Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:104

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:104, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/752084-18 (EAB II)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752084-18 (EAB II)RK nummer: 19/6292

Datum uitspraak: 10 januari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 15 mei 2018 door de (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2020:104:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752084-18 (EAB II)RK nummer: 19/6292
Datum uitspraak: 10 januari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 15 mei 2018 door de (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 december 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Zitting 10 januari 2020

De rechtbank heeft ter zitting van 10 januari 2020 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gewezen.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een .

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar en vier dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

3.1.1.
Inhoud van de stukken

1. If you have ticked answer “no”, please confirm the existence of one of the following:

c. being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor who was appointed by the person concerned to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial;

2. If you have ticked the answers under points 1.b, 1.c or 1.d above, please provide information about how the relevant condition has been met:

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:

Please, indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:

No, this person did not appear in person at the trial resulting in the decision

(…)

(…)

The requested [opgeëiste persoon] appeared in person, along with his legal counsellor, at the first trial on 5 July 2016. During this trial the requested [opgeëiste persoon] pleaded guilty to all the offences with which he had been charged. Despite being properly summoned, he did not attend the consecutive trials and he did not produce any justification of his absence hereto. On 3 November 2016 the requested left his place of abode on the territory of Poland. The last summons for the trial scheduled on

30 December 2016 was delivered to him through substituted service (two postal notifications of a document to be collected) which, according to the law of the Republic of Poland implies that the summons was effectively served. (…) Despite the above, the requested was still entitled to a public defence counsellor who attended all the trials and undertook all the defence actions for the benefit of the requested. The defence counsellor lodged as well an appeal against the decision of the Regional Court in Tarnów and attended the appeal trial on 28 June 2017.

Op verzoek van de officier van justitie heeft de bij brief van 21 november 2019 onder meer verklaard dat:
(…) According to the files of the case there is no information whether [opgeëiste persoon] contacted the defence counsel who participated in the appeal trial. It is a fact, however, that [opgeëiste persoon] lost contact with the defence counsel (…). Therefore, it can be concluded that he did not contact his defence counsel either who represented him during the appeal trial (…).

3.1.2.
Oordeel van de rechtbank

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Gelet op voornoemde informatie kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de raadsman in hoger beroep heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren. Daarom stelt de rechtbank – met de raadsman en de officier van justitie – vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

Een dergelijke verklaring ontbreekt. Aldus is niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW voldaan en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond van toepassing. De overlevering moet dus worden geweigerd.

4



De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 5.
WEIGERT[opgeëiste persoon]Regional Court in Tarnów
Aldus gedaan doormr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.