Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:151

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:151, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/564311 / KG ZA 18-1265


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/564311 / KG ZA 18/1265

Vonnis in kort geding van 10 januari 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. mr. W.R. Jonk en mr. M.M.R. Slaghekke te Amsterdam,
tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

gedaagde,advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

ECLI:NL:RBDHA:2019:151:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/564311 / KG ZA 18/1265

Vonnis in kort geding van 10 januari 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. mr. W.R. Jonk en mr. M.M.R. Slaghekke te Amsterdam,
tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

gedaagde,advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;- de door de Staat overgelegde producties; - de op 12 december 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
[eiser] heeft de Duitse nationaliteit, heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en heeft vaste woon- en verblijfplaats in Nederland.
2.2.
[eiser] is op 9 januari 2004 in Duitsland veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen van acht maanden en zes maanden. Op 24 januari 2008 zijn deze voorwaardelijke straffen in Duitsland omgezet in een gevangenisstraf van dertien maanden (hierna: de gevangenisstraf).
2.3.
Op 14 december 2017 hebben de Duitse autoriteiten, naar aanleiding van een verzoek van [eiser] , de Nederlandse autoriteiten verzocht de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf over te nemen.
2.4.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 maart 2018 geoordeeld dat er geen gronden zijn om het verzoek tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland te weigeren.
2.5.
Op 5 maart 2018 hebben de Nederlandse autoriteiten de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overgenomen. De Duitse autoriteiten zijn hierover bij brief van diezelfde datum geïnformeerd.
2.6.
Bij brief van 15 maart 2018 van de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: de DJI) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: de selectiefunctionaris) is [eiser] opgeroepen om zich op 20 april 2018 te melden bij de Penitentiaire Inrichting [locatie] voor het ondergaan van de gevangenisstraf.
2.7.
Bij e-mailberichten van 19 maart 2018 en 23 maart 2018 heeft de advocaat van [eiser] verzocht om [eiser] uitstel te verlenen van de plicht om zich op 20 april 2018 te melden bij de penitentiaire inrichting.
2.8.
Bij brief van 26 maart 2018 heeft de selectiefunctionaris aan de advocaat [eiser] bericht dat zijn verzoek tot uitstel niet ontvankelijk is, omdat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft bericht dat.
2.9.
Bij brief van 30 april 2018 heeft de Divisiedirecteur Individuele Zaken van de DJI als volgt aan de advocaat van [eiser] bericht:
“(…)

De mededeling dat dat het vonnis door het CJIB wordt ingetrokken omdat het met ingang van 24 maart 2018 is verjaard, is echter onjuist.

Ten tijde van de overname van het Duitse vonnis op 5 maart 2018 was dit naar Duits recht nog niet verjaard. Aangezien na overname van het vonnis het Nederlands recht op de tenuitvoerlegging van toepassing is, is de Nederlandse verjaringstermijn van toepassing.

Inmiddels heb ik de officier van justitie opdracht gegeven het vonnis ten uitvoer te leggen.

Uw cliënt zal daarom een nieuwe oproep ontvangen om zich te melden in een Penitentiaire Inrichting.

(…)”

2.10.
Bij brief van 6 november 2018 is [eiser] opgeroepen om zich op 12 december 2018 te melden in de Penitentiaire Inrichting [locatie]. In verband met dit kort geding is aan [eiser] bij brief van 6 december 2018 uitstel om zich te melden verleend tot 11 januari 2019.
3

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de executie van de gevangenisstraf van [eiser] in te trekken, althans, subsidiair, de executie van de gevangenisstraf uit te stellen voor een zodanige termijn dat [eiser] voorbereidingen kan treffen voor het verblijf in detentie.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Aan [eiser] is eerst medegedeeld dat het vonnis werd ingetrokken en ruim een maand later ontving hij het bericht dat de mededeling dat het vonnis werd ingetrokken onjuist was. Het alsnog ten uitvoer leggen van het vonnis is onrechtmatig. [eiser] heeft op grond van de berichtgeving van de DJI het gerechtvaardigd vertrouwen gekregen dat zijn gevangenisstraf niet meer zou worden geëxecuteerd. Het is in strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, om de gevangenisstraf te executeren.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven.
4.2.
Volgens artikel 553 van het Wetboek van strafvordering (Sv) worden beslissingen van de strafrechter door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd. Daarbij is uitgangspunt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen ten uitvoer worden gelegd, maar ook ten uitvoer worden gelegd. Dit is anders als (i) de beslissing nog niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging, (ii) in geval van een bij wet geregelde uitzondering op de executieplicht, of (iii) als een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarmee de strafrechter bij zijn uitspraak geen rekening heeft gehouden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing op zo’n manier tot stand is gekomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM.
4.3.
Van één van de hiervoor bedoelde uitzonderingen die aan tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in de weg staan is geen sprake. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter dat tussen partijen niet in geschil is dat van verjaring van de gevangenisstraf geen sprake is en dat de mededeling in de brief van 26 maart 2018 op een vergissing berustte, die het gevolg was van de verjaringstermijn op grond van het Duitse recht. Evenmin is tussen partijen in geschil dat na overname van de gevangenisstraf op 5 maart 2018 Nederlands recht van toepassing is op de tenuitvoerlegging. Naar Nederlands rechter verjaart het recht op tenuitvoerlegging van de onderhavige gevangenisstraf niet eerder dan in 2034.
4.4.
Gezien voormeld uitgangspunt dat een veroordelende beslissing ten uitvoer worden gelegd, kan de Staat (het Openbaar Ministerie) niet afzien van die tenuitvoerlegging. Dit wordt niet anders door het beroep van [eiser] op het vertrouwensbeginsel. Vanwege de zwaarwegende executieplicht kan niet lichtvaardig worden aangenomen dat een onjuiste mededeling er toe kan leiden dat van de executieplicht kan worden afgezien. Voor het wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen dat van tenuitvoerlegging afgezien zou worden is de mededeling in de brief van 26 maart 2018 onvoldoende. Dat die mededeling op een vergissing berustte had voor [eiser] , die toen ook al bijstand van een advocaat had, duidelijk kunnen zijn. De mededeling was immers simpelweg niet in overeenstemming met de juridische situatie. Bovendien lag verjaring van de gevangenisstraf, zo kort na de overdracht ervan van Duitsland naar Nederland en terwijl de tenuitvoerlegging ervan al was aangevangen (met de oproepbrief van 15 maart 2018), ook niet voor de hand. De omstandigheid dat in mei 2018 door een medewerker van het CJIB nog aan de advocaat van [eiser] is medegedeeld dat het dossier in verband met verjaring gesloten was, werpt geen ander licht op de zaak. Op dat moment was immers al (bij brief van 30 april 2018) aan [eiser] medegedeeld dat van verjaring geen sprake was, zodat aan de die telefonische mededeling op geen enkele manier vertrouwen kon worden ontleend.
4.5.
Slotsom van het vorenstaande is dat de Staat niet onrechtmatig handelt door een rechtmatig opgelegde gevangenisstraf volgens de bestaande regels te executeren. De vordering om de Staat te veroordelen de executie van de gevangenisstraf in te trekken zal daarom worden afgewezen.
4.6.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering heeft de Staat terecht gesteld dat een verzoek om uitstel van het moment waarop [eiser] zich moet melden aan de selectiefunctionaris moet worden gericht. [eiser] kan tegen een eventueel afwijzende beslissing van de selectiefunctionaris op zo’n verzoek beroep instellen bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Dit is een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die in de weg staat aan een beoordeling in kort geding op dit punt. [eiser] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn subsidiaire vordering. Dit laat onverlet dat de Staat ter terechtzitting heeft toegezegd dat [eiser] wel twee weken uitstel zal krijgen van de datum waarop hij zich conform de brief van 6 december 2018 bij de penitentiaire inrichting moet melden, vanwege onderhavig kort geding en de vonnisdatum in dit kort geding. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de Staat deze toezegging nakomt, hetgeen betekent dat [eiser] zich niet eerder dan op 25 januari 2019 zal hoeven te melden.
4.7.
[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
wijst de primaire vordering af;
5.2.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de subsidiaire vordering;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

idt