Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:10510

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:10510, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 18 / 9439


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAGuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2019 in de zaak tussen

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9439

[naam 1], eiser,gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen,
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,gemachtigde: mr. R. Simi.

ECLI:NL:RBDHA:2019:10510:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAGuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2019 in de zaak tussen
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9439

[naam 1], eiser,gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen,
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,gemachtigde: mr. R. Simi.
procesverloop

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 november 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. F.A. Groeneveld. Verder is verschenen [naam 2], referent in deze procedure. Hij werd ook bijgestaan door mr. F.A. Groeneveld. Verweerder is met bericht van verhindering niet op de zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Indiase nationaliteit. Hij heeft op 22 mei 2018 bij de Nederlandse vertegenwoordiging in New Delhi een aanvraag tot verlening van een visum voor kort verblijf ingediend.
2. Verweerder heeft eisers visumaanvraag afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende heeft aangetoond. In bezwaar heeft verweerder ook aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding van eiser met India dat zijn tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij is uitgenodigd door referent om te onderzoeken of hun relatie bestendig is. Dit is vanwege hun homoseksuele geaardheid niet mogelijk in India. Op dit moment is nog geen sprake van een bestendige relatie. Daardoor wordt in de stukken gesproken over “goede vriend”, maar ook over “partner”. Door een misverstand heeft eiser een visum aangevraagd voor een jaar. Eiser wenst een visum voor de duur van negentig dagen. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom het reisdoel nog steeds onvoldoende is komen vast te staan. Eiser heeft eerder met een visum in Nederland verbleven en is – weliswaar een paar dagen te laat – teruggekeerd naar India. Ten aanzien van het eerst in bezwaar tegengeworpen gebrek aan sociale en economische binding, stelt eiser dat dit gelet op de ex-tunc toetsing in bezwaar niet kan worden tegengeworpen. Daarnaast meent eiser dat verweerder ten onrechte geen sociale binding aanneemt. Eiser heeft immers familie in India. Ten aanzien van de economische binding merkt eiser op dat hij ten tijde van de visumaanvraag een geldig contract had, waardoor hij dus wel economische binding heeft met India.
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii, van de Visumcode wordt, onverminderd artikel 25, eerste lid, een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode wordt een visum (onder meer) geweigerd indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Hierbij betrekt verweerder of voldoende sociale en economische binding met het land van herkomst bestaat.
5. De rechtbank stelt voorop dat bij het onderzoek of aan de toepassingsvoorwaarden van de Visumcode is voldaan, aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toekomt en dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. De rechtbank kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.
6. Ten eerste is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het gestelde reisdoel heeft mogen betrekken dat eiser en referent in de stukken tegenstrijdig hebben verklaard over de beoogde verblijfsduur van eiser in Nederland. De stelling dat dit op een misverstand berust, is onvoldoende om deze geconstateerde tegenstrijdigheden weg te nemen. Daarnaast heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiser en referent wisselend hebben verklaard over de aard van hun relatie. In beroep heeft eiser nog aanvullende stukken overgelegd, waaronder afschriften van Western Union. Hieruit blijkt niet dat referent eiser structureel financieel ondersteunt, zodat dit ook niet de aard van hun relatie aannemelijk maakt. Ook heeft eiser documenten overgelegd die zien op de periode na het bestreden besluit. Deze stukken kunnen gelet op de ex-tunc toetsing niet worden betrokken bij de beoordeling van het beroep. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat het reisdoel onvoldoende is komen vast te staan en dat daarmee samenhangend de tijdige terugkeer van eiser naar India niet is gewaarborgd.
7. Ten tweede heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser onvoldoende sociale en economische binding heeft met India. Niet is gebleken dat eiser zorg draagt voor directe familieleden, of dat hij financieel voor hen zorgt. Er is evenmin gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig terug te keren naar India. Dat eiser een tijdelijk contract heeft tot 6 februari 2019, is naar het oordeel van de rechtbank geen aspect dat verweerder in het nadeel van eiser heeft kunnen betrekken. Wel heeft verweerder kunnen betrekken dat referent bij de visumaanvraag heeft aangegeven dat eiser bereid is om zijn baan op te zeggen. Het enkele feit dat eiser in het verleden tijdig is teruggekeerd vanuit Nederland naar India, biedt geen garantie dat hij dat nu ook zal doen.
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar alsnog aan eiser kan tegenwerpen dat er onvoldoende sociale en economische binding is, op grond waarvan ook geen visum kort verblijf aan eiser wordt verleend. Eiser heeft immers in zijn gronden van bezwaar van 10 september 2018 tevens gereageerd op de afwijzing van een latere visumaanvraag van 19 juni 2018, waarin wel aan eiser is tegengeworpen dat onvoldoende sprake is van sociale en economische binding. Er is geen sprake van strijd met het verbod op reformatio in peius. Het materiële rechtsgevolg van het primaire besluit, namelijk de afwijzing van het visum kort verblijf, is in bezwaar immers niet gewijzigd. Dat het bestreden besluit een extra afwijzingsgrond bevat, maakt dit niet anders. Eiser is ook niet benadeeld doordat deze afwijzingsgrond pas in het bestreden besluit is tegengeworpen. Eiser heeft immers in de bezwaarfase al gereageerd op deze tegenwerping.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beoordeling van de rechtbank

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Andel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, gelet op het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, geen hoger beroep open.

_e6fa0d05-3a6e-4f1c-9c3c-a8d685496fc1
1

Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.

_96f3a282-5d78-4d35-9d80-104b9f7be709
2

Zie het arrest van 19 december 2013 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.

_566bcbee-ccb7-49d6-bfa3-a877a703aff1
3

Bij brief van 1 mei 2018.

_ae76daa7-0db9-46a0-b46b-d3b931d38a09
4

Als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.