Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:11385

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 29-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 01-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:11385, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/2836


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG [verdachte] ,

Strafrecht

Parketnummer : 09/765004-19Kenmerk RK : 19/2836Datum beschikking: 1 november 2019
Beschikking van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van:

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] .hierna ook: verdachte.

ECLI:NL:RBDHA:2019:11385:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG [verdachte] ,
Strafrecht

Parketnummer : 09/765004-19Kenmerk RK : 19/2836Datum beschikking: 1 november 2019
Beschikking van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van:

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] .hierna ook: verdachte.
Procesverloop

1. Het bezwaarschrift is blijkens een daarvan opgemaakte akte op 3 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
2. De rechtbank heeft op 4 oktober 2019 het bezwaarschrift in raadkamer behandeld. Verdachte is -hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen, wel aanwezig was zijn raadsvrouw, mr. A.H.J. Saes, advocaat te Amsterdam.
3. De officier van justitie mr. W. Bos heeft het standpunt van het openbaar ministerie omtrent het bezwaarschrift in raadkamer verwoord. De raadsvrouw heeft daarop gereageerd, waarna de procespartijen hebben gere- en dupliceerd. De rechtbank heeft, na kort beraad, aan de officier van justitie verzocht op enige specifieke punten nader te reageren, hetgeen hij heeft gedaan, waarna de raadsvrouw daarover eveneens het woord heeft gevoerd. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat de beslissing op het bezwaarschrift heden op een niet-openbare zitting zal worden uitgesproken.
Feiten

4. De volgende feiten en omstandigheden hebben bij de behandeling van bezwaarschrift in raadkamer niet ter discussie gestaan, zodat de rechtbank deze bij de beoordeling tot uitgangspunt zal nemen.
a. Verdachte is op 19 april 2017 door de rijksrecherche aangehouden als verdacht van het plegen van één of meer van de misdrijven, strafbaar gesteld bij de artikelen 245, 247, 248a en 248b van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd te Amsterdam in de periode van 2014 tot en met 2017.
b. In het politieonderzoek -genaamd 13Oscoda-, op basis waarvan verdachte is aangehouden, zijn tevens elf andere verdachten aangehouden.
c. Het onderzoek 13Oscoda werd vanuit het arrondissementsparket te Amsterdam vanaf het begin geleid door de aldaar werkzame officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak (hierna ook: mr. Duyvendak), die ook aanwezig was bij de huiszoeking die gelijktijdig met de aanhouding van verdachte op 19 april 2017 in diens woning plaatsvond.
d. In een later stadium van het onderzoek is daarin, naast mr. Duyvendak, als zaaksofficier mede gaan optreden mevr. mr. N.M. Smits (hierna ook: mr. Smits), aanvankelijk eveneens werkzaam bij het arrondissementsparket aan het IJdok te Amsterdam, thans bij het landelijk parket.
e. Verdachte is op 21 april 2017 op basis van een vordering tot inbewaringstelling voorgeleid aan de rechter-commissaris te Amsterdam. Bij het verhoor van verdachte op de vordering was aanwezig mr. Duyvendak. De rechter-commissaris heeft de vordering tot inbewaringstelling afgewezen.
f. Verdachte is door de rechter-commissaris te Amsterdam nader gehoord op 12 juli 2018. Bij dat verhoor waren aanwezig mrs. Duyvendak en Smits.
g. Verdachte was ten tijde van zijn aanhouding, en ook in de daaraan voorafgaande periode waarop de verdenking tegen hem ziet, werkzaam als plaatsvervangend hoofofficier van justitie bij het functioneel parket. In die hoedanigheid hield hij kantoor aan het IJdok te Amsterdam.
h. De leiding van het arrondissementsparket te Amsterdam heeft zich de vraag gesteld of er aanleiding was om met betrekking tot verdachte een verzoek te doen als bedoeld in artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv), het wetsartikel dat bepaalt (samengevat) dat als een rechterlijk ambtenaar binnen het ressort van zijn rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd, op verzoek van het openbaar ministerie door de Hoge Raad een ander gerecht wordt aangewezen waarvoor de vervolging en berechting van de zaak zal plaatsvinden.
i. Ter beantwoording van die vraag heeft de leiding van het Amsterdamse parket advies ingewonnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (hierna: W.B.O.M.). Dat bureau heeft op 2 november 2018 een advies uitgebracht waarvan de conclusie als volgt luidt:
j. De hoofdofficier van justitie bij het Amsterdamse parket heeft op 11 december 2018, onder verwijzing naar en met bijvoeging van het W.B.O.M.-advies, op basis van artikel 510 Sv het verzoek aan de Hoge Raad gedaan om, alvorens er enige definitieve vervolgingsbeslissing wordt genomen, een gerecht aan te wijzen waar de mogelijke vervolging en berechting van verdachte zal dienen plaats te vinden.
k. De Hoge Raad heeft op 22 januari 2019 op het verzoek beslist. Het dictum van die beslissing luidt als volgt:
l. De Hoge Raad heeft zijn beslissing gemotiveerd met (onder meer) de volgende overwegingen:
Er bestaat al met al geen zekerheid over de toepasselijkheid van artikel 510 Sv bij een verdenking gerezen tegen een officier van justitie bij het functioneel parket. Gelet op de omstandigheid dat:

• ook in geval van een dergelijke verdenking van belang is dat deze officier van justitie zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden,• een verzuim hierin bestaande dat het OM nalaat zich op de voet van artikel 510 Sv tot de Hoge Raad te wenden met het verzoek tot aanwijzing van een gerecht, nietigheid meebrengt van het gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken,• in het toekomstig recht de opvolger van artikel 510 Sv, te weten artikel 6.1.4.1, eerste lid, Boek 6 Sv, van toepassing is op (onder meer) rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het functioneel parket,• met de behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 Sv door de Hoge Raad weinig tot zeer weinig tijd heengaat,
moet het zeer verstandig worden geacht dat het OM dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, zich met een verzoekschrift tot de Hoge Raad wendt waarin aan de Hoge Raad wordt verzocht het gerecht aan te wijzen waarvoor vervolging en berechting dient plaats te vinden. In dat verzoekschrift kan open kaart worden gespeeld door aan te geven dat het OM niet zeker weet of indiening daarvan in de betreffende situatie verplicht is maar dat het OM geen risico wenst te lopen op nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken.

De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.

4.2.
De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:A03669).
4.3.
Uit het doel en de strekking van art. 510 Sv volgt dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een bij het functioneel parket werkzaam rechterlijk ambtenaar tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een gerecht waarbij hij op grond van art. 139b, eerste lid, RO de vervolging pleegt of placht in te stellen. Hetzelfde geldt ook voor een bij het landelijk parket werkzaam rechterlijk ambtenaar. Vervolgens is het aan de Hoge Raad om naar aanleiding van het in te dienen verzoekschrift naar bevind van zaken een gerecht aan te wijzen ter waarborging dat de betrokkene zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden.
m. De raadsvrouw van verdachte heeft zich naar aanleiding van het feit dat zij (via publicatie op rechtspraak.nl) kennis had genomen van de beschikking van de Hoge Raad per brief tot mr. Duyvendak gewend. In die brief staat onder meer het volgende:
n. Op 5 maart 2019 heeft mr. Smits (onder meer) het volgende aan de raadsvrouwper email bericht:
o. Op 7 maart 2019 heeft de raadsvrouw per brief het volgende aan mr. Smits bericht:
p. Mr. Smits heeft laatstgenoemde brief van de raadsvrouw per email van 18 maart 2019 beantwoord, en wel als volgt:
q. Nadat de Hoge Raad zijn beslissing had genomen, is het strafdossier, dat zich bij de rechter-commissaris te Amsterdam bevond, overgedragen aan de rechter-commissaris te Den Haag. Deze heeft op 15 april 2019 een regiebijeenkomst gehouden. Daarbij was het openbaar ministerie vertegenwoordigd door mr. Smits.
r. In overleg tussen de voorzitter van de meervoudige strafkamer te Den Haag, de officieren mrs. Duyvendak en Smits alsmede de raadsvrouw zijn data bepaald voor een regiezitting (4 oktober 2019) en de inhoudelijke behandeling (7 november 2019).
s. Op 29 augustus 2019 is aan verdachte de dagvaarding betekend tegen de zitting van deze rechtbank van 4 oktober 2019, teneinde terecht te staan op verdenking van twee cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten, gebaseerd op de artikelen 248a en 248b van het Wetboek van Strafrecht. Bovenaan die dagvaarding staat “Arrondissementsparket Den Haag”. De dagvaarding is voorzien van een stempel dat de handtekening van de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag weergeeft.
t. Naar blijkt uit op rechtspraak.nl gepubliceerde vonnissen van 27 september 2019, hebben tien (andere) verdachten uit het onderzoek 130scoda inmiddels terecht gestaan voor de rechtbank te Amsterdam. In zes van die zaken werd het openbaar ministerie ter zitting vertegenwoordigd door mr. Smits, in vier zaken door mr. Duyvendak.
Wij zullen ons tot het parket van Den Haag wenden. Kunt u ons vertellen wie de nieuwe zaaksofficier wordt?

Inmiddels is besloten dat de zaak formeel aan het Haagse parket wordt overgedragen en dat mijn collega Duyvendak en ik zaaksofficieren zullen blijven.

Middels deze brief reageer ik op uw e-mail dd. 5 maart 2019. In deze e-mail schrijft u .

De Hoge Raad besliste op 22 januari 2019 dat hij . Uw beslissing komt daarom onverwacht.

Uw beslissing is in strijd met deze beschikking en met de ratio van artikel 510 Sv. De ratio van artikel 510 Sv is dat elke schijn van een partijdige vervolging en berechting dient te worden vermeden indien een rechterlijk ambtenaar wordt verdacht van een strafbaar feit. In een dergelijk geval wijst de Hoge Raad op een verzoekschrift van het Openbaar Ministerie een ander arrondissement of ressort aan dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is/was voor het nemen van de vervolgingsbeslissingen en voor de eventueel daarop volgende berechting van die rechterlijk ambtenaar. Dit verzoekschrift moet het Openbaar Ministerie indienen op het moment dat er een verdenking tegen een rechterlijk ambtenaar is ontstaan, spoedgevallen daargelaten.

Het Openbaar Ministerie had dus al een verzoek ex artikel 510 Sv moeten doen op het moment dat (verdachte) in januari 2017 als verdachte werd aangemerkt of in ieder geval toen de verdediging in april 2018 een verzoek om buitengerechtelijke afdoening deed. Desondanks heeft het Arrondissementsparket Amsterdam het gezag over het strafrechtelijk onderzoek bij zich gehouden en in dat kader vele (vervolgings)beslissingen genomen, inclusief de beslissing tot verdere vervolging.

Uw beslissing zoals verwoord in uw e-mail van 5 maart jl. om, ondanks het verzoek ex artikel 510 Sv en ondanks de daaropvolgende beschikking van de Hoge Raad, betekent dat de vervolgende instantie slechts op papier het Haagse parket wordt.

Gelet op het feit dat er geen tussentijds rechtsmiddel tegen deze beslissing van het Openbaar Ministerie open staat, richt ik mij tot u met het verzoek om uw beslissing te herzien. Mocht u daar niet toe bereid zijn, zal de verdediging uw beslissing te zijner tijd aan de Rechtbank Den Haag voorleggen.

In reactie op uw verzoek om de beslissing dat de zaak wordt overgedragen aan het Haagse parket en dat mijn collega mr. Duyvendak en ik zaaksofficieren blijven, te herzien, het volgende.

Voor de goede orde deel ik u mede dat dit niet mijn beslissing is, maar die van de Haagse parketleiding.

De regeling van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering moet met name voorkomen dat indien een verdenking is gerezen tegen een rechterlijk ambtenaar, deze zou worden berecht voor de rechtbank waar deze persoon zaken voor/mee heeft gedaan en dus een band mee heeft. Dit heeft tot doel de onpartijdigheid van de rechtspleging te verzekeren, reden waarom de rechtbank Den Haag is aangewezen.

Daarnaast, indien een verdenking tegen een officier van justitie is gerezen, moet worden voorkomen dat deze door collega’s van zijn of haar eigen parket wordt vervolgd. Daarvan is geen sprake. Verdachte was werkzaam bij het Functioneel Parket. mijn collega mr. Duyvendak en ik (destijds) bij het Arrondissementsparket. Daarmee is sprake van voldoende distantie.

De beslissing zal dan ook niet worden herzien.

Het bezwaarschrift

5. Het bezwaarschrift tegen de op 29 augustus 2019 aan verdachte betekende dagvaarding strekt er toe dat verdachte voor alle in die dagvaarding genoemde feiten buiten vervolging zal worden gesteld.
6. Aan het bezwaarschrift liggen, mede gelet op de nadere schriftelijke toelichting daarop en op de door de raadsvrouw in raadkamer gegeven toelichting, (samengevat) de volgende stellingen ten grondslag:
-

Het is hoogst onaannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in zijn strafvervolging.

Het openbaar ministerie heeft immers geen uitvoering gegeven aan de beschikking van de Hoge Raad van 22 januari 2019. Met name is geen uitvoering gegeven aan de eis dat de vervolging en berechting van de zaak zouden plaats hebben bij de rechtbank Den Haag , nu de oorspronkelijke Amsterdamse zaaksofficieren mrs. Smits en Duyvendak zaaksofficieren zijn gebleven.

Aldus is sprake van schending van artikel 510 Sv, waaraan de Hoge Raad het gevolg van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting verbindt, wat tot niets anders kan leiden dan tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging.

Reeds om deze reden dient de rechtbank verdachte buiten vervolging te stellen.

Daarvoor is nog een tweede reden, te weten dat het openbaar ministerie door het negeren van de beschikking van de Hoge Raad een zeer fundamentele inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

Het standpunt van het openbaar ministerie

7. De officier van justitie heeft in raadkamer primair geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift. Subsidiair, voor zover de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn in zijn strafvervolging, heeft de officier van justitie betoogd dat buitenvervolgingstelling van verdachte achterwege zou moeten blijven, opdat het openbaar ministerie de gelegenheid wordt geboden andere officieren aan de zaak te verbinden.
8. Op de argumenten die de officier van justitie ter onderbouwing van zijn standpunt in raadkamer naar voren heeft gebracht zal in het onderstaande worden ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank

9. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.
10. De kernvraag die door het bezwaarschrift en het daartegen gevoerde verweer aan de orde wordt gesteld luidt, of het openbaar ministerie wel of niet heeft voldaan aan hetgeen de Hoge Raad in haar beschikking van 22 januari 2019 heeft bepaald, te weten:
11. De rechtbank stelt vast dat, alleen al op grond van een zuiver grammaticale interpretatie van het dictum van de beslissing van de Hoge Raad, die beslissing onmiskenbaar inhoudt dat vanaf de datum van de beschikking alle (verdere) handelingen van het openbaar ministerie gericht op strafververvolging van verdachte in de onderhavige zaak dienden te worden verricht door (leden van) het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag, oftewel door leden van het Haagse arrondissementsparket. Daarover zijn ook het openbaar ministerie en de verdediging het eens.12. Vervolgens kan worden vastgesteld dat na de datum van de beschikking van de Hoge Raad vervolgingshandelingen zijn verricht door de aan het Amsterdamse parket, respectievelijk het landelijk parket, verbonden officieren van justitie mrs. Duyvendak en Smits, die van het begin af aan betrokken waren bij het onderzoek 13Oscoda en dus ook bij de opsporings- en vervolgingshandelingen jegens verdachte. Zij zijn immers, zoals dat door henzelf in correspondentie en ook door de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer is aangeduid . Na de datum van de beschikking van de Hoge Raad hebben zij, althans heeft één van hen, de regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris te Den Haag bijgewoond en overleg gepleegd met de voorzitter van de meervoudige strafkamer te Den Haag over de (verdere) planning van de zaak. Ten slotte hebben zij als zaaksofficieren de (verdere) vervolgingsbeslissing genomen en de dagvaarding opgesteld. Het was kennelijk de bedoeling dat zij in Den Haag zouden optreden als vertegenwoordigers van het openbaar ministerie op de regiezitting van 4 oktober 2019 en de inhoudelijke behandeling op 7 november 2019, op gelijke wijze als zij ook zijn opgetreden bij de behandeling van de zaken van de overige verdachten voor de rechtbank te Amsterdam.
13. De officier van justitie heeft in raadkamer betoogd dat het openbaar ministerie volledig heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 510 Sv en aan hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn op dat artikel gebaseerde beslissing. De officier van justitie heeft dit betoog onderbouwd met (samengevat en onder meer) de volgende stellingen.
- Mrs. Duyvendak en Smits zijn weliswaar officier van justitie bij het parket te Amsterdam respectievelijk het landelijk parket, maar op grond van artikel 136, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn zij tevens van rechtswege plaatsvervangend officier bij alle overige parketten, waaronder het parket Den Haag.
- Zij hebben vanaf de datum van de beschikking van de Hoge Raad, nadat de zaak formeel was overgedragen aan het Haagse parket, al hun (vervolgings)werkzaamheden als zaaksofficier in de zaak van verdachte verricht in hun hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie bij het parket Den Haag. Vanaf dat moment waren zij voor wat de zaak tegen verdachte betreft .
- Mrs. Duyvendak en Smits hebben hun werkzaamheden als plaatsvervangend officier bij het parket Den Haag verricht onder gezag van de Haagse parketleiding. Daartoe heeft die parketleiding zich uitgebreid door deze zaaksofficieren laten informeren. De Haagse parketleiding is ook betrokken geweest bij de definitieve beslissing om verdachte (verder) te vervolgen en de dagvaarding uit te brengen.
- Los daarvan heeft steeds voldoende distantie bestaan tussen enerzijds mrs. Duyvendak en Smits als zaaksofficieren en anderzijds verdachte. Mrs. Duyvendak en Smits waren weliswaar in hetzelfde gebouw werkzaam als verdachte, maar bij een ander parket. Bovendien kenden zij verdachte niet persoonlijk. Er is dan ook objectief gezien geen enkele aanleiding om te twijfelen aan hun onpartijdigheid in deze zaak.
14. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
15. Artikel 510 Sv verplicht het openbaar ministerie dat naar de gewone regels belast zou zijn met de vervolging van (naar thans vast staat: onder meer) de plaatsvervangend hoofdofficier van het functioneel parket, een verzoek aan de Hoge Raad te richten om een ander gerecht voor de vervolging en berechting aan te wijzen. In dit geval betekende dit dat het arrondissementsparket te Amsterdam de Hoge Raad diende te verzoeken een ander gerecht aan te wijzen, zoals ook is gebeurd.
16. Zoals de Hoge Raad reeds meermalen, en ook in de beschikking in deze zaak, uitdrukkelijk heeft overwogen, is de strekking van artikel 510 Sv te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie omtrent de vervolging. De Hoge Raad heeft aldus de werkingssfeer van artikel 510 Sv uitdrukkelijk uitgebreid tot de vervolging.
17. In verband hiermee kan de in deze zaak door de Hoge Raad gegeven beschikking niet anders worden verstaan, dan dat na de verwijzing naar de rechtbank Den Haag de zaak van verdachte niet slechts uitsluitend mocht worden door rechters in de rechtbank Den Haag, maar ook uitsluitend (verder) mocht worden door officieren van justitie, werkzaam bij het parket te Den Haag.
18. Daarmee verdraagt zich niet dat officieren van justitie die de zaak al eerder behandelden omdat zij werkzaam zijn bij het parket dat volgens de gewone regels belast zou zijn met de vervolging, ook na overdracht van de zaak aan het door de Hoge Raad aangewezen gerecht, bij de zaak betrokken blijven, maar dan op de titel dat zij tevens plaatsvervangend officier van justitie bij het parket bij dat andere gerecht zijn. Daardoor zou de werking en de bedoeling van artikel 510 Sv, zoals door de Hoge Raad uitgelegd, zodanig worden ontkracht dat dit artikel in feite een dode letter zou worden, evenals dat het geval zou zijn als rechters in het gerecht dat oorspronkelijk bevoegd was ook na de verwijzing door de Hoge Raad de zaak zouden gaan -of blijven- behandelen omdat zij nu eenmaal van rechtswege rechter-plaatvervanger zijn in alle andere rechtbanken, dus ook in het aangewezen gerecht (artikel 40, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
19. Dat betekent dat de juistheid van de stelling van het openbaar ministerie dat voldaan is aan de beslissing van de Hoge Raad doordat mrs. Duyvendak en Smits thans opereren als plaatsvervangend officier bij het parket Den Haag en daarmee niet kan worden aanvaard. De zaak diende, na de verwijzing, verder uitsluitend te worden behandeld door regulier bij het Haagse parket werkzame officieren van justitie die nog in het geheel niet bij de zaak betrokken waren.
20. Vorenstaand oordeel houdt tevens in dat de door de officier van justitie in raadkamer geponeerde stelling dat mrs. Duyvendak en Smit sedert de beslissing van de Hoge Raad hebben geopereerd onder het gezag van de Haagse parketleiding en dat die parketleiding betrokken was bij de vervolgingsbeslissing, niet ter zake doet. Die omstandigheid kan niet afdoen aan de onjuistheid van het (blijven) inzetten van mrs. Duyvendak en Smits als zaaksofficieren in de zaak van verdachte na de beslissing van de Hoge Raad.
21. Ook de stelling van het openbaar ministerie dat er in deze zaak objectief gezien sprake is van onpartijdigheid, immers van voldoende distantie bij mrs. Duyvendak en Smits, zoals verwoord door mr. Smits in haar email van 18 maart 2019 en in raadkamer door de officier van justitie herhaald, mist relevantie. Zoals reeds vermeld gaat het bij de toepassing van de regeling van artikel 510 Sv om het vermijden van subjectieve partijdigheid, oftewel de schijn van partijdigheid, waarbij objectieve omstandigheden van de specifieke zaak er niet toe doen.
22. Een en ander voert tot de slotsom dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de beslissing van de Hoge Raad, en wel door mrs. Duyvendak en Smits ook na die beslissing van de Hoge Raad in de zaak van verdachte vervolgingsbeslissingen te laten nemen, althans daaraan deel te laten nemen, met inbegrip van de beslissing om verdachte te dagvaarden voor deze rechtbank.
23. De Hoge Raad verbindt aan het ten onrechte niet volgen van de procedure van artikel 510 Sv het gevolg dat een inhoudelijke behandeling op basis van een dagvaarding die is uitgebracht zonder dat verwijzing heeft plaatsgevonden, nietig is, evenals alle naar aanleiding van die behandeling genomen beslissingen. Aangenomen moet worden dat de Hoge Raad heeft bedoeld hetzelfde gevolg te verbinden aan het wel volgen van de procedure van artikel 510 Sv, maar het vervolgens niet uitvoeren van de daarop gevolgde beslissing. Dat betekent dat een inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte op grond van de uitgebrachte dagvaarding nietig zal zijn.
24. In verband daarmee is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging. Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding is dan ook gegrond.
25. Artikel 262 Sv, dat ziet op de behandeling van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding, bepaalt dat indien de officier van justitie niet ontvankelijk is, de rechtbank de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging of een gedeelte daarvan buiten vervolging stelt.
26. De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank zou oordelen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, buitenvervolgingstelling van verdachte niettemin achterwege zou moeten blijven. De officier van justitie heeft dat standpunt onderbouwd door te betogen dat er in de rechtspraak van de Hoge Raad sprake zou zijn van een “jurisprudentiële uitzondering” op de in de vorige rechtsoverweging weergegeven hoofdregel (die buitenvervolgingstelling voorschrijft), welke uitzondering zou inhouden dat bij een herstelbare niet-ontvankelijkheid geldt dat niet de buitenvervolgingstelling wordt uitgesproken, maar uitsluitend de niet-ontvankelijkheid. Die uitzondering doet zich volgens het openbaar ministerie hier voor, omdat het alsnog mogelijk is om andere officieren van justitie aan de zaak te verbinden, ook al mag niet worden verwacht dat dan tot een andere vervolgingsbeslissing zal worden gekomen.
27. Wat er zij van de algemene term “jurisprudentiële uitzondering”, er is in de jurisprudentie van de Hoge Raad inderdaad een drietal gevallen aan te wijzen waarin het oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was niet voerde tot buitenvervolgingstelling. Zonder uitzondering ging het daarbij om situaties waarin de niet-ontvankelijkheid voortvloeide uit het niet in acht nemen van een termijn, terwijl uit de wet rechtstreeks voortvloeide dat (hetzij na ommekomst van een nog niet afgelopen termijn, hetzij na het stellen van een nieuwe termijn) in die gevallen alsnog opnieuw tot strafvervolging kon worden overgegaan.
28. De onderhavige situatie is daarmee in het geheel niet te vergelijken. De niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vloeit immers voort uit het negeren van de kernwaarden van het wettelijk systeem door het niet uitvoeren van een uitspraak van de Hoge Raad, en wel door de vervolging voort te zetten op een wijze die in strijd komt met het waarborgen van een onpartijdige vervolging en berechting. Anders dan in gevallen van het niet in acht nemen van een termijn zijn in het onderhavige geval geen omstandigheden denkbaar die het recht op strafvordering kunnen doen herleven. Dat kan in elk geval niet door alsnog andere officieren van justitie aan de zaak te verbinden. Door te betogen dat dit een optie zou zijn verliest de officier van justitie uit het oog dat het openbaar ministerie als gevolg van het handelen in deze zaak niet ontvankelijk is, en niet slechts bepaalde officieren van justitie.
29. De slotsom is dat er geen reden is om af te wijken van de in artikel 262, tweede lid, Sv neergelegde hoofdregel, wat betekent dat verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging zal worden gesteld.
De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond en stelt verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer door:

mr. J.W. du Pon, voorzitter,mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp en mr. B.W. Mulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Siebrand, griffier,
en uitgesproken ter niet-openbare zitting van 1 november 2019.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter, nu de griffier buiten staat is mede te ondertekenen.

_14461c9b-01a8-4f0e-8eb8-370026d796c3
1

HR 10 december 1985, NJ 1986, 439; HR 29 september 1987, NJ 1988,784; HR 29 maart 1988, NJ 1989,14.