Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:106

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 13-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:106, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/701584-16


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701584-16 (Promis)

Datum uitspraak: 13 januari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens] 1990,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres, [adres] ,gedetineerd in [detentieadres] .

ECLI:NL:RBAMS:2020:106:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/701584-16 (Promis)

Datum uitspraak: 13 januari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens] 1990,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres, [adres] ,gedetineerd in [detentieadres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 december 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.W.M. van der Linde en zijn raadsman mr. F.J. Soriano naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is – kort gezegd – onder 1 primair ten laste gelegd dat hij zich op 28 januari 2016 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] , door met een personenauto tegen die [slachtoffer] aan te rijden en vervolgens over haar beide benen heen te rijden. Subsidiair is poging tot toebrenging van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd en meer subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend.

Onder 2 is – kort gezegd – ten laste gelegd dat verdachte op 28 januari 2016 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het verlaten van vorenbedoeld ongeval, terwijl hij wist of diende te vermoeden dat aan [slachtoffer] letsel was toegebracht.

De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling. Op grond van de verklaringen van aangever, getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn taxi over de benen van aangeefster is gereden en dat zij daar zwaar lichamelijk letsel aan over heeft gehouden. Volgens de officier van justitie heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou intreden. Verdachte is gaan rijden, terwijl hij wist dat aangeefster zich in de nabijheid van zijn auto bevond.
De officier van justitie heeft tevens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde verlaten van het plaats ongeval. De officier van justitie acht het onaannemelijk dat verdachte niet zou hebben gemerkt dat hij over de benen van aangeefster heen is gereden.

3.2
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde varianten van mishandeling, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. De raadsman heeft tevens ten aanzien van feit 2 vrijspraak verzocht. De omstandigheden van de avond leiden er niet toe dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er een ongeval had plaatsgevonden, waarbij aangeefster letsel was toegebracht.

3.3
Oordeel van de rechtbank

3.3.1
Vrijspraak van feit 1, mishandeling

Verdachte heeft op 28 januari 2016 aangeefster en haar neef, [getuige 1] , meegenomen in zijn taxi. Daarna heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte, aangeefster en haar neef. Dit ging over de betaling van de taxirit. Na de (eerste) confrontatie op de Rozengracht te Amsterdam is verdachte weer in zijn auto gestapt. Op dat moment is door aangeefster en haar neef opnieuw getracht om verdachte te slaan, met onder meer een paraplu en een door aangeefster afgebroken ruitenwisser. Verdachte is toen, naar eigen zeggen, in paniek weggereden. De rechtbank stelt, op grond van de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 2] vast dat verdachte bij het wegrijden over de benen van aangeefster gereden.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangeefster zich zo dichtbij de auto bevond dat er een grote kans was dat verdachte haar zou aanrijden. Verdachte heeft naar eigen zeggen niet waargenomen dat aangeefster was gevallen vlak voordat hij naar voren reed. Nu het dossier geen bewijsmiddelen bevat die deze lezing tegenspreken, kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij het naar voren rijden de opzet heeft gehad dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster zou aanrijden en dat zij daarbij letsel zou oplopen. De rechtbank zal verdachte daarom van geheel feit 1 vrijspreken.

3.3.2
Oordeel over feit 2, verlaten plaats ongeval

Verdachte is, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, op 28 januari 2016 over de benen van aangeefster gereden. Verdachte heeft daarover ter zitting verklaard dat hij dat niet gemerkt heeft. Ook heeft verdachte verklaard dat hij weet dat er zich geen drempels bevinden op de Rozengracht. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de auto op en neer heeft zien bewegen, alsof de auto over een drempel reed. De rechtbank vindt niet aannemelijk dat verdachte niet heeft gemerkt dat hij over aangeefster heen is gereden, nu de auto kennelijk een grote beweging heeft gemaakt en verdachte ervan op de hoogte was dat er zich geen drempels op de Rozengracht bevinden. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij in zijn spiegel heeft gezien dat aangeefster op de grond zat. Verdachte reed in een taxibusje. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer een persoon met een busje tegen of over een ander rijdt, hij of zij daar hoogstwaarschijnlijk letsel aan overhoudt. Ook verdachte moet, als taxichauffeur, hiervan op de hoogte zijn geweest.

Ook de gedragingen van verdachte zelf na het incident geven aanleiden tot het vermoeden dat verdachte wist dat hij aangeefster heeft aangereden, maar dat hij dat verborgen heeft willen houden. De door aangeefster afgebroken ruitenwisser heeft verdachte zelf vervangen, zonder dat te melden bij zijn werkgever. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij erg geschrokken was van het incident. Op de vraag waarom verdachte niet zelf aangifte heeft gedaan van mishandeling en vernieling, heeft verdachte geen eenduidig antwoord kunnen geven. Verdachte heeft onder meer verklaard dat er toch niet zoveel aan de hand was, dat het doen van aangifte geen zin heeft. Verder was verdachte na het incident slecht bereikbaar voor de politie. Verdachte verklaart dat hij de dag na het incident naar Turkije vertrokken is in verband met het overlijden van een vriend en daarom zo slecht bereikbaar was. Dat blijkt echter niet uit de verklaringen van zijn zus en zijn vader en ook niet uit de stempels in zijn paspoort, waaruit volgt dat verdachte pas op 17 februari 2016 Turkije is ingereisd. Daarbij is verdachte geruime tijd na het incident volledig onder de radar gebleven. Verdachte was niet thuis en was op vier verschillende telefoonnummers niet voor de politie bereikbaar. Verdachtes zus heeft op 18 februari 2016 verklaard verdachte 2 weken niet te hebben gezien. Verdachtes vader heeft op 26 februari verklaard dat hij verdachte sinds 15 februari 2016 niet meer heeft gezien. Ook hij kon verdachte niet bereiken. Dat terwijl verdachte bij zijn ouders woont. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen afleggen waarom hij de weken na het incident onvindbaar was of waarom hij niet zelf aangifte heeft gedaan van mishandeling en vernieling.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte moet hebben gemerkt dat hij over aangeefster is heengereden. Hij heeft haar daarna op de grond zien zitten, waaruit hij had kunnen afleiden dat haar letsel was toegebracht. Dat verdachte daarna probeerde om onder de radar te blijven, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist dat aan aangeefster letsel was toegebracht. De rechtbank vindt de onder 2 ten laste gelegde verlaten van het plaats ongeval dan ook bewezen.

4

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de Rozengracht,op 28 januari 2016 de (voornoemde) plaats van ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten, te weten de zware mishandeling en verlaten plaats ongeval, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht strafkorting toe te passen wegens overschrijding van de redelijke termijn en er op gewezen dat er geen sprake is van een delictpatroon.

7.3
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte is, na een conflict met aangeefster en haar neef, in paniek in zijn taxibusje weggereden. Verdachte is daarbij over de benen van aangeefster gereden. Verdachte moet gemerkt hebben dat hij aangeefster geraakt heeft en heeft toch gekozen de plaats van het ongeval te verlaten. Hoewel verdachte in zijn spiegel zag dat aangeefster op de grond terecht was gekomen, is hij niet gestopt en heeft hij geen hulp ingeschakeld. Ook heeft verdachte zich niet later bij een politiebureau gemeld. Verdachte is zelfs enige tijd onvindbaar geweest. Ondanks dat voorafgaand aan het ongeval een conflict had plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster, waarbij verdachte in paniek is weggereden, acht de rechtbank het doorrijden na een ongeval zeer kwalijk. Ook in de door verdachte omschreven omstandigheden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 19 juli 2016, 2 mei 2019 en 12 december 2019, waaruit blijkt dat verdachte een weigerachtige houding heeft om mee te werken met de reclassering, waardoor niet kan worden geadviseerd over oplegging van eventuele bijzondere voorwaarden. Uit de Pro Justitia rapportages van 12 juli 2016 en 19 januari 2017 blijkt van eenzelfde houding, waardoor verdachte niet psychiatrisch kon worden onderzocht en er nauwelijks uitspraken over zijn functioneren konden worden gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit onder meer blijkt dat verdachte op 3 januari 2019 door het gerechtshof te Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. De rechtbank verklaart om die reden artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 28 maart 2016 aangehouden en in verzekering gesteld. Op dat moment is de termijn gaan lopen. Dit vonnis is gewezen op 13 januari 2020. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden, te weten met 1 jaar en 9 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding tot een lagere straf moet leiden De rechtbank vindt in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en toepassing van artikel 63 Sr matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

8

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 van het Wetboek van Strafrecht en 7 en 176 Wegenverkeerswet 1994.
9

bold underline

bold underline

bold

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,mrs. R.H.G. Odink en M. Vaandrager, rechters,in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2019.

bold underline