Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:1896

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:1896, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751021-20


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751021-20RK nummer: 20/771

Datum uitspraak: 24 maart 2020

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2020:1896:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751021-20RK nummer: 20/771
Datum uitspraak: 24 maart 2020

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten: mevrouw mr. H.A.F.C. Tack en de heermr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een , met kenmerk: III Kp 352/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Poolse recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4

4.1.
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de in onderdeel E onder I van het EAB omschreven feiten, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het in onderdeel E onder II van het EAB omschreven feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De verdediging heeft betoogd dat het feit II naar Nederlands recht niet strafbaar is en dat de overlevering voor dit feit daarom moet worden geweigerd. De in het EAB opgenomen verdenking is dat de opgeëiste persoon voorbereidingshandelingen zou hebben gepleegd om een vervalste ID-kaart te houden waar hij verbleef. Hij heeft dus niet daadwerkelijk een vervalste ID-kaart voorhanden gehad: “that would keep” is de gegeven omschrijving, aldus de verdediging. De verdediging heeft tevens betoogd dat de omschrijving ongenoegzaam is, omdat het Poolse strafbare feit – gelet op de Poolse kwalificatie – ziet op voorbereidingshandelingen voor het vervalsen van een ID-kaart. Het EAB omschrijft enkel voorbereidingshandelingen voor het voorhanden hebben van een vervalst document. De mate van betrokkenheid is dus onvoldoende omschreven.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren; het feit valt onder artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat van dubbele strafbaarheid of genoegzaamheid van de omschrijving geen sprake is – heeft de officier van justitie verzocht hierover aanvullende informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank leest de omschrijving van feit II aldus dat de opgeëiste persoon er van wordt verdacht dat hij (ter plaatse waar hij verbleef) een vervalste identiteitskaart voorhanden heeft gehad en (daarmee) voorbereidingshandelingen heeft verricht om die vervalste identiteitskaart als echt en onvervalst te gebruiken (“to use as authentic”). De omschrijving van het feit – de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, inclusief de vermelde tijd en plaats van het feit – is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en genoegzaam. Het feit levert naar Nederlands recht op:

een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is

De rechtbank verwerpt de verweren.

5

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Poolse autoriteiten plaats te vinden.De volgende argumenten zijn aangevoerd:
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is onder meer dat alle beschreven handelingen van de opgeëiste persoon in Nederland zouden zijn begaan. Het aanschaffen van drugs in Nederland schokt bovendien juist de rechtsorde in Nederland en niet in Polen. Dat de opgeëiste persoon betrokken is bij de uitvoer van drugs uit Nederland, blijkt niet uit het EAB, aldus de verdediging. Ook van medeplegen van uitvoer van drugs kan geen sprake zijn, gelet op de informatie in het EAB.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Dit betekent dat niet wordt onderzocht met welk land méér raakpunten bestaan, maar dat slechts getoetst kan worden of de officier van justitie in redelijkheid tot de vordering van artikel 13, tweede lid, OLW heeft kunnen komen. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, is dat het geval. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

-

het onderzoek heeft een aanvang in Polen genomen;

het bewijs bevindt zich in Polen;

medeverdachten worden in Polen vervolgd of zijn in Polen veroordeeld;

de verdovende middelen waren bestemd voor de Poolse markt en dus is met name de rechtsorde in Polen geschaad.

6. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
6.1
Inleiding; overzicht jurisprudentie Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast (stap 1).

Teneinde concreet en nauwkeurig te kunnen beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat een opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen (stap 2 en stap 3), heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.

In de brief van 26 oktober 2018 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit antwoord gegeven op de vragen die geformuleerd zijn in bovengenoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018.

Bij uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen, zodanig is dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat in zaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt, kan worden aangenomen dat ook aan stap 2 is voldaan.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een deel van de eerder gestelde vragen niet meer hoeft te worden beantwoord, tenzij zich nieuwe relevante ontwikkelingen voordoen.De rechtbank heeft geoordeeld dat de vragen betreffende “Tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen” nog moeten worden gesteld in het kader van de beoordeling van stap 3, bij de beantwoording van welke vraag moet worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.
Bij uitspraak van 16 januari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij zich op dat moment – op grond van de informatie die in andere overleveringszaken was verstrekt – voldoende voorgelicht achtte over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters. De rechtbank overwoog toen onder meer:

Hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend is en de meest recente ontwikkelingen ongunstig zijn, is dit algemene beeld op zichzelf in beginsel nog onvoldoende om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang is geweest of zal komen. Informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen blijft van belang bij de beoordeling van vraag/stap 3, maar naar de huidige stand van zaken zal deze informatie niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is (geweest), ertoe kunnen leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan

(…)
Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank, indien zij dit noodzakelijk acht in het licht van nieuwe ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat, nadere vragen kan stellen.

6.2
Standpunt van partijen ter zitting

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat het vertrouwensbeginsel waarop het overleveringsrecht is gebaseerd, niet meer kan gelden ten opzichte van Polen. Gelet op de vaststellingen van de rechtbank in het kader van de stappen 1 en 2, in combinatie met nieuwe ontwikkelingen in Polen, waaronder met name de inwerkingtreding op 4 februari 2020 van een nieuwe wet die vanwege de inhoud bekendstaat als ‘muzzle law’, is het vertrouwen geschonden. De verdediging heeft gesteld dat het Poolse Hooggerechtshof heeft geoordeeld dat rechters aangewezen onder de gewijzigde omstandigheden, geen rechters zijn onder Pools of Europees recht. Dit vormt een wezenlijk risico voor de opgeëiste persoon, omdat hij daadwerkelijk het risico loopt dat zijn zaak zal worden beoordeeld door “rechters” die niet voldoen aan de Poolse en Europese eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Nu het vertrouwensbeginsel is geschonden, kan van overlevering geen sprake meer zijn. De verdediging heeft er in dit kader ook op gewezen dat het bij uitspraak van 17 februari 2020 in een Poolse overleveringszaak met zaaknummer in verband met de ontwikkelingen ten aanzien van de rechtsstaat vooralsnog heeft afgezien van overlevering (blijkens een persbericht van 9 maart 2020)Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld. Die vragen dienen te zien op de kwestie of de opgeëiste persoon een eerlijk proces kan krijgen, gelet op de twijfel over de status van sommige “rechters”, de rechtsstaat en in het bijzonder of onder deze omstandigheden het vertrouwensbeginsel nog van toepassing is.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3
Oordeel van de rechtbank

6.3.1

De rechtbank ziet, gelet op de meest recente ontwikkelingen in Polen, aanleiding het onderzoek te heropenen om – alvorens te beslissen – de problematiek van de Poolse rechtsstaat nader te onderzoeken, mede aan de hand van geactualiseerde zienswijzen van de officier van justitie en de verdediging. Hierbij is onder meer van belang dat het (Duitsland) in de hiervoor vermelde uitspraak heeft beslist dat het in die zaak gegeven bevel tot overleveringsdetentie moet worden ingetrokken aangezien het op dit moment zeer waarschijnlijk is dat de overlevering van de verdachte aan Polen met het oog op strafrechtelijke vervolging ontoelaatbaar zal zijn wegens schending van het recht op een eerlijk proces. In die zaak zijn nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende Poolse autoriteit en aan het Poolse Ministerie van Justitie. Deze uitspraak was ten tijde van de behandeling van 10 maart 2020 nog niet in Nederlandse vertaling beschikbaar voor partijen. De rechtbank heeft de uitspraak laten vertalen en een afschrift hiervan zal als bijlage aan deze tussenuitspraak worden gehecht.
6.3.2

De rechtbank wijst voorts op de recente zitting van 9 maart 2020 bij het Hof van Justitie van de EU (hierna: het Hof) ten behoeve van de door de Europese Commissie verzochte binnen de bij het Hof aanhangige inbreukprocedure (zaak C-791/19) van de Europese Commissie tegen Polen. Deze is verzocht om het functioneren van van het Poolse Hooggerechtshof op te schorten. De rechtbank verwacht dat hierop binnen afzienbare tijd zal worden beslist, hoewel het Hof hiervoor geen datum heeft bepaald.
6.3.3

In het licht van het gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon het risico loopt dat zijn zaak in Polen zal worden beoordeeld door rechters die mogelijk niet voldoen aan de vereisten van het EU-recht inzake justitiële onafhankelijkheid – en die daarom geen onafhankelijke rechters zouden zijn in de zin van het EU-recht en het Poolse recht – wijst de rechtbank op het volgende. In het arrest van het Hof van 19 november 2019 heeft het Hof – kort gezegd – geoordeeld dat het aan de verwijzende (in casu Poolse) rechter is om, rekening houdend met alle relevante gegevens waarover hij beschikt, vast te stellen of is voldaan aan de in dat arrest verwoorde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Gebleken is dat het Poolse Hooggerechtshof op 5 december 2019 heeft beslist dat de tuchtkamer () van het Poolse Hooggerechtshof niet voldoet aan die vereisten. Tegen deze beslissing heeft de Poolse regering beroep ingesteld bij het Poolse Grondwettelijke Hof. De rechtbank acht het van belang in dit verband te wijzen op de van 16 januari 2020. In dit rapport overweegt in punt 60 het volgende:
The Venice Commission understands that Polish legal order faces a difficult situation: as a result of the controversial reform of 2017, “old” judicial institutions de facto refused to recognise the legitimacy of the “new” ones. This “legal schism” should be quickly resolved, which will certainly require further legislative amendments. The amendments of December 2019, however, are not suitable to achieve this goal. They diminish judicial independence and put Polish judges into the impossible situation of having to face disciplinary proceedings for decisions required by the ECHR, the law of the European Union, and other international instruments. Thus, the Venice Commission recommends not to adopt those amendments.

De voornoemde wetswijzigingen (de Wet op de inrichting van de gewone rechtbanken, de Wet op het Hooggerechtshof en enkele andere wetten) zijn evenwel op 4 februari 2020 in werking getreden.

6.3.4De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen om – alvorens de rechtbank nader uitspraak zal doen – hun schriftelijke zienswijze te geven op voorgaande ontwikkelingen (punten 6.3.1 tot en met 6.3.3) en – meer specifiek – op de vraag hoe deze punten concreet (moeten) doorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van 25 juli 2018 (de onder 6.1 toegelichte 3 stappen).
beslissing

7



HEROPENT en SCHORST

BEVEELT

BEVEELT

BEVEELT

Aldus gedaan doormr. A.K. Glerum, voorzitter,mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2020.
De leden van de combinatie en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Gezien en namens dezen,

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

_c9b82aa0-3fba-4bd2-83bc-849adba3bcaa
1

ECLI:NL:RBAMS:2018:5925.

_169d632c-1872-41f9-b138-12538e0cf8d2
2

ECLI:EU:C:2018:586.

_a833b81e-6909-477f-8bc6-530197da7388
3

ECLI:NL:RBAMS:2018:7032

_a5b7794d-be74-4a33-8576-82e3644113ff
4

ECLI:NL:RBAMS:2019:7161

_b3567475-7098-4e26-8be6-77bf74838432
5

ECLI:NL:RBAMS:2020:184

_3dc38a48-83b4-4119-8cff-a4e002db8212
6

Hof van Justitie EU, 19 november 2019, ECLI:EU:C:2019:982.