Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:1932

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:1932, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/701727-18 (tussentijdse toetsinng)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/701727-18 (tussentijdse toetsing)

BESLISSING

Deze rechtbank heeft op 14 augustus 2018 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:

[veroordeelde]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in “ [locatie Justitieel Complex] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2020:1932:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/701727-18 (tussentijdse toetsing)

BESLISSING

Deze rechtbank heeft op 14 augustus 2018 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:

[veroordeelde]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in “ [locatie Justitieel Complex] ” te [plaats] .
procesverloop

1

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

De rechtbank heeft op 10 maart 2020 de officier van justitie mr. E. Broekhof, veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. L.M. Ravestijn, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [persoon 2] , programmamanager ISD, verbonden aan het [locatie Justitieel Complex] , op de openbare terechtzitting gehoord.

-

het vonnis van deze rechtbank van 14 augustus 2018, waarin is beslist dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel uiterlijk zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van die maatregel moet worden getoetst;

de beslissing van deze rechtbank van 15 maart 2019, waarbij na een tussentijdse toetsing is beslist dat de ISD-maatregel dient te worden voorgezet;

het verzoek ex artikel 6:6:14 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van de veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. L.M. Ravestijn om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel;

het verslag ten behoeve van de tussentijdse toetsing ISD (stand van uitvoering van het verblijfsplan van veroordeelde) van 10 maart 2020;

een door de raadsvrouw ter terechtzitting overhandigde e-mail van [persoon 1] van 9 maart 2020 van Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V).

overwegingen

2

Uit voornoemd blijkt onder meer het volgende. Het vonnis waarin de ISD-maatregel is opgelegd, is op 29 augustus 2018 onherroepelijk geworden. Veroordeelde verbleef van 4 oktober 2018 tot 19 juni 2019 in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC) van Justitieel Complex (hierna: JC) [locatie Justitieel Complex] in verband met suïcidaliteit. Aldaar heeft veroordeelde een EMDR behandeling gevolgd voor complexe PTSS. Het is onduidelijk of hij deze behandeling heeft afgemaakt. Bij voornoemde is – na een tussentijdse toetsing – beslist tot voortzetting van de ISD-maatregel, om de ingeslagen trajecten – waaronder terugkeer naar Roemenië – alle kansen te kunnen bieden.

Bij is veroordeelde ongewenst verklaard. Hij mag daarom niet in Nederland verblijven. Veroordeelde verblijft echter – gelet op de wachtlijst voor overplaatsing naar de VRIS-ISD inrichting van de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) [locatie 1] – in [locatie Justitieel Complex] , alwaar op 17 september 2019 een trajectbepalingsoverleg (TBO) heeft plaatsgevonden. Tijdens dit overleg heeft veroordeelde een sombere indruk gemaakt, die verklaard lijkt te worden door een onzeker toekomstperspectief, schuldgevoelens en een negatief zelfbeeld.

Uit informatie van de DT&V komt naar voren dat – al dan niet met behulp van de Roemeense autoriteiten – wordt gewerkt aan het verkrijgen van een geldig reisdocument om repatriëring naar Roemenië te realiseren. Veroordeelde werkt hieraan mee en kan in Roemenië terecht bij familie. Indien de DT&V een geldig reisdocument voorhanden heeft, kan zijn terugkeer plaatsvinden. Door de DT&V wordt geadviseerd om terugkeer tijdens de ISD-maatregel mogelijk te maken, omdat zijn terugkeer in de (Nederlandse) maatschappij – gelet op zijn onrechtmatige verblijfsstatus en zijn gepleegde strafbare feiten – niet wenselijk is. Met zijn terugkeer wordt voldaan aan een van de doelen van de ISD-maatregel voor ongewenst verklaarden (VRIS-ISD), te weten re-integratie in het land van herkomst.

In de worden twee routes geschetst om terugkeer naar Roemenië vanuit de VRIS-ISD mogelijk te maken. De eerste route houdt in dat DT&V bij voortzetting van de maatregel de terugkeer van veroordeelde naar Roemenië zal bewerkstellingen. De ISD-maatregel zal in dat geval worden beëindigd (door de Minister) op het moment dat de veroordeelde Nederland verlaat. De tweede route houdt in dat de rechtbank beslist tot opheffing van de maatregel (op 24 maart 2020), omdat het DT&V twee weken nodig zou hebben om terugkeer te realiseren.

De raadsrouw

De deskundige

De officier van justitie

De veroordeelde

3

De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 Sr is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte.

Op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde op de openbare terechtzitting stelt de rechtbank vast dat binnen afzienbare termijn kan worden voldaan aan een van de doelen van de VRIS-ISD maatregel, te weten repatriëring naar het land van herkomst. De DT&V heeft echter (nog) geen geldig reisdocument voorhanden om veroordeelde naar Roemenië uit te zetten. De rechtbank wil – ter bescherming van de maatschappij en gelet op zijn verblijfsstatus – voorkomen dat veroordeelde bij een beëindiging van de ISD-maatregel op straat zal belanden. De rechtbank acht voortzetting van de ISD-maatregel noodzakelijk, zodat de maatregel pas beëindigd kan worden op het moment dat de repatriëring wordt bewerkstelligd.

Daarom wordt als volgt beslist.

Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.

beslissing

4


De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven doormr. G.P.C. Janssen, voorzitter,mrs. R.A. Overbosch en L. Dolfing, rechters,in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2020.