Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:778

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:778, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/184203-19 (Promis).


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/184203-19 (Promis).Datum uitspraak: 12 februari 2020.
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2020:778:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/184203-19 (Promis).Datum uitspraak: 12 februari 2020.
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

2

1. hij op of omstreeks 10 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto, plotseling gas heeft gegeven en/of (vervolgens) plotseling heeft geremd en/of plotseling naar links is uitgeweken en/of voornoemde [slachtoffer 1] , althans haar scooter, heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op of omstreeks 10 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar te duwen en/of te schoppen en/of met de platte hand in het gezicht, althans op het lichaam te slaan en/of haar bij haar keel en/of hoofddoek vast te pakken;
3. hij op of omstreeks 10 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je vermoorden, hoer het is allemaal jou schuld” en/of “dan maak ik je dood” en/of door ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] te zeggen “ik ga haar vermoorden.”
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

3

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op vrijdag 10 mei 2019 omstreeks 16:35 uur kreeg de politie een melding van een ongeval op de Eerste Helmersstraat te Amsterdam. Ter plaatse zagen de verbalisanten twee jongens en drie meisjes staan, die bevestigden dat zij een melding van het ongeval hadden gedaan. De verbalisanten werden aangesproken door een getuige, die later [naam getuige] bleek te heten. Zij verklaarde: “er is waarschijnlijk wel meer aan de hand dan alleen een ongeval.” Verbalisant [naam verbalisant 2] sprak vervolgens met [slachtoffer 1] . Zij verklaarde dat zij op haar scooter reed en door een auto was aangereden. De bestuurder van de auto reed op haar in en remde niet. [slachtoffer 1] verklaarde dat de bestuurder de ex-vriend is van haar beste vriendin - [slachtoffer 2] . Ter plaatse verklaarde [naam zus] – de zus van [slachtoffer 1] – : “hij zei dat hij dacht dat [slachtoffer 2] achterop zat.” [slachtoffer 1] lag eerst bewusteloos op het wegdek, maar kwam snel weer bij.

Op het moment dat verbalisant [naam verbalisant 2] met [slachtoffer 1] en [naam zus] in gesprek was, stond verdachte samen met [slachtoffer 2] en zijn broer bij de auto. [naam verbalisant 2] zag dat verdachte [slachtoffer 2] met kracht in de auto duwde. Verdachte schreeuwde: “ik ga je vermoorden hoer, het is allemaal jouw schuld.” Vervolgens zag [naam verbalisant 2] dat verdachte een krachtige trap tegen haar benen gaf. Verbalisant [naam verbalisant 1] vroeg aan verdachte of hij de bestuurder van de auto was. Verdachte verklaarde dat dit inderdaad zo was. Vervolgens vroeg [naam verbalisant 1] aan verdachte hoe het ongeval had kunnen gebeuren. Verdachte verklaarde dat hij de scooter helemaal niet had gezien. Uiteindelijk is verdachte aangehouden. Bij het verhoor op het politiebureau de volgende dag heeft hij verklaard dat hij moest uitwijken voor een kat.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wilden uit angst voor verdachte geen aangifte tegen hem doen. Wel heeft [slachtoffer 1] net als haar zus [naam zus] een getuigenverklaring afgelegd. Uit deze verklaringen is gebleken dat [slachtoffer 2] niet bij één van hen achterop de scooter zat. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hen had gevraagd om haar af te zetten op de Overtoom. Verdachte zou [slachtoffer 2] telefonisch hebben bedreigd en hebben gezegd dat ze naar de Overtoom moest komen.

4.2.
Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

Feit 1 kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [naam zus] en het sporenonderzoek. De verklaring van verdachte dat hij moest uitwijken voor een kat is gelet op de resultaten van het sporenonderzoek ongeloofwaardig. Omdat verdachte het slachtoffer frontaal met zijn auto heeft aangereden, bestond er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.
Feit 2 kan eveneens worden bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] heeft geduwd en geschopt. [naam zus] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] bij haar keel heeft gegrepen en [naam getuige] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] met zijn vlakke hand een klap gaf.

Feit 3 kan worden bewezen op basis van de verklaring van verdachte op pagina 115 van het dossier. Hij heeft bekend dat hij bedreigende teksten naar [slachtoffer 2] heeft geuit.

De raadsman

Verdachte dient van feit 1 te worden vrijgesproken. Hij heeft verklaard dat sprake was van een ongeval vanwege het plotseling verschijnen van de kat en dat hij niet opzettelijk op de scooter is ingereden. Verdachte dient in ieder geval partieel te worden vrijgesproken van de bewoordingen “plotseling gas heeft gegeven,” nu alleen [naam zus] hierover heeft verklaard. Er was geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, omdat de bumper van de auto slechts het spatbord van de scooter heeft geraakt.
Feit 2 en feit 3 kunnen worden bewezen.

4.3.
De beoordeling door de rechtbank

4.3.1.
Feit 2 en feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat feit 2 en feit 3 kunnen worden bewezen.

4.3.2.
Feit 1

Geen ongeval

De rechtbank staat allereerst voor de vraag of verdachte opzettelijk op de scooter is ingereden of dat sprake was van een ongeluk.

Verdachte heeft aan de politie ter plaatse verklaard dat hij de scooter niet had gezien. Vervolgens heeft hij de volgende dag tijdens het verhoor bij de politie verklaard: Verdachte heeft dit laatste ook op de zitting verklaard.

De verklaring van verdachte dat hij moest uitwijken voor een kat, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Allereerst is van belang dat de verbalisant [naam verbalisant 1] ter plaatse verdachte de vraag stelde “hoe het ongeval had kunnen gebeuren.” Deze vraag is heel open geformuleerd. Wanneer verdachte daadwerkelijk een kat had ontweken, had het voor de hand gelegen dat hij dit direct aan de verbalisant had geantwoord. Het is in het algemeen immers zo dat wanneer iemand onopzettelijk een aanrijding veroorzaakt, hij of zij er alles aan zal willen doen om dit aan te tonen. Ook de bewoordingen “ik zag als ik mij herinner een kat” maken zijn verklaring niet geloofwaardig. Bovendien heeft geen van de getuigen een kat gezien. Ten slotte is van belang dat de verklaring van verdachte niet past bij het proces-verbaal van bevindingen en de verklaringen die door de getuigen zijn afgelegd. Zo heeft [naam getuige] direct aan de politie ter plaatse verklaard dat “waarschijnlijk wel sprake was van meer dan een ongeval.” [slachtoffer 1] en Mai waren beiden geëmotioneerd en verklaarden zij uit angst voor verdachte geen aangifte te willen doen. Verdachte gedroeg zich agressief naar [slachtoffer 2] en riep tegen haar dat het haar schuld was. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat zij van verdachte naar de Overtoom moest komen omdat er anders represailles zouden volgen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte tegen haar zei dat ze dacht dat [slachtoffer 2] bij haar achterop de scooter zat. [naam zus] heeft verklaard dat de auto gas gaf kort voordat die [slachtoffer 1] raakte. Al met al komt uit het proces-verbaal van bevindingen niet het beeld naar voren van iemand die moest uitwijken voor een kat en per ongeluk een scooter heeft aangereden. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte dan ook terzijde en oordeelt dat verdachte opzettelijk op de scooter is ingereden.

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of verdachte opzet had op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. In dit kader is het volgende van belang.

[slachtoffer 1] heeft ter plekke verklaard dat verdachte bewust op haar inreed en niet remde. Zij heeft bij de politie een aanvullende verklaring afgelegd, waarin zij heeft verklaard dat zij een Volkswagen Polo op haar af zag komen rijden. De bestuurder stuurde ineens haar kant op en ze hoorde het piepen van banden. [naam zus] heeft verklaard dat de bestuurder plotseling naar links stuurde en plotseling meer vaart maakte. De auto maakte meer toeren dan daarvoor. Ze zag dat de auto in volle snelheid tegen haar zus en de scooter aanreed. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte plotseling naar links stuurde en gas gaf, waarna hij de scooter aanreed. Uit deze gedragingen leidt de rechtbank opzet van verdachte af op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Ook het verweer van de raadsman dat verdachte in ieder geval partieel dient te worden vrijgesproken van het plotseling gas geven, wordt hiermee verworpen.

Concluderend kan de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling worden bewezen.

5

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 10 mei 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto, plotseling gas heeft gegeven en plotseling naar links is uitgeweken en voornoemde [slachtoffer 1] heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:

op 10 mei 2019 te Amsterdam [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar te duwen en te schoppen en met de platte hand in het gezicht te slaan en haar bij haar keel en hoofddoek vast te pakken;
feit 3:

op 10 mei 2019 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je vermoorden, hoer het is allemaal jou schuld” en “dan maak ik je dood” en door ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] te zeggen “ik ga haar vermoorden.”
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest en dat aan verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor de duur van één jaar.
De raadsman

In geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om een taakstraf op te leggen van 120 uur, zonder reclasseringstoezicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft geen behandeling nodig.
8.2.
De beoordeling door de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft drie ernstige strafbare feiten gepleegd. Om te beginnen heeft hij zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, door [slachtoffer 1] opzettelijk op haar scooter aan te rijden. Door zo te handelen heeft verdachte zijn auto als wapen in het verkeer gebruikt. Het letsel had bij [slachtoffer 1] veel erger kunnen zijn. Het heeft niet aan verdachte gelegen dat er geen zwaarder letsel is opgetreden. Vervolgens heeft verdachte de jonge vrouw met wie hij een relatie heeft gehad, mishandeld en bedreigd met de woorden “ik ga je vermoorden, hoer.” Het heeft er bovendien alle schijn van dat verdachte dacht dat zij achterop de scooter zat en hij haar wilde treffen.

De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld welke strafmodaliteit in het geval van verdachte passend is: een gevangenisstraf of een taakstraf. De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet vanwege het strafblad van verdachte en het feit dat hij een opleiding volgt echter ruimte om een taakstraf op te leggen. Verdachte is immers nog niet eerder voor geweldsdelicten veroordeeld. Om recht te doen aan de ernst van de strafbare feiten zal de rechtbank wel een forse taakstraf opleggen.

De rechtbank heeft verder gekeken naar het reclasseringsadvies van 27 december 2019. Hieruit blijkt onder ander het volgende:

De heer [verdachte] ondervindt problemen met het reguleren van zijn agressie maar toont een zeer geringe motivatie voor hulp op dit gebied. Hij toont weinig empathie naar de aangevers van onderhavige tenlastelegging. (…) Gelet op de ernst van de tenlastelegging en het ontbreken van inzicht in zijn handelen acht de reclassering een agressie-regulatietraining en delict analyse bij De Waag geïndiceerd om het risico op recidive te verminderen. Ondanks het ontbreken van motivatie voor een dergelijke behandeling ziet De Waag enige mogelijkheden om een behandeling op te starten door bij de start van deze behandeling in te zetten op het vergroten van de motivatie.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij twijfelt of hij bereid is mee te werken aan een behandeling bij De Waag. Naar het oordeel van de rechtbank is het wenselijk dat verdachte een agressie-regulatietraining volgt. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte op 10 mei 2019 op meerdere momenten zijn agressie niet onder controle had. De rechtbank vreest dat verdachte zich in de toekomst opnieuw agressief zal gedragen, met name in de relationele sfeer. De rechtbank zal daarom een taakstraf opleggen voor de duur van 200 uren, waarvan 40 uur voorwaardelijk en daarbij als bijzondere voorwaarde de ambulante behandeling opleggen. Wanneer verdachte besluit niet mee te werken aan het volgen van de behandeling zal hij ook het gedeelte van 40 uur taakstraf moeten uitvoeren. De rechtbank zal geen contactverbod opleggen omdat hier door de slachtoffers niet om is verzocht.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte de bevoegdheid te ontzeggen motorrijtuigen te besturen. Verdachte gedroeg zich agressief en in een situatie die door de verdachte lijkt te zijn verwacht en waarbij het min of meer toeval was dat hij zijn auto als wapen kon gebruiken.. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat verdachte in de toekomst onder normale omstandigheden de verkeersregels zal overtreden of de verkeersveiligheid in gevaar zal brengen.

9

9.1.
De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.550,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade bestaat uit schade aan de scooter (€ 750,-), aan het telefoonscherm (€ 200,-), de broek (€ 30,-), het vest (€ 25) en schoenen (€ 150,-).

9.2.
Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 1.350,- dient te worden toegewezen. Op basis van het dossier is niet vast komen te staan dat het telefoonscherm is beschadigd. Het gevorderde bedrag van € 200,- voor het telefoonscherm komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De raadsman

De raadsman heeft primair betoogd dat de vordering in het geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft hij betoogd dat hoogstens een bedrag van € 200,- à € 300,- kan worden toegewezen. De schade aan de scooter is niet onderbouwd door middel van een factuur.
9.3.
De beoordeling door de rechtbank

Het vest, de schoenen en het telefoonscherm

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van het dossier niet vast dat het vest, de schoenen en het telefoonscherm als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde zijn beschadigd. Er is dan ook geen rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde feit. De vordering benadeelde partij zal ten aanzien van deze posten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De scooter

Vast staat dat de scooter als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit is beschadigd. De benadeelde partij heeft dan ook schade geleden. Nu het gevorderde bedrag van € 750,- niet is onderbouwd, zal de rechtbank de schade schatten. De rechtbank begroot de materiële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Overig

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
10

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 36f, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

11


- zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit het innemen van medicijnen inhoudt.




De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:

mishandeling;
ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte, groot 40 uur van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast 20 dagen.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd de volgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen.

De algemene voorwaarden houden in dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

De bijzondere voorwaarde houdt in dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

Geeft aan reclassering Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2019.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2019 te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Mourik, voorzitter,mrs. A.F. van Hoorn en C. Huizing-Bruil, rechters,in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2020.