Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:1946

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:1946, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751015-20


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751015-20RK nummer: 20/304

Datum uitspraak: 24 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2019 door de Rechtbank van Brescia (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëist persoon] alias [alias opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in het [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2020:1946:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751015-20RK nummer: 20/304
Datum uitspraak: 24 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2019 door de Rechtbank van Brescia (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëist persoon] alias [alias opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in het [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen en door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een Bevel tot voorlopige hechtenis in de gevangenis van 15 oktober 2019, uitgevaardigd door de Rechtbank van Brescia, met kenmerk: 13894/19 R.G.N.R. en 14769/19 R.G.G.I.P.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de aanvullende e-mail van 6 maart 2020 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.
Genoegzaamheid

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 OLW. Ondanks de nadere omschrijving van de feiten in de e-mail van de uitvaardigende autoriteiten van 6 maart 2020, is de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de vermeende strafbare feiten onvoldoende omschreven. De raadsman heeft erop gewezen dat in de omschrijving van de feiten in de e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 maart 2020 is vermeld dat de opgeëiste persoon op 14 november 2017 in Italië zou zijn aangekomen, waar hij samen met zijn broer werd geïdentificeerd. Uit een registratieoverzicht van de politie met betrekking tot de opgeëiste persoon in Nederland (dat zich in het dossier bevindt) blijkt echter van een algemene mutatie (actie) op 13 november 2017 en een verdachte situatie (incident) op 15 november 2017. Ook bevindt zich in het dossier een Informatiestaat SKDB-persoon van een man met de achternaam [naam] , terwijl uit de bijbehorende foto volgt dat dit iemand anders is dan de opgeëiste persoon, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren.

De rechtbank overweegt allereerst dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Mede in aanmerking genomen dat het EAB strekt tot (verder) strafrechtelijk onderzoek in Italië, voldoet de beschrijving naar het oordeel van de rechtbank aan de hiervoor genoemde eisen. De opgeëiste persoon wordt – kort gezegd – verdacht van betrokkenheid als mededader / organisator van drugstransporten (cocaïne) tussen Nederland en Italië (Brescia) in het najaar van 2017. Niet is vereist dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van de verdenking vermeldt. Het is immers niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Evenmin dient de omschrijving van de feiten zodanig te zijn dat het de opgeëiste persoon in de gelegenheid stelt om een onschuldverweer te voeren. De rechtbank verwerpt daarom het verweer omtrent de genoegzaamheid van de omschrijving van de verdenking.
Voor zover is beoogd om een onschuldverweer te voeren op basis van de mutaties die zien op 13 en 15 november 2017 in Nederland en de omschrijving van de feiten waaruit zou volgen dat de opgeëiste persoon op 14 november 2017 niet in Italië was, overweegt de rechtbank dat één en ander niet zonder meer leidt tot de conclusie dat tijdens het verhoor ter zitting is aangetoond dat de opgeëiste persoon de feiten waarvan hij - als mededader - wordt verdacht niet gepleegd kan hebben. De stellingen hieromtrent kunnen dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

Voor zover is beoogd een identiteitsverweer te voeren, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat zich in het dossier van de opgeëiste persoon, die vele aliassen heeft, een Informatiestaat SKDB-persoon bevindt van een andere persoon – waarvan de naam gedeeltelijk overeenkomt met één van de vele aliassen van de opgeëiste persoon – leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de identiteit van de opgeëiste persoon. Het verweer wordt daarom verworpen.

4

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Italiaanse autoriteiten plaats te vinden.De volgende argumenten zijn aangevoerd:
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is dat het er alle schijn van heeft dat het een Nederlandse strafzaak betreft omdat er in Nederland opsporingsbevoegdheden zouden zijn ingezet. Mogelijk is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs in het Italiaanse onderzoek omdat bewijs is verkregen zonder tussenkomst of toestemming van de Nederlandse autoriteiten. De omschreven feiten ten aanzien van de opgeëiste persoon, zijn feiten die op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. De rechtbank merkt voorts op dat niet is gebleken van een Nederlandse strafzaak met betrekking tot dezelfde feiten als waarvoor de overlevering wordt verzocht. Voor zover er mogelijk op basis van een rechtshulpverzoek vanuit Italië in Nederland onderzoekshandelingen zijn verricht, geldt dat niet is vereist dat stukken daaromtrent in het kader van dit overleveringsverzoek worden toegevoegd aan het dossier. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

-

het onderzoek heeft een aanvang genomen in Italië;

het bewijs bevindt zich in Italië;

medeverdachten worden in Italië vervolgd / zijn in Italië veroordeeld;

de verdovende middelen waren bestemd voor de Italiaanse markt en dus is met name de rechtsorde van Italië geschaad.

6

In een tussenuitspraak van 24 december 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:10053) heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit een onderzoeksrapport van de non-gouvernementele organisatie Antigone van mei 2019 blijkt dat ten aanzien van 16 detentiecentra in Italië niet is gegarandeerd dat gedetineerden minimaal 3 vierkante meter zullen hebben. Ten aanzien van deze detentiecentra heeft de rechtbank geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek daarom heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

Zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden gedetineerd in één van de (…) 16 detentiecentra, te weten: Bergamo, Milaan San Vittore, Opera van Milaan, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwen, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro en de twee Napolitaanse gevangenissen Poggioreale en Secondigliano?

Bij brief van 2 maart 2020 heeft de van het Italiaanse - kort gezegd - laten weten dat geen enkele gedetineerde minder dan 3 vierkante meter zal hebben, omdat gebruik wordt gemaakt van een systeem waarmee de situatie in alle Italiaanse gevangenissen in kan worden gevolgd. Verder staat in de brief:

It is worth highlighting that as a consequence of the health emergency currently affecting some areas of Italy, are now suspended, until further notice, the transfers of prisoners to and from prisons falling within the jurisdiction of Turin, Padua, Bologna and Florence, and that this Directorate General shall take account of these restrictions when allocating prisoners to prisons.

In een aanvullende brief van 4 maart 2020 heeft het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking het volgende verklaard:

(…) het Departement van de Penitentiaire Administratie beschikt tegenwoordig over een toepassingssysteem, dat aanwezig is op het hele nationale grondgebied, dat door het exact vaststellen van het aantal gedetineerden dat aanwezig is in iedere inrichting, het mogelijk maakt te garanderen dat de gedetineerden zullen worden ondergebracht in een vestiging waar de normen van art. 3 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens worden nageleefd.

Dit met name voor wat betreft de beschikbare persoonlijke ruimte per gedetineerde, berekend met uitsluiting van het volume van de sanitaire voorzieningen maar inclusief dat van het meubilair en met inachtneming in ieder geval, van de mogelijkheid van iedere gedetineerde om zich normaal te kunnen bewegen in de cel.

In ieder geval heeft het Departement van de Penitentiaire Administratie gegarandeerd en vandaag in de communicatie met dit Kantoor bevestigd, dat de door de Nederlandse Autoriteiten overgeleverde personen zullen worden ondergebracht, zijnde de eerste allocatie, in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex en dat zij ook nadien niet zullen worden ondergebracht in een van de 16 instellingen (Bergamo, Milano San Vittore, Milano Opera, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Trani Femminile, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro, Napoli Poggioreale en Napoli Secondigliano, Turi) ten aanzien waarvan de rechtbank Amsterdam heeft aangegeven dat daar het risico aanwezig is van ontoereikende omstandigheden.

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden overgeleverd vanwege de slechte detentieomstandigheden in Italië. Hij heeft gesteld dat voordat op het overleveringsverzoek wordt beslist, eerst nader onderzoek moet worden gedaan. De raadsman heeft hierbij niet alleen gewezen op de algemene slechte detentieomstandigheden – met name overbevolking – en het gevaar dat de rechtbank in dat kader heeft aangenomen, maar ook op opstanden en ongeregeldheden in gevangenissen in onder andere Modena en Pavia als gevolg van (de aldaar getroffen maatregelen tegen) de uitbraak van het coronavirus. De raadsman heeft verwezen naar een mediabericht van 9 maart 2020 waarin melding wordt gemaakt van zes gevangenen in Modena die om het leven kwamen door een overdosis methadon, die zij in de chaos van de gevangenisopstand hadden weten te ontvreemden uit het gevangenisziekenhuis.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat – ten aanzien van het hiervoor genoemde gevaar met betrekking tot 16 Italiaanse detentiecentra – gelet op bovenstaande garantie van de Italiaanse autoriteiten, er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling en dat de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering vormen.
Ten aanzien van de Corona-uitbraak, heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat de situatie in Italië door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) scherp in de gaten wordt gehouden en dat zij voortdurend in contact staan met de Italiaanse autoriteiten. Op het moment dat de feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon aanstaande is, en het IRC van oordeel is dat overlevering onverantwoord is, zal het IRC op grond van art 35, derde lid van de OLW tot uitstel van de feitelijke overlevering besluiten, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat uit bovengenoemde brief van 2 maart 2020 blijkt dat bij de allocatie van gedetineerden rekening wordt gehouden met de huidige situatie in Italië in verband met het coronavirus. De rechtbank gaat er bovendien van uit dat de (steeds veranderende) situatie door de (Italiaanse) autorititeiten nauwkeurig wordt gemonitord en dat – zoals door de officier van justitie ook aangegeven – dienovereenkomstig zal worden gehandeld door de officier van justitie in het kader van de feitelijke overlevering en het bepaalde in artikel 35, derde lid van de OLW. Een dreigend gevaar voor de gezondheid van de opgeëiste persoon in Italië zoals door de raadsman bedoeld doet zich tegen deze achtergrond niet voor. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat omstandigheden als gevolg van de uitbraak van het coronavirus in beginsel niet raken aan de inhoudelijke beoordeling van het overleveringsverzoek, maar een rol kunnen spelen in het kader van artikel 35 OLW en de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden en humanitaire redenen waar de officier van justitie rekening mee moet houden in het kader van de feitelijke overlevering.

beslissing

7

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 13 OLW.

beslissing

9



STAAT TOE[naam opgeëist persoon] alias [alias opgeëiste persoon]
Aldus gedaan doormr. A.K. Glerum, voorzitter,mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2020.
De leden van de combinatie en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Gezien en namens dezen,

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.