Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:11872

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:11872, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 19/4321 en AWB 19/4322


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK DEN HAAG [eiser/verzoeker] ,

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/4321 (beroep) AWB 19/4322 (voorlopige voorziening)
V-nummer: 139.398.0427

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 november 2019 in de zaken tussen

geboren op [geboortedag] 1951, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder(gemachtigde: mr. F. Saglik).

ECLI:NL:RBDHA:2019:11872:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG [eiser/verzoeker] ,
Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/4321 (beroep) AWB 19/4322 (voorlopige voorziening)
V-nummer: 139.398.0427

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 november 2019 in de zaken tussen

geboren op [geboortedag] 1951, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder(gemachtigde: mr. F. Saglik).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 14 juni 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 juni 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 3 juni 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [maatschappelijk werker] , maatschappelijk werker. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Eiser is geboren in Suriname en in 1980 Nederland ingereisd. In 1993 is eiser ongewenst verklaard, in 1994 is hij teruggekeerd naar Suriname. In 2014 is eiser Nederland weer ingereisd waarna zijn ongewenstverklaring is opgeheven.
1.2
Op 14 juni 2018 heeft eiser de hier aan de orde zijnde aanvraag ingediend. Hij beoogt verblijf in Nederland op basis van overige humanitaire gronden.
2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen en de afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en kan hij geen vrijstelling van het mvv-vereiste krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser kan ook geen geslaagd beroep doen op de hardheidsclausule.
3. Eiser voert aan dat ten onrechte een zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde belangen achterwege is gebleven. Zo is eiser van mening dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat al zijn nog levende familieleden in Nederland wonen. Zijn familieleven met zijn broers en zusters is zeer hecht en sterk. Voorts stelt eiser dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat eiser in totaal al negentien jaar lang in Nederland woont en hier is opgenomen in de kring van zijn familieleden en van de Evangelische broedergemeente. Ook heeft verweerder volgens eiser onvoldoende meegewogen dat hij in Suriname niets heeft. Hij heeft daar geen familie, geen huisvesting en geen middelen van bestaan. Ook bestaat er in Suriname geen sociaal-economische wetgeving die hem hulp kan bieden. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat een terugkeer geen ‘certain degree of hardship’ met zich mee zal brengen. Eiser wijst in dat kader op zijn hoge leeftijd, de daarmee gepaard gaande medische klachten en het feit dat hij sociaal niet zelfredzaam is.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, in het kader van familie- en gezinsleven, kan dit beroep niet slagen. Eisers moeder is op 5 september 2019 overleden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser het gestelde familieleven met zijn broers en zusters op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
5.1
Uitgaande van beschermenswaardig privéleven, gelet op eisers langdurige verblijf in Nederland, moet er vervolgens een belangenafweging gemaakt worden, hetgeen verweerder ook heeft gedaan. De rechtbank zal nagaan of verweerder dit op de juiste wijze heeft gedaan en of alle relevante feiten en omstandigheden daarbij zijn betrokken. Verweerder komt tot de conclusie dat de situatie waarin eiser zich bevindt grotendeels is te wijten aan zijn eigen keuzes in het verleden. Verondersteld wordt dat eiser bekend is met de Surinaamse cultuur en dat er geen onoverkomelijke obstakels zijn voor hem om zich weer in dat land te vestigen.
5.2
De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven dat eiser op leeftijd is (68) en, zoals ter zitting ook is gebleken, weinig sociale vaardigheden heeft, wat deels samenhangt met het stotteren. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat er voor eiser geen ‘certain degree of hardship’ zal zijn om terug te keren naar Suriname, dan wel zich daar te vestigen, zoals bedoeld in het arrest Jeunesse tegen Nederland. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, op basis van de gemaakte belangenafweging niet zonder meer kunnen concluderen dat niet is gebleken van onoverkomelijke obstakels bij terugkeer van eiser naar Suriname.
6. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder door het recente overlijden van de moeder van eiser ook voor het eerst aandacht zal moeten besteden aan de wens van eiser om het graf van zijn moeder op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam te kunnen bezoeken. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
8. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
- wijst het verzoek af.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 348,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1536,-.
De rechtbank,in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/4321,
De voorzieningenrechter,in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/4322,
De rechtbank/voorzieningenrechter,in alle zaken,
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.S. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

_1bc38580-2bdc-466f-8103-d5fd081fb0b6
1

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

_b05b2463-812b-44ca-846e-148b3a48e306
2

Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaak nr. 12738/10 van 3 oktober 2014