Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:818

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:818, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 19/238


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna: [eiser] ),de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
Bestuursrecht
(gemachtigden: mr. P.E.H.A. Ingenhou en C.D.H. Helder).

zaaknummer: AMS 19/238

en

ECLI:NL:RBAMS:2020:818:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna: [eiser] ),de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
Bestuursrecht
(gemachtigden: mr. P.E.H.A. Ingenhou en C.D.H. Helder).
zaaknummer: AMS 19/238

en

procesverloop

Procesverloop

Met het besluit van 30 september 2018 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar een aanslag Bedrijveninvesteringszone (BI-zone) Osdorp Centrum (hierna: de aanslag) voor het belastingjaar 2018 aan [eiser] opgelegd.

Met de uitspraak op bezwaar van 18 december 2018 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. [eiser] was aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen

1. [eiser] is ondernemer in de BI-zone Osdorp Centrum. Zijn onderneming is gevestigd op [adres] . De aan [eiser] opgelegde aanslag bedraagt € 600,-.
2. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. Na een draagvlakmeting is ‘de Verordening BI-zone Osdorp Centrum gebruikers 2015’ (hierna: de Verordening) op 1 januari 2015 in werking getreden. Volgens de heffingsambtenaar wordt de aanslag op grond van de Verordening opgelegd aan degene die op 1 januari van het betreffende kalenderjaar gebruiker is van een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient en binnen de BI-zone ligt. Omdat [adres] is gelegen in de BI-zone Osdorp Centrum en [eiser] op 1 januari 2018 gebruiker was van het pand, is de aanslag volgens de heffingsambtenaar terecht aan [eiser] opgelegd.
3. Op grond van artikel 4 van de Verordening wordt de BIZ-bijdrage gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en die als bestemming hebben, dan wel in gebruik zijn als: (detail)handel/winkel, horeca, kantoor, bedrijf of cultuur-/gemeenschapsgebouw.
4. Op grond van artikel 7 van de Verordening bedraagt de BIZ-bijdrage € 600,- bij een WOZ-waardeklasse tot en met € 150.000,-.
Wat aan deze procedure voorafging

De relevante regelgeving

Het oordeel van de rechtbank

5.1
[eiser] stelt dat hij nooit heeft ingestemd met het instellen van de BI-zone. De heffingsambtenaar kan hem bovendien niet dwingen om een bijdrage af te dragen.
5.2
Deze beroepsgrond van [eiser] slaagt niet. De BIZ-bijdrage is tot stand gekomen na een gehouden draagvlakmeting die voldoende stemmen heeft gekregen. De BIZ-bijdrage wordt gedurende een periode van vijf jaar jaarlijks geheven. Indien in de loop van die tijd de huurder van een winkelpand wisselt, dan is de opvolgend huurder verplicht om bij te dragen. [eiser] valt daarom hoe dan ook in het regime van de Verordening en is daarmee verplicht om bij te dragen. Dat [eiser] geen goedkeuring heeft gegeven maakt dus niet uit.
6.1
[eiser] vindt daarnaast dat hij geen profijt heeft gehad van de BI-zone. Hij klaagt bijvoorbeeld al geruime tijd over de kwaliteit van zijn gevel, maar daar is tot op heden nog niets aan gedaan. [eiser] is bovendien nooit geïnformeerd over de activiteiten van de BI-zone.
6.2.
Ook deze beroepsgrond van [eiser] slaagt niet. De BIZ-bijdrage moet worden gebruikt om de leefbaarheid en de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van het BIZ-gebied te bevorderen. Het is hierbij niet vereist dat een individuele tegenprestatie wordt geleverd aan iedereen die aan de BI-zone meebetaalt. Dat [eiser] hiervan zelf wellicht minder profijt heeft gehad, betekent daarom nog niet dat hij geen bijdrage hoefde te betalen. Daarnaast is er een BIZ-vereniging en worden er onder andere jaarlijks algemene ledenvergaderingen georganiseerd. Dat [eiser] niet op de hoogte is van de activiteiten van de BI-zone komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn risico.
7.1.
[eiser] voert ook aan dat hij slechts een ruimte van circa 23 m² huurt. De aanslag van € 600,- is daarom veel te hoog.
7.2.
De rechtbank geeft [eiser] ook hierin geen gelijk. Zoals de heffingsambtenaar ter zitting heeft uitgelegd betreft de winkel van [eiser] een afzonderlijk afsluitbaar object. Dit is door [eiser] niet betwist. Het pand heeft daarom ook een afzonderlijke WOZ-waarde. Dit heeft weer als gevolg dat er sprake is van een afzonderlijk BIZ-object. Dat de oppervlakte van de winkel slechts 23 m² bedraagt, is voor het vaststellen van de BIZ-bijdrage niet relevant. De BIZ-bijdrage wordt namelijk gekoppeld aan de WOZ-waarde en niet aan de grootte van het pand. Met een waarde van € 112.000,- valt het object [adres] in de WOZ-waardeklasse tot en met € 150.000,- met een bijbehorende BIZ-bijdrage van € 600,-.
Conclusie

8. De aanslag is terecht aan [eiser] opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.