiende hield zij zelf. Het was de bedoeling dat het verdiende geld later zou worden verdeeld tussen [slachtoffer 2] en de verdachte, maar omdat zij ermee zijn gestopt is het nooit zover gekomen.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft de hem ten laste gelegde mensenhandel ontkend. Hij heeft bij zijn inbewaringstelling verklaard dat [slachtoffer 1] zelf in de prostitutie wilde werken. Zij heeft korte tijd in een privéhuis gewerkt en is daarna vanuit huis dat werk gaan doen. Verder heeft hij verklaard dat zij beiden een inkomen hadden en daarmee bijdroegen aan de huishouding en de hypotheek. Zijn moeder heeft weleens bijgesprongen om de hypotheek te betalen toen de verdachte dat zelf niet kon. [slachtoffer 1] kreeg contant geld en dat ging dan soms deels naar zijn moeder, omdat er anders stortingskosten betaald moest worden.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij één keer aanwezig is geweest toen [slachtoffer 2] seks had met iemand die zij op een chatbox hadden leren kennen. De verdachte heeft haar daarbij geholpen.

3.4.3
Oordeel van de rechtbank over het bewijs
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden waarover door één getuige wordt verklaard op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat andere bewijsmateriaal moet wel een zekere zelfstandigheid bezitten en het mag in ieder geval niet enkel te herleiden zijn tot de bron van het hoofdbewijs (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247).

Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de wet geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld.

Gelet op de ontkenning van de verdachte ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Inzake [slachtoffer 1]

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] zich in juni en juli 2011 in privéhuis [naam club] te Den Haag en daarna tot eind 2012 in de woning van de verdachte heeft geprostitueerd. Verder was [slachtoffer 1] actief als actrice in de porno-industrie. Voorts kan uit de gegevens in het dossier die afkomstig zijn van de Belastingdienst worden afgeleid dat zowel de verdachte als [slachtoffer 1] in de jaren 2011 tot en met 2014 inkomsten heeft aangegeven. Niet is gebleken dat het daarbij om illegale inkomsten zou gaan. Verder is naar voren gekomen dat zowel op de bankrekening van de verdachte als de bankrekening op naam van [slachtoffer 1] aanzienlijke contante stortingen zijn gedaan. De rechtbank gaat ervan uit dat deze gelden, die in de jaren 2011 tot en met 2015 totaal een bedrag van ruim € 50.000,- betreffen, onder andere zijn voortgekomen uit de werkzaamheden van [slachtoffer 1] , die daarvoor vaak contant werd betaald.
De verklaring van [slachtoffer 1] dat zij door de verdachte werd mishandeld en verkracht, wordt echter niet door enig ander bewijsmiddel ondersteund. Ook haar verklaring dat zij werd gedwongen geld af te geven aan de verdachte wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijs. Weliswaar is het aannemelijk dat het door haar verdiende geld is besteed aan het aflossen van geldleningen van de moeder van de verdachte, maar daarmee is nog geen sprake van dwang. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank daarvoor ook geen bewijs in de brief die de verdachte na het einde van hun relatie heeft geschreven aan [slachtoffer 1] . Hij heeft daarin geschreven dat hij “meer helder” had moeten zijn over het geld waarmee hij de schuld aan zijn moeder afloste, maar ook dat [slachtoffer 1] het “allemaal maar liet gebeuren” en erop vertrouwde dat de verdachte “wel wist wat hij deed”. Daaruit kan niet blijken dat hij [slachtoffer 1] heeft gedwongen haar geld af te staan. [slachtoffer 1] verklaring dat de verdachte dreigde zelfmoord te plegen en/of dat hij zichzelf en zijn dochter [naam] iets aan zou doen als [slachtoffer 1] hem geen geld zou geven, wordt ook onvoldoende door een ander bewijsmiddel ondersteund. Weliswaar heeft de moeder van [slachtoffer 1] , [naam moeder] , daarover verklaard, maar haar verklaring betreft een verklaring van horen zeggen, die in de kern afkomstig is van [slachtoffer 1] zelf. De rechtbank ziet dus onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte haar heeft gedwongen of bewogen haar opbrengsten aan hem af te staan (variant onder 9). Ook voor de overige onderdelen van de tenlastelegging (varianten onder 1, 4 en 6) ziet de rechtbank onvoldoende bewijs. Aangezien de officier van justitie die conclusie deelt, zal de rechtbank haar oordeel in zoverre niet nader motiveren.

Inzake [slachtoffer 2]

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [slachtoffer 2] tegen betaling seks heeft gehad met de verdachte. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in dit enkele gegeven echter geen handeling om [slachtoffer 2] te werven voor de prostitutie. Haar verklaring dat zij met anderen dan de verdachte tegen betaling SM-achtige seks zou hebben gehad en dat zij daartoe door de verdachte zou zijn getraind, wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. [getuige] heeft daarover weliswaar verklaard, maar zij heeft dat van [slachtoffer 2] zelf gehoord, zodat haar verklaring een verklaring betreft die in de kern afkomstig is van [slachtoffer 2] zelf. Ook de eigen waarnemingen van [getuige] , dat [slachtoffer 2] uitgeput was en pijn had als zij de verdachte had bezocht en geld bij zich had, acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, onvoldoende redengevend voor het bewijs van gedwongen prostitutie. Evenmin is enig steunbewijs aanwezig voor de verklaring van [slachtoffer 2] dat toekomstige opbrengsten van seks met derden zouden worden verdeeld tussen haar en de verdachte. Laat staan dat de verdachte haar daartoe zou hebben gedwongen. Van de overige door de officier van justitie aangevoerde feiten en omstandigheden die volgens haar de verklaring van [slachtoffer 2] ondersteunen - zoals de telefooncontacten tussen de verdachte en [slachtoffer 2] over seks, op zijn telefoon aangetroffen pornografische afbeeldingen van [slachtoffer 2] en chatgesprekken tussen ‘ [naam] ’ en diverse anderen, niet zijnde [slachtoffer 2] - ziet de rechtbank de relevantie niet in. De rechtbank ziet dus onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte haar heeft geworven voor de prostitutie (variant onder 1), dan wel haar heeft gedwongen of bewogen zich voor de prostitutie beschikbaar te stellen (variant onder 4).
Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de aan de verdachte ten laste gelegde vormen van mensenhandel niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, nu de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De verdachte zal daarom van de feiten 1 en 2 worden vrijgesproken.
4

4.1
De vorderingen
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 75.939,-.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 24.452,26. Zij heeft ook verzocht te beslissen dat haar proceskosten, groot € 39,51, worden vergoed.

4.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte van de ten laste gelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

5

Omdat zij de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. De vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing en tot gevangenneming van de verdachte zal de rechtbank afwijzen.

beslissing

6




- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of
- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of
- misbruik gemaakt van zijn (liefdes)relatie met die [slachtoffer 1] en/of - misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 1] door het leeftijdsverschil in de relatie en/of haar psychische gesteldheid en/of- die [slachtoffer 1] gehuisvest en/of- die [slachtoffer 1] overgehaald en/of bewogen in de prostitutie te gaan werken en/of- op die [slachtoffer 1] ingepraat om in de prostitutie te (gaan) werken en/of- die [slachtoffer 1] geslagen en/of aan de haren getrokken en/of- tegen die [slachtoffer 1] geschreeuwd en/of- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat er geld moest komen omdat hij, verdachte, een schuld had en/of- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij geld nodig had voor de huur en/of hypotheek van de woning en/of de vaste lasten en/of - die [slachtoffer 1] gedwongen en/of bewogen, (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of- die [slachtoffer 1] ertoe bewogen in pornofilms te spelen en/of- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat als zij niet zou doen wat hij, verdachte, wilde hij, verdachte, zelfmoord zou plegen en/of zijn (zeer jonge) dochtertje mee zou nemen althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- die [slachtoffer 1] gezegd dat hij zelfmoord zou plegen wanneer die [slachtoffer 1] bij hem weg zou gaan en/of de relatie zou verbreken, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of - tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat als zij geen geld zou verdienen en/of zij haar geld niet aan hem zou afstaan ze op straat zouden komen te staan althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- die [slachtoffer 1] gedwongen de telefoon aan te nemen als een klant belde en/of- een account aangemaakt voor die [slachtoffer 1] op de sekssite [website] en/of- foto's van die [slachtoffer 1] gemaakt teneinde deze in een seksadvertentie te plaatsen;
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1°) en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°),
- misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 2] door het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 2] en/of- misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 2] (door een verleden met seksueel misbruik en/of huiselijk geweld en/of een (zeer) beperkt sociaal netwerk) en/of haar psychische gesteldheid en/of- misbruik gemaakt van de (seksuele) relatie die hij met [slachtoffer 2] had (waarin hij, verdachte, een dominante rol had) en/of- die [slachtoffer 2] geld gegeven voor het hebben van seks met hem, verdachte, en/of- die [slachtoffer 2] overgehaald en/of bewogen in de prostitutie te gaan werken door te zeggen dat zij daarmee meer geld kon verdienen dan met een reguliere baan en/of te zeggen dat er mensen waren die veel wilden betalen of woorden van gelijke strekking en/of- die [slachtoffer 2] gezegd dat het hebben van anale seks (met klanten) meer geld oplevert en/of - die [slachtoffer 2] getraind in het hebben van betaalde seks en/of BDSM seks en/of anale seks en/of- een of meer advertentie(s) voor die [slachtoffer 2] gemaakt om klanten te werven en/of contact met (potentiële) klanten gehad en/of afspraken met klanten gemaakt over de plaats te vinden seksuele handelingen en/of het door de klant te betalen bedrag en/of - zijn woning ter beschikking gesteld voor het hebben van betaalde seks door die [slachtoffer 2] .
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis ter zake van feit 1 en tot gevangenneming van de verdachte ter zake van feit 2;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen doormr. H. Steenhuis, voorzitter,mr. B.W. Mulder, rechter,mr. W.R. van Hattum, rechter,in tegenwoordigheid van mr. V.A. Paul, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2019.
Bijlage

Tekst tenlastelegging

1.hij op een of meer tijdstippen in de periode van 6 juni 2011 tot en met 31 juli 2013 te Zoetermeer en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 1] had,

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6°),

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

2.hij op een of meer tijdstippen in de periode van 01 februari 2013 tot en met 12 september 2016 te Zoetermeer en/of elders in Nederland,
A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie,

immers heeft hij, verdachte,