Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:19

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:19, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/565907 / JE RK 19-9


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAGBeschikking van de kinderrechter Afwijzing verzoek tot schorsing schriftelijke aanwijzing [verzoeker] [de vrouw] ,

- [minderjarige 1]

hierna te noemen: [minderjarige 1]
- [minderjarige 2]

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/565907 / JE RK 19-9Datum uitspraak: 2 januari 2019
in de zaak naar aanleiding van het op 28 december 2018 ingekomen verzoek van:

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam,
betreffende:

hierna te noemen: [minderjarige 2]hierna tezamen te noemen: de minderjarigen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland

ECLI:NL:RBDHA:2019:19:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAGBeschikking van de kinderrechter Afwijzing verzoek tot schorsing schriftelijke aanwijzing [verzoeker] [de vrouw] ,
- [minderjarige 1]

hierna te noemen: [minderjarige 1]
- [minderjarige 2]

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/565907 / JE RK 19-9Datum uitspraak: 2 januari 2019
in de zaak naar aanleiding van het op 28 december 2018 ingekomen verzoek van:

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam,
betreffende:

hierna te noemen: [minderjarige 2]hierna tezamen te noemen: de minderjarigen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland

procesverloop

Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:- het verzoek.
Feiten
- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. - Bij beschikking van 26 juni 2018 is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, die inhoudt dat de minderjarigen definitief bij de vader zullen zijn de ene week van vrijdagmiddag na school tot maandagmorgen naar school en de andere week van dinsdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 augustus 2018 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 26 augustus 2018 tot 26 augustus 2019.- De gecertificeerde instelling heeft de vader op 14 december 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven, ertoe strekkende dat de vader wordt verzocht om zich te houden aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgesteld in de beschikking van 26 juni 2018, om contact op te nemen met de gezinsvoogd zodat er afspraken gemaakt kunnen worden om de eerste contacten tussen de vader en de minderjarigen weer vorm te kunnen geven en om op geen enkele wijze buiten de door de rechtbank vastgestelde tijden contact te zoeken met de minderjarigen.
Verzoek
Het verzoek strekt er toe de schriftelijke aanwijzing van 14 december 2018 geheel vervallen te verklaren en voorts om de uitvoerbaarheid van de schriftelijke aanwijzing te schorsen. De vader heeft aan het schorsingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij weigert om nog langer met de jeugdbeschermer samen te werken. De vader wenst de schriftelijke aanwijzing niet te overtreden door afspraken niet na te komen. De vader heeft er daarom belang bij dat de schriftelijke aanwijzing wordt geschorst. De vader vindt de situatie daarnaast uiterst complex en vindt het daarom alleszins redelijk dat het oordeel van de kinderrechter eerst wordt gegeven voordat de schriftelijke aanwijzing van kracht wordt. Er zijn geen spoedeisende redenen om niet over te gaan tot schorsing, aldus de vader.
overwegingen

Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:264 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.
In de uitspraak van 14 december 2018 heeft de Hoge Raad bepaalt dat de kinderrechter in het algemeen niet dient te beslissen op een verzoek tot schorsing als bedoeld in art. 1:264 lid 1, laatste volzin, BW zonder alle belanghebbenden te hebben gehoord. De kinderrechter kan hiervan echter afwijken op grond van spoedeisendheid van het schorsingsverzoek, mede gelet op de ernst van de eraan ten grondslag gelegde feiten. De kinderrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van deze door de Hoge Raad gegeven uitleg.

De kinderrechter overweegt dat uit het verzoek niet blijkt van feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat op het verzoek dient te worden beslist voordat de belanghebbenden zijn gehoord. Dat de vader niet in overleg wenst te treden met de betrokken jeugdbeschermer en zich daarom niet aan het in de schriftelijke aanwijzing bepaalde wenst te houden, vormt geen reden om schorsende werking toe te kennen aan het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing. De stelling van de vader dat er geen spoedeisende reden is die maakt dat niet zou kunnen worden overgegaan tot schorsing totdat de kinderrechter kennis heeft kunnen nemen van het verzoek en dat heeft kunnen behandelen, is in dit kader niet relevant. Uitgangspunt is immers dat een verzoek tot vervallenverklaring geen schorsende werking heeft, tenzij de spoedeisendheid van het verzoek dat rechtvaardigt. De kinderrechter zal het verzoek tot schorsing dan ook afwijzen en de behandeling van het bodemverzoek – het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing – aanhouden.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

beslissing

Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot schorsing van de schriftelijke aanwijzing van 14 december 2018;

houdt de behandeling van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing aan tot de zitting van

gelast de griffier de partijen op te roepen tegen de datum en het tijdstip van voormelde zitting.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2019 door mr. P.M.E. Bernini, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.G. Nuboer als griffier.


colA
colC

colA
colC

colA
colC