Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:10600

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 11-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:10600, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/580858 / KG ZA 19-939


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/580858 / KG ZA 19-939

Vonnis in kort geding van 11 oktober 2019

in de zaak van

STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND

eiseres,advocaat mrs. W.E. Pors en S.A. Lodder te Den Haag,
tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

gedaagde,advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SIO’ en ‘de Staat’.

ECLI:NL:RBDHA:2019:10600:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/580858 / KG ZA 19-939

Vonnis in kort geding van 11 oktober 2019

in de zaak van

STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND

eiseres,advocaat mrs. W.E. Pors en S.A. Lodder te Den Haag,
tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

gedaagde,advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SIO’ en ‘de Staat’.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 2 oktober 2019, met producties;- de brief van mr. Pors van 3 oktober 2019, met producties;- de brief van mr. Bootsma van 3 oktober 2019, met producties;- de brief van mr. Bootsma van 4 oktober 2019, met producties;- de faxbrief van mr. Pors van 5 oktober 2019, met producties, tevens houdende een akte wijziging van eis; - de op 7 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
SIO houdt sinds 1 augustus 2017 een bijzondere school voor voortgezet onderwijs op Islamitische grondslag in stand, zijnde het Cornelius Haga Lyceum te Amsterdam (hierna: ‘het Haga Lyceum’).
2.2.
SIO heeft op 8 augustus 2019 op grond artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) jo. Artikel 7 van de Regeling aanvullende bekostiging nevenvestiging, nieuwe scholen en samenvoeging vo (hierna: ‘de Regeling’) bij de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (hierna: ‘de Minister’) aan aanvraag ingediend voor een aanvullende bekostiging vanwege leerlingengroei. Ter onderbouwing van haar aanvraag stelt SIO dat het aantal leerlingen van het Haga Lyceum per 1 augustus 2019 is gestegen van 175 naar 360 en dat om die reden een aantal nieuwe docenten is aangetrokken. De aanvullende bekostiging is volgens SIO noodzakelijk om de daarmee gepaard gaande extra loonkosten te kunnen dragen.
2.3.
De Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: ‘DUO’) heeft bij brief van 13 augustus 2019 de ontvangst van de aanvraag van SIO bevestigd.
2.4.
De Minister heeft SIO naar aanleiding van een door de Inspectie van het Onderwijs uitgevoerd onderzoek naar het Haga Lyceum op 16 september 2019 een aanwijzing gegeven op grond van artikel 103 WVO. Op grond van deze aanwijzing dient – kort gezegd – het bestuur van SIO binnen vier weken zijn taken en bevoegdheden over te dragen aan een interim-bestuur. In dat verband dient het bestuur van SIO binnen twee weken een voorstel te doen voor een te benoemen interim-bestuurslid c.s. te benoemen interim-bestuursleden.
2.4.1.
SIO heeft op 23 september 2019 tegen de aanwijzing van de Minister bezwaar gemaakt en de Minister verzocht akkoord te gaan met rechtstreeks beroep bij de rechter. Daarnaast heeft SIO bij brief van 30 september 2019 een interim-bestuurder voorgedragen. De Minister heeft bij brief van 1 oktober 2019 aan SIO bericht dat hij de rechter zal vragen in te stemmen met het verzoek om de bezwaarfase over te slaan. Daarnaast heeft de Minister aan SIO bericht dat hij momenteel beziet of met de voorgedragen interim-bestuurder aan de aanwijzing invulling wordt gegeven.
2.5.
Op 24 september 2019 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen SIO en DUO. Een medewerker van DUO heeft naar aanleiding van dit gesprek op 27 september 2019 een e-mail aan SIO gezonden met de volgende inhoud:
“In vervolg op ons telefonisch contact van dinsdag 24 september 2019 jl. bevestig ik hierbij schriftelijk dat de betaling “aanvullende bekostiging nieuwe scholen tweede en volgende schooljaren” voor het Cornelius Haga Lyceum (31GM) met inachtneming van het bepaalde in artikel 85a, derde lid, van de WVO zal plaatsvinden op de reguliere betaaldatum in de maand oktober (23 oktober 2019).”

2.6.
De advocaat van SIO heeft de Minister bij brief van 26 september 2019 gesommeerd om binnen twee werkdagen zorg te dragen voor betaling van de aanvullende bekostiging. Volgens SIO biedt de huidige bekostiging geen mogelijkheid om de docentensalarissen over de maand september (volledig) te betalen.
2.7.
De Minister heeft de advocaat van SIO bij brief van 1 oktober 2019 onder meer als volgt bericht:
“Op grond van artikel 85a, derde lid, van de WVO besluit ik binnen zes maanden op uw aanvraag. Ik heb de aanvraag in behandeling en informeer u zo spoedig mogelijk.

Ik wijs u er op dat het bestuur van de SIO uiterlijk 14 oktober 2019 al zijn taken en bevoegdheden dient over te dragen aan een interim-bestuurder (besluit van 16 september 2019, nr. 16601776). Indien de aanwijzing niet voor die datum wordt opgevolgd, zal ik de bekostiging inhouden. Bij mijn besluit op het verzoek om aanvullende bekostiging zal ik ook mijn aanwijzing aan het bestuur betrekken en het gevolg dat daaraan gegeven is.”

3

3.1.
SIO vordert na wijziging van haar eis – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen de aanvullende bekostiging binnen één dag na de datum van dit vonnis te betalen en de Staat te bevelen binnen één dag na de datum van dit vonnis op de aanvraag voor aanvullende bekostiging van 8 augustus 2019 te beslissen en de aanvullende bekostiging vervolgens binnen één dag te betalen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert SIO – samengevat – primair het volgende aan. De Minister handelt onrechtmatig door in weerwil van de telefonische bevestiging van DUO van 24 september 2019 dat de aanvraag is gehonoreerd, niet over te gaan tot betaling van de aanvullende bekostiging. Hoewel van een formele beslissing op de aanvraag nog geen sprake is, dient volgens SIO de e-mail van DUO van 27 september 2019 met een besluit te worden gelijkgesteld c.q. heeft zij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat dit besluit er feitelijk al is. Volgens SIO kan bij deze stand van zaken niet in rechte bij de bestuursrechter worden opgekomen, omdat voor het indienen van bezwaar en beroep een negatief besluit van de Minister nodig is. Derhalve is de civiele rechter volgens SIO bevoegd om als restrechter van haar vordering kennis te nemen. Subsidiair stelt SIO dat de Minister onrechtmatig jegens haar handelt door de wettelijke beslistermijn van zes maanden te hanteren, terwijl die termijn bij andere aanvragen voor aanvullende bekostiging niet is/wordt gehanteerd. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval is een spoedige voorziening noodzakelijk. Daarbij wijst SIO erop dat bij gebreke van de verlangde aanvullende bekostiging de docentensalarissen over de maand september niet kunnen worden voldaan. Naar de mening van SIO ontbreekt een redelijke grond om niet per omgaande tot betaling van de aanvullende bekostiging over te gaan. Daarnaast stelt SIO dat de Minister ten onrechte bij zijn beslissing over aanvullende bekostiging betrekt of al dan niet aan de aanwijzing invulling wordt gegeven. Op grond van artikel 104 WVO kan de bekostiging worden ingehouden of opgeschort als in strijd met een aanwijzing wordt gehandeld, maar een dergelijk besluit is volgens SIO door de Minister nog niet genomen. De Minister beziet momenteel of aan de aanwijzing invulling is gegeven en hem is volgens SIO inmiddels gevraagd een dergelijke besluit in het belang van de leerlingen niet te nemen zolang de aanwijzing onder de rechter is.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
SIO grondt zowel haar primaire als haar subsidiaire vordering op een vermeende onrechtmatige daad van de Staat. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, is de primaire vordering gestoeld op het betoog dat reeds toewijzend op de aanvraag om aanvullende bekostiging is beslist en de Minister aan die toewijzende beslissing niet onverwijld uitvoering geeft. Voor zover nog niet op de aanvraag is beslist, stelt SIO subsidiair dat de Staat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, onrechtmatig jegens haar handelt door zich te beroepen op de wettelijke beslistermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 85a, derde lid, WVO.
4.2.
De vordering van SIO is op de primaire grondslag niet toewijsbaar. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, is tot op heden niet op de aanvraag van SIO van 8 augustus 2019 beslist en daarmee is dus van een rechtens afdwingbaar besluit geen sprake. De e-mail van DUO van 27 september 2019 kan niet als besluit op bedoelde aanvraag worden aangemerkt, aangezien hierin slechts door DUO wordt bevestigd dat een aanvullende bekostiging op 23 oktober 2019 zal worden uitbetaald. Uitbetaling zal logischerwijs alleen kunnen plaatsvinden wanneer de aanvraag wordt toegewezen. Over een toewijzing van die aanvraag worden echter door DUO geen expliciete toezeggingen gedaan. In de e-mail van 27 september 2019 wordt immers geen melding gemaakt van een kenmerk of beschikkingsnummer en ook de hoogte en berekeningswijze van de vermeende toegekende aanvullende bekostiging ontbreken. Daarbij komt dat SIO bekend mag worden verondersteld met de wijze waarop de Minister een beslissing op een dergelijke aanvraag bekend pleegt te maken. Aan SIO is immers op 20 november 2018 door de Minister (via DUO) een Overzicht financiële beschikkingen (OFB), verzonden, zulks onder meer naar aanleiding van een aanvraag van SIO om aanvullende bekostiging voor het jaar 2018. Vast staat dat een dergelijk overzicht tot op heden naar aanleiding van de aanvraag van 8 augustus 2019 niet aan SIO is verzonden. SIO heeft de e-mail van 27 september 2019 onder de gegeven omstandigheden daarom evenmin – zoals zij stelt – als een toewijzende beschikking mogen begrijpen.
4.3.
De vordering van SIO is op de subsidiaire grondslag evenmin toewijsbaar. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat indien SIO van mening is dat de Minister in weerwil van de bijzondere omstandigheden van dit geval niet tijdig een besluit neemt op haar aanvraag om aanvullende bekostiging, haar daartegen een exclusieve rechtsgang bij de bestuursrechter ter beschikking staat. Het niet tijdig nemen van een besluit is blijkens artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb en een belanghebbende kan daartegen rechtstreeks beroep instellen bij de bestuursrechter. Dat de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken doet als zodanig aan het bestaan van deze rechtsgang niet af. Daarmee is in dit geval voor inschakeling van de civiele rechter als ‘restrechter’ geen plaats. SIO dient in haar subsidiaire vordering dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Overigens heeft de Staat er terecht op gewezen dat in 2018 een termijn van twee maanden is gehanteerd om op de aanvraag van SIO tot het verkrijgen van aanvullende bekostiging te beslissen. Die eerdere aanvraag van SIO dateerde immers van 21 september 2018 en hier is op 20 november 2018 op beslist. Daarmee is dus aantoonbaar onjuist de stelling van SIO dat op een eerder door haar gedane aanvraag om aanvullende bekostiging veel sneller is beslist. Op die grondslag lijkt, hoewel deze beoordeling dus aan de bestuursrechter is voorbehouden, voorshands dan ook niet te kunnen worden geconcludeerd dat de Minister met de beoogde beslisdatum van 22 oktober 2019 onevenredig lang de tijd neemt om op de aanvraag van 8 augustus 2019 te beslissen.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat de primaire vordering van SIO dient te worden afgewezen en dat SIO in haar subsidiaire vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. SIO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als gevorderd.
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
wijst de primaire vordering af;
5.2.
verklaart SIO niet-ontvankelijk in haar subsidiaire vordering;
5.3.
veroordeelt SIO om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;
5.4.
bepaalt dat SIO bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;
5.5.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.

mw