Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:1067

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:1067, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09.837236-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBDHA:2019:1067:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837236-17

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] .
De terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2019.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Sytema, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. R.P. Peters heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag van € 1.637,28. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.637,28, subsidiair 26 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer.

De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 juni 2015 te Waddinxveen, althans in Nederland, meermalen, althans een maal, [benadeelde] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, bestaande uit- het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en/of- het feit dat die [benadeelde] pleegkind was van hem, verdachte en/of- het feit dat hij, verdachte op de hoogte was van het feit dat die [benadeelde] weinig fysieke affiniteit en/of vaderliefde heeft gehad in haar jeugd en/of- het feit dat hij, verdachte wetenschap had van het feit dat die [benadeelde] bij ongewenste aanrakingen kon dissociëren en/of verstijven en/of geen weerstand kon bieden,
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans een maal, over de borst(en) strelen/wrijven en/of het over de bil(len) wrijven en/of de handen leggen op de borst(en) en/of bil(len) en/of het (tong)zoenen van die [benadeelde] .

Vrijspraak
De rechtbank overweegt het volgende. Aan de verdachte is het in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht genoemde delict ten laste gelegd, kort gezegd: feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zo blijkt uit de delictsomschrijving, dient het slachtoffer door middel van geweld, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid te worden gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.
Door de officier van justitie is betoogd dat aangeefster door is gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen die bestonden uit het betasten van aangeefsters borsten en billen (over haar kleding heen) en het geven van tongzoenen. Deze feitelijkheid bestond uit het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De feitelijke verhoudingen bestonden daarbij uit de aspecten zoals deze zijn opgenomen in de tenlastelegging, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst.

Uit het dossier komt naar voren dat aangeefster, destijds in de leeftijd van 20 tot en met 22 jaar, veel behoefte had aan fysiek contact van de verdachte en zijn echtgenote die haar hadden opgenomen in hun gezin. Aangeefster heeft verklaard dat zij kort gezegd een belast verleden heeft en dat het gezin van de verdachte waarin zij terechtkwam haar eindelijk een gevoel van ‘thuis’ gaf (aangeefster noemde de verdachte ‘papa’). Het fysieke contact dat aangeefster en de verdachte hadden bestond aanvankelijk uit knuffelen. Dit gebeurde onder andere bij het ’s avonds lezen uit de bijbel op de slaapkamer van de verdachte en zijn echtgenote. Dit gebeurde ook tijdens boswandelingen die de verdachte met aangeefster maakte. Het bleef echter niet (altijd) bij knuffelen. Tussen de verdachte en aangeefster bestaat geen verschil van mening over het feit dat de verdachte in ieder geval eenmaal in 2013 en driemaal in 2015 een tongzoen aan aangeefster heeft gegeven. Evenmin bestaat er verschil van mening over het feit dat de verdachte twee à drie keer een hand op de borst van aangeefster heeft gelegd in de genoemde jaren.

Met de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat aangeefster niet is gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. De rechtbank overweegt hiertoe in de eerste plaats dat de genoemde handelingen weliswaar als grensoverschrijdend konden worden beschouwd, maar dat het ontuchtige karakter van de gepleegde handelingen niet zonder meer blijkt uit het dossier. Om te spreken van een ontuchtige handeling moet sprake zijn van een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Het in deze zaak bestaande grote leeftijdsverschil is niet zonder meer redengevend nu aangeefster reeds een volwassen vrouw was toen zij in het gezin van de verdachte terecht kwam. De term ‘pleegkind’ acht de rechtbank dan ook onjuist. De overige genoemde omstandigheden, gelegen in de kwetsbaarheid van aangeefster, acht de rechtbank evenmin voldoende redengevend. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat ook de aspecten in onderling verband en samenhang bezien niet voldoende zijn om op basis daarvan aan te nemen dat er sprake was van dwang van de zijde van de verdachte.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.

De vordering van de benadeelde partij.
[benadeelde] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding (ter terechtzitting verlaagd), groot € 1.637,28.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
beslissing

De beslissing
De rechtbank:


verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen doormr. E.J. van As, voorzitter,mr. B. Hammer, rechter,mr. N.I.S. Wallet, rechter,in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2019.