Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:805

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:805, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/092858-19 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/092858-19 (Promis)

Datum uitspraak: 11 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2020:805:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/092858-19 (Promis)

Datum uitspraak: 11 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.J. Schutte en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.N. de Jager naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in/op/tegen de nek en/of hals heeft gestoken en/of geprikt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in/op/tegen de nek en/of hals heeft gestoken en/of geprikt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/op/tegen de nek en/of hals te steken en/of te prikken en/of door voornoemde [slachtoffer] op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen.

3

3.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, maar dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Op grond van de camerabeelden en het letsel van aangever, gaat de officier van justitie er van uit dat verdachte een scherp voorwerp in zijn handen had. Nu verdachte met dat voorwerp met kracht tegen de hals van aangever heeft geslagen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

3.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Er kan niet worden bewezen dat verdachte aangever met een mes heeft gestoken, nu alleen aangever hierover heeft verklaard. Deze verklaring van aangever wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier, waardoor er niet is voldaan aan het bewijsminimum. Op de camerabeelden is niet te zien of verdachte iets in zijn handen heeft, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij gestoken of geprikt heeft. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw acht de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wel bewezen.

3.3.
Oordeel van de rechtbank

3.3.1.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

3.3.2.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling)

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Aangever heeft verklaard dat hij en verdachte elkaar vastpakten en dat verdachte zijn horloge wilde wegnemen. Toen aangever verdachte vervolgens een duw gaf, werd hij door een andere (onbekende) jongen aangevallen en gevloerd. Verdachte rende toen op aangever af met een klein zakmes in zijn hand en maakte een steekbeweging richting zijn nek. Toen aangever op zijn rug draaide, kwam verdachte weer dichterbij en maakte een tweede steekbeweging. Bij de tweede steekbeweging voelde aangever een pijnscheut in zijn nek. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever wel heeft geduwd en klappen heeft gegeven, maar dat hij aangever niet gestoken. Hij weet niet hoe aangever aan de verwonding in zijn hals komt.
De rechtbank acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk en overweegt daartoe dat de verklaring van aangever wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier. Op de camerabeelden is volgens de verbalisant te zien dat verdachte in volle vaart op aangever afrent en, zodra hij aangever heeft bereikt, zijn rechter arm in een snelle beweging omhoog en naar beneden brengt. Aangever beweegt vervolgens achterwaarts en wordt wederom door verdachte aangevallen. Verdachte maakt hierbij een zwaaiende beweging met zijn rechterhand terwijl hij op aangever afrent.

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat zij zag dat aangever bloedde in zijn hals en dat dit bloeden direct was begonnen nadat verdachte in volle vaart op aangever was afgerend. Uit de letselverklaring volgt dat er sprake was van een oppervlakkige snee links in de hals van aangever. Dit letsel past bij het door de rechtbank ter terechtzitting waargenomen litteken en bij de foto van de bloedende verwonding die als bijlage bij de aangifte is gevoegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verwonding in de nek van aangever is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte een mes had, nu enkel aangever heeft verklaard dat hij een mes heeft gezien. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft geprikt. Door met een scherp en/of puntig voorwerp in een dergelijk kwetsbaar lichaamsdeel als de hals te prikken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook de poging tot zware mishandeling bewezen.

4

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 30 maart 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte subsidiaire feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken.

7.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de eis van de officier van justitie te matigen, nu in de ogen van de raadsvrouw alleen de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. Zij heeft de rechtbank tevens verzocht om rekening te houden met de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de omstandigheid dat verdachte een first offender is, dat hij zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat uit de reclasseringsrapportage blijkt dat er sprake is van een laag risico op recidive.

7.3.
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn hals te prikken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt. Kort na het incident voelde hij zich snel bedreigd en durfde hij niet naar buiten te gaan. Door het handelen van verdachte heeft het slachtoffer een litteken opgelopen in zijn hals. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ervoor heeft gekozen om een ruzie op deze manier te laten escaleren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2020 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het psychologische Pro Justitia rapport van 17 juni 2019 en het adviesrapport van Reclassering Nederland van 6 augustus 2019. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft. Er zijn geen gronden om begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader te adviseren. Bij de totstandkoming van de rapporten en in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte zich meewerkend opgesteld. Uit het reclasseringsonderzoek komen geen verdere zorgen naar voren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest in dit geval passend.

8

8.1.
Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert vergoeding van € 253,30 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ten aanzien van het materiële deel in zijn geheel wordt toegewezen. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 350,-, nu het slachtoffer twee keer het conflict zelf heeft opgezocht. Voorts moet de vordering worden vermeerderd met de wettelijke rente en moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

8.3.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu ten aanzien van het steken vrijspraak is bepleit.

Ten aanzien van het materiële deel (de zorgkosten) heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Het had op de weg van [slachtoffer] gelegen om eerst een verwijzing bij de huisarts te vragen, alvorens hij naar het ziekenhuis zou gaan. Nu hij dit niet heeft gedaan, moeten de zorgkosten voor zijn rekening blijven.

Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu er geen sprake is van geestelijk letsel bij [slachtoffer] . De verdediging betwist dat er sprake is van traumaverwerking. Verdachte betwist ook dat er door een oppervlakkige verwonding een blijvend litteken kan zijn ontstaan. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de hoogte van de gevorderde immateriële schade te matigen.

8.4.
Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding zal worden toegewezen nu van benadeelde - die een bloedende verwonding in zijn hals had - niet kon worden verwacht dat hij eerst naar de huisarts zou gaan voor een verwijzing naar de eerste hulp. De hoogte van de materiële schade is niet betwist zodat het gevorderde bedrag van € 253,30 wordt toegewezen.
Immateriële schade

Gezien vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is ten aanzien van dit onderdeel immers onvoldoende onderbouwd, nu uit de brief van De Waag (bijlage 5 van de vordering) niet blijkt dat er bij benadeelde sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij voor immateriële schadevergoeding in aanmerking komt, nu de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de letselverklaring blijkt immers dat benadeelde een snee in zijn hals heeft opgelopen en ter terechtzitting heeft de rechtbank het litteken waargenomen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen op € 350,-. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 603,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 maart 2019. Ten aanzien van het restant aan gevorderde schade, zijnde een bedrag van € 300,-, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezienverdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deschade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op eenbedrag van € 603,30.
9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

10


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 603,30 (zeshonderddrie euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 603,30 (zeshonderddrie euro en dertig eurocent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Sipkens, voorzitter,mrs. B.M. Visser en M.E.M. James - Pater, rechters,in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2020.