Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:12069

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 18-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:12069, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/767332-18


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAGZITTING HOUDENDE IN JUSTITIEEL COMPLEX SCHIPHOL TE BADHOEVEDORP

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767332-18

Datum uitspraak: 18 november 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 [geboorteplaats] [geboorteland] , [adres] .

ECLI:NL:RBDHA:2019:12069:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAGZITTING HOUDENDE IN JUSTITIEEL COMPLEX SCHIPHOL TE BADHOEVEDORP
Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767332-18

Datum uitspraak: 18 november 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 [geboorteplaats] [geboorteland] , [adres] .
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 5 december 2018, 18 februari 2019, 13 mei 2019, 5 augustus 2019 () en ter terechtzitting van 28 en 29 oktober 2019 (), en is gesloten ter terechtzitting van 5 november 2019.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. Minks en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.S. Sewdajal naar voren is gebracht.

2

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of aan anderen heeft verschaft,
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 28 oktober 2019 - ten laste gelegd dat:
1.hij in de periode van 20 augustus 2018 tot en met 28 augustus 2018 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het te plegen misdrijf(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:
het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of moord en/of doodslag op [slachtoffer] (lid van de Tweede Kamer), althans de organisator van de cartoonwedstrijd, te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers is/heeft hij, verdachte,

2.hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [slachtoffer] (lid van de Tweede Kamer), althans de organisator van de cartoonwedstrijd, heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk een video op Facebook geplaatst waarin hij een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en/of hem, verdachte, te helpen en/of door in de video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en met Gods wil die persoon zal bereiken en naar de hel te sturen, althans woorden van gelijke dreigen aard en/of strekking;
3.hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, in het openbaar, mondeling en middels afbeelding(en), althans in een video, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid een terroristische misdrijf inhoudt, middels:het maken van een video op Facebook waarin hij, verdachte, een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en/of hem, verdachte te helpen en/of door in deze video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en hij met Gods wil die persoon zal bereiken en/of als hij in leven zal blijven hij, verdachte zijn doel zal (blijven) bereiken:
en/of

hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een geschrift en/of afbeelding, althans in een video waarin tot een terroristisch misdrijf dan wel enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, heeft verspreid, openlijk tentoongesteld om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen, in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft verdachte:een video op Facebook geplaatst waarin hij een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en/of hem, verdachte te helpen en/of door in deze video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en hij met Gods wil die persoon zal bereiken en/of zegt dat als hij in leven zal blijven hij verdachte zijn doel zal (blijven) bereiken en/of (daarbij) heeft verzocht deze videoproep te delen.
-

inlichtingen ingewonnen en/of verschaft over de cartoonwedstrijd en/of de organisator en/of

zich geïnformeerd en/of laten informeren omtrent de reis vanuit Italië en/of Frankrijk naar Nederland en/of (vervolgens)

-

een busticket gekocht voor zijn reis naar Nederland en/of hier gebruik van gemaakt en/of

vanuit Italië en/of Frankrijk met de bus vertrokken naar Amsterdam en/of

in Amsterdam verbleven en zich nader laten informeren over de (exacte) plaats van de cartoonwedstrijd en/of

één of meerdere keren van Amsterdam naar Den Haag en/of terug gereisd en/of

middels het posten van een video op internet om financiële hulp en/of onderdak voor zijn missie gevraagd om “die hond, die onbeschaafde naar de hel te sturen” en/of

spullen voor zijn missie aangeschaft en/of vervolgens verborgen en/of

inlichtingen ingewonnen en/of zich laten informeren over waar de cartoonwedstrijd werd gehouden en/of hoe de Tweede Kamer is ingedeeld en/of wie de voorzitter van de Tweede Kamer is en/of (vervolgens)

de route naar en/of omgeving van het Parlement heeft verkend en foto’s van het binnenhof heeft gemaakt;

overwegingen

3

3.1
Inleiding
De cartoonwedstrijd

Op 17 mei 2018 heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), voorzitter van [politieke partij] ) en namens deze politieke partij werkzaam als fractieleider in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bekend gemaakt dat hij in het kader van de vrijheid van meningsuiting een ‘Mohammed-cartoonwedstrijd’ wilde organiseren in de Tweede Kamer. De cartoonwedstrijd is later gepland op 10 november 2018.
De cartoonwedstrijd heeft wereldwijde aandacht getrokken. In Islamabad (Pakistan) heeft de aankondiging van de wedstrijd geleid tot protesten en demonstraties, waarbij is opgeroepen tot een boycot van Nederlandse producten als de cartoonwedstrijd door zou gaan. Ook de Pakistaanse regering heeft haar ongenoegen uitgesproken over de cartoonwedstrijd. Zo is de Nederlandse ambassadeur in Pakistan ontboden en is de cartoonwedstrijd door verschillende organisaties, politieke partijen en geestelijken in Pakistan veroordeeld, waarbij is opgeroepen tot protest. Gedurende de maand augustus 2018 zijn de demonstraties steeds groter geworden en via diverse diplomatieke kanalen is geprobeerd de cartoonwedstrijd tegen te houden. De toon van verschillende protesten werd dreigender. Zo werd (door een Pakistaanse cricketspeler) een prijs op het hoofd van [slachtoffer] gezet.

Melding van een video op Facebook

Op 27 augustus 2018 om 15:25 uur is op www.politie.nl een bericht in de Engelse taal geplaatst. In het bericht, verzonden vanuit het Verenigd Koninkrijk, stond dat op Facebook een video was aangetroffen van een persoon, genaamd [verdachte] . Deze man zou Nederland zijn binnengekomen met als doel [slachtoffer] te doden. Verder zou deze man andere mensen oproepen hem te helpen om zijn missie tot een succes te maken en spreekt hij over de voorbereidingen voor zijn taak zonder details te geven zodat zijn missie geheim blijft. De melder gaf te kennen dat hij deze informatie wilde delen omdat hij dit als goed burger wilde doen, zodat die informatie bij zou dragen aan het voorkomen van een mogelijke terroristische aanslag.
[slachtoffer] is op 28 augustus 2018 door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid in kennis gesteld van de video op Facebook. Op 28 augustus 2018 om 11:10 uur is de verdachte aangehouden. Onder de naam ‘Zomereinde’ is een grootschalig onderzoek gestart.

Op 30 augustus 2018 heeft [slachtoffer] een verklaring doen uitgaan, waarin hij te kennen geeft dat hij de cartoonwedstrijd niet door kan laten gaan vanwege de dreigementen en het groter wordende gevaar voor hemzelf, en voor Nederland.

De gedragingen van de verdachte
_d41a1c2b-1397-4dcb-a1d8-eedab4644858

Wat betreft de gedragingen van de verdachte stelt de rechtbank - op grond van zijn verklaringen en de bevindingen van het onderzoek - het volgende vast.
De verdachte kent [slachtoffer] uit de sociale media, en wist uit deze bron eveneens dat [slachtoffer] een cartoonwedstrijd over de profeet Mohammed had georganiseerd. De verdachte heeft op 22 augustus 2018 aan zijn neef gevraagd of deze voor hem een treinticket van Parijs naar Amsterdam kon boeken. Dit lukte niet, waarop hij op 23 augustus 2018 zijn neef heeft gevraagd om een busticket te boeken. Ook dat is niet gelukt. Uiteindelijk heeft de verdachte op 25 augustus 2018 een busticket gekocht en is vervolgens vanuit Parijs met de bus naar Amsterdam gereisd. Hij is daar die avond aangekomen en heeft er overnacht in een hostel. Aan de eigenaar van het hostel heeft hij gevraagd waar het ‘parlementshuis’ is. Hij wilde het parlementshuis zien omdat daar de cartoonwedstrijd zou worden georganiseerd. Op 26 augustus 2018 is de verdachte ’s middags met de trein van Amsterdam naar Den Haag gereisd. Hij heeft die nacht onder een brug geslapen.
De verdachte heeft op 27 augustus 2018 om 10:16 uur een video op Facebook geplaatst. Deze video is opgenomen op station Den Haag centraal en duurt twaalf minuten. Rond het middaguur is de verdachte met behulp van Google Maps naar het Binnenhof gelopen, waar hij foto’s heeft gemaakt. Hij heeft daar aan mensen gevraagd of daar inderdaad het parlementshuis was. Halverwege de middag is de verdachte met een onbekend gebleven man met de trein naar station Amsterdam Sloterdijk gereisd. Aan het begin van de avond is de verdachte met de trein weer in Den Haag teruggekomen. Hij heeft die nacht in een parkeergarage geslapen.

Op 28 augustus 2018 was de verdachte ’s morgens op station Den Haag Centraal, waar hij om 11:10 uur is aangehouden.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden met betrekking tot de gedragingen van de verdachte hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan.

De video

In de hiervoor genoemde video is de verdachte in beeld. Hij richt zich tot de camera en spreekt in de taal Urdu. In het dossier bevinden zich drie vertalingen van deze tekst. Deze vertalingen komen op hoofdlijnen en essentiële onderdelen overeen: zij wijken slechts grammaticaal enigszins van elkaar af. Met het oog op de leesbaarheid gebruikt de rechtbank de vertaling van [naam 1] die is gevoegd bij het duidingsrapport van de NTA. Uit deze vertaling is ter terechtzitting van 28 oktober 2019 geciteerd.
In de video, die door 153.000 mensen is gezien, door 14.000 personen is gedeeld, 1.100 keer is voorzien van commentaar en 31.000 likes heeft gekregen, zegt de verdachte onder meer:

(…) dat ik in Nederland ben sinds drie vier dagen, in verband met het feit dat deze mensen hier met onze geliefde Profeet spot aan het drijven zijn. (…) De dag dat ik hierover heb gehoord, ben ik vertrokken van Frankrijk naar hier. (…) Ik verzoek jullie om op Facebook geen vieze taal te gebruiken tegen hen of te demonstreren tegen hen; zulke dingen hebben geen nut. De uitkomsten hiervan zijn gewoon nul. Ik verzoek jullie om dit te delen; ik heb jullie hulp heel hard nodig, broeders. (…) dat ik op zoek ben naar iemand, een persoon die alles kan opofferen voor de naam van de Profeet. (…) Nu ben ik in Nederland; ik ben op vijf minuten afstand van de locatie, het parlementsgebouw, waar zij de tentoonstelling gaan houden. Als ik loop, ben ik in vijf minuten daar. Hier hebben zij veel veiligheidsmaatregelen genomen. (…) Mijn vijand op dit moment, mij doelwit is alleen die onbeschaafde. Ik wil hem bereiken. Als Allah het wil, dan zal ik hem bereiken. (…) Ik zal alleen terugkeren als ik geslaagd ben in mijn missie, waarvoor ik gekomen ben. (…) Veel dingen, met wat mijn budget was, heb ik gekocht wat ik nodig had. Ik heb niets nodig. (…) En op dit moment is mijn vijandschap, en wat het ook is, tegen die onbeschaafde, verder heb ik niets hier. (…) En ik verzoek diegenen die aan het demonstreren zijn, dat demonstreren geen nut heeft. als jullie aan het uitschelden zijn, dat heeft ook geen nut omdat zij dat toch niet kunnen begrijpen. Dat kunnen alleen wij begrijpen die deze taal kennen. Daarom zeg ik dat jullie niet moeten denken dat het genoeg is als jullie alleen schelden. (…) En ik beloof jullie dat ik tot mijn laatste adem jullie niet zal teleurstellen. Zoals Allah het wil, zal ik die hond, die onbeschaafde naar de hel sturen. Dat is mijn poging, het is niet alleen een poging, ik zal het volbrengen als ik blijf leven. Tijdens mijn leven, zal ik deze missie niet verlaten. (…). Ik heb van alle soorten hulp nodig, ik zeg niet dit en dat, maar verschillende soorten hulp.
_a3266dda-f5b8-433c-bf15-d72be8798058

De verdachte heeft verklaard dat hij met ‘die hond, die onbeschaafde’ [slachtoffer] bedoelde.

[slachtoffer] heeft op 4 september 2018 aangifte gedaan van bedreiging.

De voorgaande feiten en omstandigheden kunnen als vaststaand worden aangemerkt op grond van de gebruikte bewijsmiddelen (waarnaar in de voetnoten wordt verwezen), en omdat deze door de verdediging niet zijn betwist. Zij kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de bewijsvraag dienen.

De vragen waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of bewezen kan worden dat de verdachte zich met de hierboven vastgestelde gedragingen schuldig heeft gemaakt aan:

 ( (medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van een terroristische aanslag op [slachtoffer] (feit 1); ( bedreiging van [slachtoffer] met een terroristisch misdrijf (feit 2); ( opruiing en/of verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen (feit 3).

3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Op de specifieke standpunten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte enkel naar Nederland is gekomen om te demonstreren tegen de cartoonwedstrijd. Op de specifieke standpunten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3.4
De verdere beoordeling van de tenlastelegging
3.4.1
Juridisch kader voorbereiding en/of bevordering van terroristische misdrijven
Brandstichting, het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, is strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 176b en 289a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarin is bepaald dat artikel 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing is. Het artikel betreft een lex specialis ten opzichte van artikel 46 Sr.

Ingevolge van artikel 96, tweede lid, Sr is sprake van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen indien een persoon:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.
Deze handelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 96, tweede lid, Sr niet is vereist dat tijd, plaats en wijze van uitvoering van de door verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan. Aangenomen moet worden dat de voor de toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk omschreven misdrijf de nader aan artikel 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is strikte toetsing noodzakelijk. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen mogen wel in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid. De voorbereiding en bevordering zijn zelfstandig strafbaar gesteld als voltooide delicten. Hiervan is geen vrijwillige terugtred mogelijk.

3.4.2
De verweten gedragingen
De verdachte worden diverse feitelijke gedragingen verweten. Deze zou hij hebben verricht met het oogmerk om een terroristisch misdrijf te plegen, te weten een terroristische aanslag op [slachtoffer] .

De rechtbank zal hieronder eerst beoordelen of de feitelijke gedragingen, zoals deze aan de verdachte onder 1 zijn ten laste gelegd, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Indien dit het geval is, zal de rechtbank aansluitend beoordelen met welk oogmerk de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen heeft verricht.

De beoordeling van de in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen

Gedragingen onder 2e, 3e en 4e gedachtestreepje

Hoewel de gedragingen genoemd onder het 2e, 3e en 4e gedachtestreepje niet worden betwist, zijn deze verricht in Frankrijk en niet, zoals ten laste gelegd, in Nederland. Om die reden zal de verdachte van deze drie onderdelen worden vrijgesproken
‘middels het posten van een video op internet om financiële hulp en/of onderdak voor zijn missie gevraagd om “die hond, die onbeschaafde naar de hel te sturen”’

Nadat de verdachte de video op Facebook heeft geplaatst, heeft hij veel reacties ontvangen. Op een aantal hiervan heeft de verdachte gereageerd. Hij heeft daarbij onder meer gevraagd om financiële hulp en onderdak, zoals bijvoorbeeld op 27 augustus 2018 in chatgesprekken met [naam 2] (chat 431) en met [naam 3] (chat 439). De verdachte heeft ook verklaard dat hij geld en woonruimte nodig had.
De rechtbank acht dit onderdeel dan ook wettig en overtuigend bewezen.

‘spullen voor zijn missie aangeschaft en/of vervolgens verborgen’

In het eerdergenoemde gesprek met [naam 3] (chat 439) zegt de verdachte ook het volgende: In een audiobericht van 27 augustus 2018 (audiobericht 815) zegt de verdachte dat hij iemand zoekt die ‘alleen zijn bagage in bewaring kan nemen’.
Bovendien zegt de verdachte in zijn video dat hij ‘alles wat hij nodig heeft, heeft gekocht’.

Vast staat dat de verdachte tot en met 27 augustus 2018 nog in het bezit was van een grote rugtas en dat hij die bij zijn aanhouding niet meer bij zich had. Hij heeft daarvoor een verklaring gegeven, die aantoonbaar niet klopt en derhalve niet aannemelijk is.

Gelet hierop acht de rechtbank ook dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen.

‘inlichtingen ingewonnen en/of zich laten informeren over waar de cartoonwedstrijd werd gehouden en/of hoe de Tweede Kamer is ingedeeld en/of wie de voorzitter van de Tweede Kamer is’

Op de telefoon van de verdachte is informatie aangetroffen over het Nederlandse parlement, met daarbij ook de naam van de voorzitter van de Tweede Kamer.
De rechtbank acht hiermee ook dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen.

De overige ten laste gelegde feitelijke gedragingen

De overigens ten laste gelegde feitelijke gedragingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen reeds op grond van de hiervoor onder 3.1 vastgestelde feiten en omstandigheden.
Tussenconclusie verweten handelingen

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, is de rechtbank van oordeel dat alle feitelijke gedragingen, zoals deze zijn ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.4.3
Het oogmerk van de verdachte

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden met welk de verdachte deze gedragingen heeft verricht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op basis van de aard en inhoud van de video van de verdachte, en in het bijzonder zijn mededeling in die video dat hij [slachtoffer] ‘naar de hel wil sturen’, kan zijn bedoeling naar het oordeel van de rechtbank maar op één manier worden uitgelegd: de verdachte was van plan om [slachtoffer] te vermoorden.

WhatsApp- en Facebook-gesprekken

Dàt de verdachte [slachtoffer] wilde vermoorden, vindt eveneens steun in gesprekken die de verdachte op WhatsApp heeft gevoerd:

Chat 446: 25 augustus 2018 met [naam 4]

02:24:02 verdachte: 02:24:23 verdachte: 02:25:44 verdachte: 02:26:32 [naam 4] : 02:27:12 verdachte: .
Chat 443: 26 augustus 2018 met [naam 5] uit Dinga stad

10:11:53 uur audiobericht verdachte: 10:12:53 uur audiobericht verdachte: 10:15:31 uur audiobericht verdachte: 17:37:42 uur verdachte: 17:41:01 uur verdachte: 17:41:43 uur verdachte: 17:42:06 uur [naam 5] :
Chat 516: 27 augustus 2018 met [naam 8]

11:28:12 uur audiobericht [naam 8] : . 11:29:08 uur audiobericht [naam 8] : 11:33:36 uur verdachte:
Chat 431: 27 augustus 2018 met [naam 2]

10:47:47-10:50:34 uur [naam 2] : (…) 10:52:56 uur verdachte: . 10:53:39-10:56:01 uur [naam 2] : 10:59:25-10:59:48 uur verdachte:
Chat 439: 27 augustus 2018 met [naam 3]

10:53:36 uur audiobericht [naam 3] : 11:04:03 uur audiobericht verdachte: 11:14:00 uur audiobericht verdachte: (…) 11:23:23 uur audiobericht verdachte:
net als ik, ook hier zijn, die ook met hetzelfde doel vertrokken zijn. Ik weet niet aan wie Allah deze eer zal geven, wie de gelukkige handen zou hebben. Wie die gelukkige persoon zou zijn die deze klus gaat verrichten. Maar uw broer ( [verdachte] ) is hier. Net zolang uw broer leeft, hij zal blijven proberen en niet zal stoppen. Ik ben aan het proberen. Niet alleen proberen, ik geloof zo goed op mijn Allah dat hij mij altijd succes zal geven. Dat heeft hij voor mij gedaan en hij zal dat voor mij doen.
_537871af-e27e-4039-a705-413ffc1e0ec6

Dat de verdachte [slachtoffer] wilde vermoorden, vindt voorts steun in gesprekken die de verdachte op Facebook heeft gevoerd:

Chat 597: 27 augustus 2018 met [naam 6]

11:16:23 uur [naam 6] : 11:16:43 uur verdachte: 11:17:15 uur [naam 6] : 11:18:01 uur audiobericht [naam 6] :11:18:58 uur verdachte: 11:19:43 uur [naam 6] : 11:27:04 uur verdachte:
Chat 517: 27 augustus 2018 met [naam 7]

11:52:12-11:52:29 uur [naam 7] : 11:52:34 uur verdachte:
De rechtbank concludeert dat de verdachte in de hierboven weergegeven gesprekken op verschillende momenten, en ook nog voordat hij in Nederland is, zegt dat hij [slachtoffer] wil doden.

Duidingsrapporten en gesprekken vanuit de penitentiaire inrichting

In de duidingsrapporten is hetgeen de verdachte in zijn video zegt geanalyseerd. De deskundigen concluderen dat de verdachte een missie/doel heeft om [slachtoffer] te doden. De verdachte heeft een onvoorwaardelijke liefde voor de profeet Mohammed, die door [slachtoffer] wordt beledigd. Demonstraties hebben geen zin en de verdachte wil zijn leven geven om de belediging te stoppen en [slachtoffer] te doden.
In de gesprekken vanuit de penitentiaire inrichting zegt de verdachte meermalen dat zijn ‘missie’ nog niet is volbracht en dat men moet bidden dat Allah hem in zijn doel succes zal geven. Hij zegt dit op 9 oktober 2018, 23 oktober 2018, 2, 3 en 4 november 2018, 13, 14, 17, 19, 21 en 22 november 2018, 30 november 2018 en 21 december 2018, dit terwijl hij al op 9 oktober 2018 wist dat dat de cartoonwedstrijd was afgelast.De rechtbank concludeert hieruit dat de ‘missie’ van de verdachte klaarblijkelijk niet (alleen) bestond uit het voorkomen van de cartoonwedstrijd.
Daarnaast noemt de verdachte zichzelf op 24 november 2018 in een gesprek met zijn moeder een ‘ [naam 9] ’. De verdachte zegt in dit gesprek dat er vier [naam 9] ’s zijn. De eerste is [naam 10] (de moordenaar van [naam 11] ). De tweede is [naam 12] (die volgens de verdachte op verzoek van [naam 10] ook iemand heeft vermoord). De derde is [naam 13] , de moordenaar van [naam 14] , die samen met de verdachte in de penitentiaire inrichting in Vught zit. De vierde [naam 9] is hijzelf.

Bij de vertaling van dit gesprek heeft de tolk opgemerkt dat een [naam 9] ‘een strijder voor de Islam of iemand die levend uit de jihad komt’, is. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de verdachte zichzelf op één lijn stelt met drie andere personen, die allen iemand hebben gedood vanwege het beledigen van de profeet Mohammed.

Verdere beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij enkel naar Nederland is gekomen om te demonstreren tegen de cartoonwedstrijd. Het was zijn doel om de cartoonwedstrijd te doen stoppen. Dit is echter in strijd met alle bovenvermelde bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte [slachtoffer] wilde doden en nog steeds succes in zijn doel wilde hebben, ook nadat hij wist dat de cartoonwedstrijd was afgelast.
Dat de verdachte enkel wilde demonstreren wordt weliswaar bevestigd door de verklaring van [naam 15] , maar de rechtbank acht deze verklaring onbetrouwbaar. [naam 15] is een neef van de verdachte en uit de opgenomen gesprekken die de verdachte vanuit de penitentiaire inrichting met hem heeft gevoerd, volgt dat zij hebben gesproken over de inhoud van de verklaringen: [naam 15] moest van de verdachte benadrukken dat het ging om protesteren.

Daarnaast heeft de verdachte op 21 augustus 2018 een video op Facebook geplaatst waarin hij spreekt over posters en zegt hij op 22 augustus 2018 in een chatgesprek op WhatsApp dat hij naar Nederland gaat om te protesteren. De rechtbank acht deze twee uitspraken eveneens onvoldoende als steun voor de verklaring van de verdachte. Deze zijn beide gedaan voordat de verdachte op 25 augustus 2018 naar Nederland is afgereisd. Bovendien zegt hij eveneens op 25 augustus 2018 (in de hierboven weergegeven chat 446) dat hij naar Nederland gaat om ‘die hond’ van zijn leven te beroven. Bij de verdachte zijn overigens ook geen posters (of ander materiaal om mee te protesteren of demonstreren) aangetroffen, en evenmin blijkt uit enig bewijsmiddel dat hij deze heeft gehad of heeft geprobeerd te krijgen.
In het dossier bevinden zich bovendien vele honderden berichten die tussen de verdachte en anderen zijn verzonden, waaronder een groot aantal waarin wordt gereageerd op verdachtes video van 27 augustus 2018. In al die gesprekken wordt niet gerefereerd aan protesteren. Deze gesprekken ontlasten de verdachte dus niet. In zijn reacties weerspreekt de verdachte nergens dat hij in Nederland is om [slachtoffer] te vermoorden. Steker nog, in zijn video zegt de verdachte juist dat demonstreren geen nut heeft.

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij wilde dat zijn video een bepaalde persoon zou bereiken. Deze persoon zou een groot geldbedrag hebben uitgeloofd aan de persoon die [slachtoffer] zou onthoofden. De rechtbank begrijpt hieruit dat dit de onder 3.1 genoemde Pakistaanse cricketspeler is. De verdachte heeft verklaard dat hij hem wilde bereiken zodat hij van hem hulp kon krijgen om te demonstreren, maar in het licht van al het voorgaande vindt de rechtbank dat volstrekt ongeloofwaardig.

De verdachte heeft verder verklaard dat hij in de video ‘uit emotie’ heeft gezegd dat hij [slachtoffer] naar de hel wilde sturen. Hij had slecht geslapen, hij had honger en dorst en was ook bang. In die situatie heeft hij de video opgenomen en de dingen daarin gezegd. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte op de video rustig en onverstoorbaar in de camera kijkt en spreekt. Daarnaast heeft de verdachte, zoals hiervoor onder de WhatsApp-gesprekken is weergegeven, al op 25 en 26 augustus 2018 en dus vóór het plaatsen van de video, gezegd dat hij [slachtoffer] wilde vermoorden.

De verdachte heeft ten slotte verklaard dat hij slechts sociaal wenselijke antwoorden heeft gegeven in de gesprekken waarin hij sprak over het vermoorden van [slachtoffer] . Op deze manier wilde hij geld krijgen voor zijn demonstratie. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig, mede gelet op het gesprek dat de verdachte op 27 augustus 2018 met [naam 8] had (chat 516). Dit gesprek is hiervoor onder de WhatsApp-gesprekken weergegeven. Hierin zegt [naam 8] dat hij de verdachte niet financieel kan helpen. Toch zegt de verdachte tegen hem onder meer “

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij enkel naar Nederland is gekomen om te demonstreren tegen de cartoonwedstrijd gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig.

Tussenconclusie

De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande het volgende:
De gedragingen van de verdachte passen bij zijn plan om naar Nederland te komen om [slachtoffer] te vermoorden. Hij was bezig met de voorbereiding van de uitvoering van dit plan.

Tussenconclusie oogmerk van de verdachte en voorbereiding

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het oogmerk had om [slachtoffer] te vermoorden en dat hij de bewezen te verklaren feitelijke gedragingen heeft verricht ter voorbereiding van moord op [slachtoffer] . In het dossier bevindt zich onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel ‘medeplegen’.
arabic

De verdachte is vanuit Frankrijk naar Nederland gereisd met een doel/missie.

De verdachte heeft meerdere malen gezegd dat hij [slachtoffer] wilde vermoorden.

De verdachte heeft nog steeds een missie nadat de cartoonwedstrijd al is afgelast.

De verdachte stelt zichzelf gelijk aan drie [naam 9] ’s die iemand hebben gedood vanwege het beledigen van de profeet Mohammed.

3.4.4
Terroristisch oogmerk?

Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van moord op [slachtoffer] . De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de moord die hij wilde plegen, zou worden begaan met een terroristisch oogmerk.

Juridisch kader

In artikel 83a Sr staat wat onder terroristisch oogmerk moet worden verstaan. Het komt erop neer dat het oogmerk van de verdachte erop moet zijn gericht om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid/internationale organisatie te dwingen iets te doen, te dulden of na te laten, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land/internationale organisatie te ontwrichten of te vernietigen.
Hierbij staat voorop dat een terroristisch oogmerk niet hetzelfde is als iemands ideologische of religieuze motief of einddoel. Het gaat namelijk niet om de vraag de daad wordt gepleegd, maar om wat de verdachte met zijn daad concreet wilde bereiken.

Feiten en omstandigheden

Vast staat dat de verdachte van plan was om een moord te plegen op [slachtoffer] , lijsttrekker en fractievoorzitter van een politieke partij die is vertegenwoordigd in het parlement. De verdachte wist dat [slachtoffer] een prominent Nederlands politicus is. Zo zegt hij in een WhatsApp-bericht van 28 augustus 2018: en: .
De verdachte wenste [slachtoffer] van het leven te beroven vanwege de cartoonwedstrijd die deze zou gaan houden in het parlement. De rechtbank begrijpt uit de uitlatingen van de verdachte dat zijn doel tweeledig was: hij wilde de belediging van de profeet Mohammed vergelden, en de tentoonstelling verhinderen.

Met het oog hierop wilde de verdachte naar de plek van de cartoonwedstrijd gaan. In zijn video van 27 augustus 2018 zegt hij immers: (…) (De rechtbank begrijpt: de cartoonwedstrijd) En in een WhatsApp-bericht van 28 augustus 2018 zegt de verdachte: (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) . Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte [slachtoffer] op de plek van de cartoonwedstrijd in één van de parlementsgebouwen van het leven wilde beroven.

Conclusie

De verdachte was van plan [slachtoffer] , een bekend politicus, te vermoorden vanwege een door hem georganiseerde cartoonwedstrijd in één van de parlementsgebouwen. Hij wilde hiermee concreet bereiken dat de belediging van de profeet Mohammed zou worden vergolden en dat de cartoonwedstrijd niet (verder) door zou gaan. Het is de vraag of dit is aan te merken als een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a Sr.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk van de verdachte er niet op was gericht om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Dat heeft ook niet ter discussie gestaan.

Wel was volgens de officier van justitie bij de verdachte sprake van een oogmerk gericht op het wederrechtelijk dwingen van een overheid of internationale organisatie iets te doen, namelijk het stoppen van de cartoonwedstrijd. De rechtbank deelt dit standpunt echter niet.

Uit het dossier blijkt namelijk dat de verdachte maar één doelwit had: [slachtoffer] . In de ogen van de verdachte was de organisator van de cartoonwedstrijd. Dat de verdachte in het bijzonder ook de Nederlandse overheid wilde dwingen de cartoonwedstrijd te stoppen, blijkt niet uit het dossier. Evenmin komt uit het dossier naar voren dat de verdachte [slachtoffer] als de overheid. Ten slotte is van belang dat de verdachte [slachtoffer] van het leven wilde beroven vanwege diens politieke activiteiten de Tweede Kamer der Staten-Generaal en niet zozeer vanwege zijn specifieke rol van parlementariër, in welke rol hij geacht moet worden invloed te hebben op het handelen van de Nederlandse regering.

De rechtbank is daarom van oordeel dat [slachtoffer] , als het gaat om de plannen en het oogmerk van de verdachte, niet kan worden begrepen onder ‘de overheid’ als bedoeld in artikel 83a Sr. Toch is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuldig is aan het voorbereiden van een moord met een terroristisch oogmerk. Hiervoor is het volgende van belang.

De verdachte wilde een moord plegen op [slachtoffer] vanwege het houden van een cartoonwedstrijd die hij in zijn hoedanigheid van politicus organiseerde met gebruikmaking van zijn recht op vrijheid van meningsuiting.

Dit grondrecht is één van de fundamenten van onze democratische samenleving. Een democratische samenleving kenmerkt zich door pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid en vergt daarom dat er ook ruimte is voor het uitdragen van informatie, denkbeelden en opvattingen die de Staat of een groot deel van de bevolking choqueren, kwetsen of verontrusten. Dat recht geldt in het bijzonder ook voor politici die zich – binnen of buiten het parlement – mengen in het voor het functioneren van de democratie zo belangrijke publieke debat, door daarin hun politieke boodschap te verkondigen.

Wat de verdachte beoogde met het vermoorden van [slachtoffer] was het verwijderen van een prominent politicus uit dit publieke debat, om zodoende te bereiken dat deze zijn politieke boodschap niet meer zou kunnen verkondigen. De verdachte wilde deze moord nota bene plegen in één van de gebouwen van het parlement: ook feitelijk het hart van de Nederlandse democratie. Gelet hierop zou de door de verdachte voorbereide moord een ontwrichting betekenen van de fundamentele politieke en constitutionele structuren, als bedoeld in artikel 83a Sr en het handelen van de verdachte was blijkens zijn uitlatingen daarop ook gericht.

Het voorgaande brengt mee dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk.

3.4.5
Bedreiging met een terroristisch misdrijf?
Overweging ten aanzien van de bedreiging met een terroristisch misdrijf

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met een terroristisch misdrijf is vereist dat de verdachte een (geloofwaardige) dreiging heeft geuit, dat de uitvoering van de bedreiging een terroristisch misdrijf zou opleveren en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde(n) de redelijke vrees kon ontstaan dat het terroristisch misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft de verdachte gehandeld met een terroristisch oogmerk en heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd voor een terroristisch misdrijf. De verdachte was van plan om een terroristische aanslag op [slachtoffer] te plegen. Uit de aangifte volgt dat [slachtoffer] zich ernstig bedreigd heeft gevoeld. De rechtbank is van oordeel dat onder de vastgestelde feiten en omstandigheden in het algemeen bij [slachtoffer] een redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte hem van het leven zou beroven. Daaraan doet niet af dat [slachtoffer] pas van de bedreiging op de hoogte was nadat de verdachte door de politie was aangehouden. Immers, de verdachte zal op enig moment weer vrijkomen en in de video werden anderen opgeroepen de verdachte te helpen bij het uitvoeren van zijn dreigement.
De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf.

3.4.6
Opruiing en verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen
1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt. 3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.
Juridisch kader
_057dc43e-af30-43ce-bdc1-d0338ba29984

Opruiing is strafbaar gesteld in artikel 131 Sr. Dit artikel luidt als volgt:
Strafbare opruiing is het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Tussen de opruiing en het strafbare feit waartoe wordt opgeruid dient een rechtstreeks verband te bestaan. De opruiing kan op directe of indirecte wijze plaatsvinden.

Opruiing is niet het dwingen van iemand tot een feit, maar veeleer het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om dat feit te bewerkstelligen. Zij is dus een zodanige voorstelling van de wenselijkheid of noodzakelijkheid als geschikt is om de overtuiging daarvan bij anderen op te wekken.

Zij kan de vorm van een verzoek, een aansporing, aannemen, en ook in een imperatieve vorm worden gegoten. Opruiing kan ook liggen in het uiting geven aan hoge morele waardering voor een handeling.

De opruiing is reeds voltooid als de uiting door de opruier is gedaan. Niet vereist is dat de opruiing enig resultaat heeft, bijvoorbeeld dat het publiek kennis heeft genomen van het opruiend geschrift. Of het feit waartoe wordt opgeruid volgt, doet er niet toe.

Opruiing geschiedt in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.

Verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen is strafbaar gesteld in artikel 132 Sr. Dit artikel luidt als volgt:

Voor het verspreiden van een geschrift of afbeelding ter opruiing geldt eveneens dat enig resultaat niet is vereist. De dader hoeft voorts niet te weten dat hetgeen waartoe wordt opgeruid, strafbaar is gesteld. Waar het om gaat is dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven.

EVRM

Bij de beoordeling of een uiting of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt dient te worden getoetst aan de vrijheid van meningsuiting – zoals beschermd door artikel 10 van het EVRM – dat immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort. Een beperking van dit grondrecht is alleen toegestaan indien deze (i) bij wet is voorzien, (ii) een geoorloofd doel dient en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. De strafbaarstelling van opruiing en verspreiding ter opruiing is bij wet voorzien en dient een geoorloofd doel, te weten het voorkomen van andere strafbare feiten. Vervolgens moet worden getoetst of in een concreet geval deze wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang). Een aanvaardbare beperking van deze vrijheid dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit. Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uiting of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.
De jurisprudentie van het EHRM op dit gebied is sterk casuïstisch van aard en kan niet één op één worden toegepast op de onderhavige zaak. Wel is duidelijk dat artikel 10 van het EVRM een grote ruimte biedt tot het vrijelijk uitdragen van meningen, ook als die meningen choqueren, kwetsen of verontrusten. Dat vereisen het pluralisme, de tolerantie en ruimdenkendheid, die een democratische samenleving kenmerken. De grens ligt evenwel bij uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Bij de beoordeling of die grens is overschreden spelen vele factoren spelen een rol. Het is de wisselwerking tussen de diverse factoren, veeleer dan één enkele factor, die “context-specifiek” de uitkomst van die beoordeling bepaalt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor onder 3.4.4 vastgesteld dat de verdachte van plan was om [slachtoffer] te vermoorden. De verdachte had hierbij een terroristisch oogmerk. De verdachte heeft een video opgenomen en op zijn openbare Facebook-account geplaatst. In zijn video zegt de verdachte dat hij een missie heeft vanwege de belediging van de profeet Mohammed. Hij benoemt zijn missie als iets wenselijks en iets noodzakelijks. Als Allah het wil, gaat het hem lukken en zolang als hij leeft, zal hij zich hiervoor inzetten. De verdachte wist dat hij een groot bereik had met zijn Facebook-account. In zijn video heeft hij verzocht om alle soorten hulp bij zijn missie. De verdachte sprak hierbij tot al zijn Moslimbroeders. Door zo te handelen heeft de verdachte anderen aangespoord om hem te helpen bij een terroristisch misdrijf. Dit zou in elk geval op zijn minst genomen medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer] met een terroristisch oogmerk opleveren.
Nederland heeft de internationale verplichting terrorisme te bestrijden. De beperking van de vrijheid van meningsuiting is dus bij wet voorzien, dient een geoorloofd doel en is noodzakelijk in een democratische samenleving. Met andere woorden, artikel 10 van het EVRM biedt geen bescherming aan hen die opruien tot terroristische misdrijven dan wel afbeeldingen die daartoe opruien verspreiden.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met zijn video in het openbaar mondeling en bij afbeelding schuldig heeft gemaakt aan opruiing.

Verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen en opruiing liggen veelal in elkaars verlengde. De verdachte heeft de opruiende video op zijn openbare Facebook-account geplaatst en heeft iedereen verzocht deze te delen. De rechtbank komt daarmee ook tot bewezenverklaring van verspreiding en openlijke tentoonstelling ter verspreiding daarvan.

3.5
De bewezenverklaring
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en- gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich heeft verschaft,
- inlichtingen ingewonnen over de cartoonwedstrijd en de organisator en
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.hij in de periode van augustus 2018 tot en met 28 augustus 2018 te 's-Gravenhage en Amsterdam, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van het te plegen misdrijf omschreven in artikel 289(a) van het Wetboek van Strafrecht, te weten:
moord op [slachtoffer] (lid van de Tweede Kamer), te begaan met een terroristisch oogmerk,

immers is/heeft hij, verdachte,

2.hij op 27 augustus 2018 te 's-Gravenhage, [slachtoffer] (lid van de Tweede Kamer), heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk een video op Facebook geplaatst waarin hij een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en hem, verdachte, te helpen en door in de video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en met Gods wil die persoon zal bereiken en naar de hel te sturen;
3.hij op 27 augustus 2018 te ’s-Gravenhage, in het openbaar, mondeling en middels afbeelding, in een video heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid een terroristische misdrijf inhoudt, middels:het maken van een video op Facebook waarin hij, verdachte, een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en hem, verdachte te helpen en door in deze video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en hij met Gods wil die persoon zal bereiken en als hij in leven zal blijven hij, verdachte zijn doel zal (blijven) bereiken:
en

hij op 27 augustus 2018 te 's-Gravenhage, een afbeelding, een video waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid, heeft verspreid openlijk tentoongesteld om te verspreiden, terwijl hij wist dat in afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft verdachte:een video op Facebook geplaatst waarin hij een oproep doet aan zijn Moslim broers om in naam van de Profeet alles op te offeren en hem, verdachte te helpen en door in deze video te zeggen dat de belediger van Mohamed zijn enige doelwit is en hij met Gods wil die persoon zal bereiken en zegt dat als hij in leven zal blijven hij verdachte zijn doel zal (blijven) bereiken en (daarbij) heeft verzocht deze videoproep te delen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

-

in Amsterdam verbleven en zich nader laten informeren over de exacte plaats van de cartoonwedstrijd en

van Amsterdam naar Den Haag gereisd en

middels het posten van een video op internet om financiële hulp en onderdak voor zijn missie gevraagd om “die hond, die onbeschaafde naar de hel te sturen” en

spullen voor zijn missie aangeschaft en vervolgens verborgen en

inlichtingen ingewonnen en zich laten informeren over waar de cartoonwedstrijd werd gehouden en hoe de Tweede Kamer is ingedeeld en wie de voorzitter van de Tweede Kamer is en vervolgens

de route naar en omgeving van het Parlement heeft verkend en foto’s van het binnenhof heeft gemaakt;

4

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

Door de verdediging is een beroep gedaan op psychische overmacht.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De door de verdediging aangevoerde culturele achtergrond en religieuze overtuiging van de verdachte zijn niet een dergelijke van buiten komende drang. Het beroep wordt dan ook verworpen.

De verdachte is daarom eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een hoge gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd niet gepast is. Zij heeft daarbij verwezen naar andere strafzaken die volgens de verdediging vergelijkbaar zijn en waarin aanzienlijk lagere straffen zijn opgelegd.

6.3
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte is vanuit Frankrijk naar Nederland gereisd om een terroristische aanslag te plegen op de bekende politicus [slachtoffer] , nadat hij had gehoord dat [slachtoffer] een cartoonwedstrijd aankondigde met als onderwerp de profeet Mohammed.
Hij heeft vervolgens een video van zichzelf gemaakt en deze op zijn facebook-account geplaatst. In de video spreekt hij tot zijn Moslim broers en vraagt hij hulp om hem in zijn doel te laten slagen. De verdachte bedoelde daarmee dat hij [slachtoffer] wilde doden.

In de video gebruikt de verdachte woorden die opruiend en bedreigend zijn ten aanzien van [slachtoffer] . Ook heeft de verdachte aan alle kijkers verzocht om de video zoveel mogelijk te delen. Uit onderzoek is gebleken dat de video tienduizenden keren is bekeken en gedeeld. De verdachte heeft zich met het plaatsen van de video ook schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer] met een terroristisch misdrijf en opruiing tot een dergelijk terroristisch misdrijf.

Dat de verdachte er niet in is geslaagd [slachtoffer] te doden, is te danken aan de melder die de politie attent maakte op de plaatsing van de video en aan het adequate optreden van diezelfde politie.

Was de verdachte wel in zijn doel geslaagd dan had hij niet alleen het leven van [slachtoffer] ontnomen, maar tegelijkertijd een aanslag gepleegd die een enorme impact zou hebben gehad op de Nederlandse democratische samenleving. Daarbij valt te denken aan politici die hun werk niet meer aandurven of onder zodanige veiligheidsmaatregelen moeten werken dat zij hun werk niet meer goed kunnen of willen uitoefenen. [slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij al jaren extra beveiligd wordt als gevolg van bedreigingen zoals die van de verdachte, waardoor hij in zijn bezigheden zowel op het gebied van zijn politieke als zijn privéleven ernstig wordt belemmerd. Ten slotte had de aanslag een golf van angst, afschuw, en gevoel van onveiligheid over Nederland en waarschijnlijk ook buiten de grenzen daarvan doen gaan. De rechtbank vindt de door de verdachte gepleegde strafbare feiten dan ook bijzonder ernstig.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 9 juli 2019. Hieruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld.
Uit het triple-onderzoek Pro Justitia van 5 juni 2019 verricht door mw. [psychiater] , dhr. [GZ-psycholoog] en dhr. [forensisch milieuonderzoeker] , blijkt dat bij de verdachte een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet kan worden aangetoond, maar ook niet worden uitgesloten. De deskundigen concluderen daarom dat er geen aanleiding is om de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is gelet op de conclusies van deskundigen van oordeel dat de door de verdachte gepleegde feiten volledig aan hem moeten worden toegerekend.

Herhalingsgevaar

De rechtbank concludeert dat de verdachte nog altijd tot doel heeft om [slachtoffer] te vermoorden. Dit blijkt ten eerste uit de telefoongesprekken die de verdachte in de P.I. met zijn moeder voerde nadat hij was aangehouden en hem bekend was dat de cartoonwedstrijd was afgelast. In deze gesprekken zegt de verdachte dat hij nog steeds in zijn doel succes wil hebben en dat zijn moeder daarvoor moet bidden. Hij noemt zichzelf een ‘ [naam 9] ’ (een strijder voor de islam) en vergelijkt zich met andere [naam 9] ’s die iemand hebben vermoord vanwege belediging van de profeet Mohammed.
In het Pro Justitia rapport concluderen de deskundigen dat er risicofactoren zijn voor gewelddadig extremisme. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in een gesprek dat de verdachte had met de psycholoog op 3 september 2018. In dit gesprek gaf de verdachte te kennen dat hij een missie heeft in zijn leven en mensen als [slachtoffer] (de verdachte bedoelde hier: mensen die de profeet beledigen) moet stoppen. Dit is zijn plicht als moslim. Hij legde uit dat mensen die de profeet beledigen in Pakistan de doodstraf krijgen van de staat. In Nederland laat de staat na om de doodstraf te geven aan [slachtoffer] dus is het je plicht als moslim om over te gaan tot actie. Dit kan met woorden of met daden. De verdachte gaf aan dat wanneer woorden geen zin hebben, je over mag gaan op daden. Hij vertelde dat hij veel mensen erg gelukkig zou maken wanneer hij [slachtoffer] zou doden (hij refereerde hierbij ook aan de politieke sentimenten in Pakistan). Tevens gaf hij in het gesprek met de psycholoog aan dat het doden van [slachtoffer] zou worden gezien als een goede daad en dat hij zou er zijn leven voor willen geven. Een vergelijkbaar gesprek voerde de verdachte eerder met psychiater De Jong in verband met een consult ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris.Ten slotte verontrust het de rechtbank ten zeerste dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de strafzaak hem in Pakistan een positief imago heeft gegeven.
De hoogte van de straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf acht geslagen op de ernst van de feiten, zoals hiervoor omschreven, en op het herhalingsgevaar. Dit alles rechtvaardigt een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om in strafverminderende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank houdt er rekening mee dat voor feit 3 geldt dat sprake is van eendaadse samenloop.

Volgens het systeem van de wet kan de rechtbank in deze zaak een maximale gevangenisstraf opleggen van dertien jaren en vier maanden.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een hogere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank veroordeelt de verdachte daarom tot een gevangenisstraf van tien jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank - overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging - gelasten dat de op de beslaglijst vermelde pet, simkaarten, ticket, bonnen, verzorgingsartikelen, pasfoto, geld e