Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:43

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:43, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13-233548-19 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-233548-19 (Promis)

Datum uitspraak: 9 januari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2020:43:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-233548-19 (Promis)

Datum uitspraak: 9 januari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] te [plaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2019. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Duker en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.P.A. Kint naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (geladen) vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Bruno Bruni Milano, model Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle) en/of voor dit vuurwapen bestemde munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten 8 patronen (merk Cascade Cartridge Company kaliber .22 Long Rifle), voorhanden heeft gehad.

3

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden, te weten dat verdachte een geladen vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens tot een bewezenverklaring geconcludeerd.

3.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, namelijk dat hij een geladen vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

3.3.1
Bewijsmiddelen

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring komt.

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft gepleegd op de volgende bewijsmiddelen:

1

2.

3

4

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

verdachte op 26 september 2019 te Amsterdam een geladen vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, merk Bruno Bruni Milano, model Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle, en voor dit vuurwapen bestemde munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten 8 patronen, merk Cascade Cartridge Company kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in het rapport van 11 december 2019.

7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een groter voorwaardelijk strafdeel op te leggen, eventueel in combinatie met een werkstraf, zodat verdachte op tijd vrij kan zijn om zich voor te kunnen bereiden op een toelatingstoets en in februari 2020 aan een opleiding kan beginnen. Een onvoorwaardelijke straf zoals door de officier van justitie is gevorderd, zal het volgen van een opleiding door verdachte in de weg staan.

7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is op metrostation Amsterdam Sloterdijk staande gehouden door verbalisant [naam opsporingsambtenaar 1] , nadat verdachte een perron had verlaten en door de toegangspoortjes achter een reiziger aan wilde gaan zonder uit te checken. Desgevraagd heeft verdachte zich gelegitimeerd. Omdat [naam opsporingsambtenaar 1] in verschillende registraties in de politiesystemen las dat verdachte bij meer situaties betrokken was waarbij wapens en/of drugs aanwezig waren en dat hij mogelijk in het bezit zou zijn van een vuurwapen, deelde de verbalisant verdachte mee hem te gaan fouilleren. Hierop rende verdachte weg. [naam opsporingsambtenaar 1] rende achter hem aan en kreeg hem uiteindelijk te pakken. Zijn collega verbalisant [naam opsporingsambtenaar 2] heeft verdachte vervolgens gefouilleerd en in zijn schoudertas een geladen revolver met daarin acht kogels aangetroffen. Bij doorzoeking van zijn woning bleek verdachte ook in het bezit te zijn van een lege patroonhuls.

Het bewezen verklaarde is een zeer ernstig strafbaar feit, omdat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een onaanvaardbaar risico met zich brengt voor de veiligheid van personen. Dit geldt vooral als het vuurwapen geladen is én wordt gedragen in een openbare ruimte; in dit geval een metrostation.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij het vuurwapen de dag voordat hij was aangehouden van ‘een jongen’ had gekregen en dat hij hem die dag aan die jongen terug zou geven. Daarop doorgevraagd, heeft verdachte geen informatie willen geven over de identiteit van de persoon die hem het vuurwapen zou hebben gegeven en de verdere omstandigheden waaronder hij het wapen zou hebben ontvangen. Hij heeft daardoor geen openheid van zaken gegeven. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 september 2019 betreffende verdachte is een zorgelijke ontwikkeling waar te nemen, waarbij de strafbare feiten die verdachte pleegt in ernst lijken toe te nemen. Verdachte is diverse keren veroordeeld voor geweldsmisdrijven, waaronder straatroven in vereniging. Ook komt verdachte blijkens politieregistraties voor in meer mutaties waar hij een wapen, te weten een mes, voorhanden zou hebben gehad. De rechtbank houdt ook hiermee in het nadeel van verdachte rekening.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het Amsterdams oriëntatiepunt “vuurwapens en explosieven” van 20 mei 2019, waarin voor het bezit van een pistool in een publieke ruimte als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden wordt gehanteerd. Dit oriëntatiepunt is een weerspiegeling van de heersende opinie in Amsterdam met betrekking tot vuurwapens, die voortkomt uit het toenemende vuurwapengeweld, waaronder de vele liquidaties in Amsterdam. De rechtbank ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken, met name gelet op het feit dat verdachte op een metrostation tussen willekeurige andere mensen rondliep met een geladen vuurwapen. In dat wapen zaten bovendien maar liefst acht kogels; ook met die omstandigheid houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het rapport van 11 december 2019 van Reclassering Nederland, waarin staat dat de kans op recidive hoog is en zal afnemen zodra passende hulpverlening dan wel begeleiding is begonnen. Geadviseerd wordt om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling, een locatiegebod met elektronische controle op het huidige adres van verdachte en het volgen van een opleiding. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de reclassering en zal dit volgen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, recht doet aan het bewezen verklaarde.

8

Blijkens een lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen is de revolver onder verdachte in beslag genomen. Nu verdachte bij de politie afstand heeft gedaan van die revolver en dit ter zitting ook uitdrukkelijk heeft bevestigd, neemt de rechtbank geen beslissing over de in beslag genomen revolver.

9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

beslissing

10


van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd voor de duur van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd onder behandeling stellen van forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener op de tijden en plaatsen als door of namens forensische polikliniek De Waag of soortgelijke zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, welke behandeling gericht dient te zijn op het opstellen van een delictanalyse.

Veroordeelde moet gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op zijn huidige verblijfadres op de volgende locatie: [adres] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelde moet een opleiding volgen of werken totdat hij kan beginnen met een nieuwe opleiding.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,mrs. Ch.A. van Dijk en R. Godthelp, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 januari 2020.
-

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid,