Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2020:102

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2020:102, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751320-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751320-19 RK nummer: 19/4214

Datum uitspraak: 10 januari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2019 door de (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977, verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2020:102:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751320-19 RK nummer: 19/4214
Datum uitspraak: 10 januari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2019 door de (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977, verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

Zitting 11 oktober 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.J. van der Velde, advocaat te Almere, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot de zitting van 20 december 2019 om – kort gezegd – de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw in de gelegenheid te stellen het beroep op gelijkstelling met een Nederlander nader te onderbouwen.

Zitting 20 december 2019

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 20 december 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.C.M. Weijnen, advocaat te Almere (als waarnemer voor mr. A.J. van der Velde), en door een tolk in de Poolse taal.
Zitting 10 januari 2020

De rechtbank heeft ter zitting van 10 januari 2020 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gewezen.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een:

I. , enII. .
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van:

I. een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat;II. een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 28 dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

3.1.1.
Inhoud van de stukken

2. No, [opgeëiste persoon] failed to appear in person at the sitting on the 13th of August 2004 which led to the rendering of the judgement, although he was duly informed about the date of the sitting.

3. If no, please indicate which of the following circumstances occur:

1. Yes, [opgeëiste persoon] appeared at the hearing on the 1st of April 2007 which led to the rendering of the judgement. [opgeëiste persoon] knows the contents of the judgement since he was present when it was announced.

a. In the case no. II K 109/04 there had been no earlier hearings in which the merits of the case, including the guilt of [opgeëiste persoon] , were discussed. The decision was rendered at the session on 13.08.2004 of which [opgeëiste persoon] was informed (the notice was received by the addressee’s brother, [broer opgeëiste persoon] , an adult household member, the service was deemed effective according to the applicable provisions). The decision of 13.08.2004 was sent to [opgeëiste persoon] to the delivery address specified by him but this letter was not collected by anybody and it came back to the Court after double advice note. Prior to the date of the hearing, [opgeëiste persoon] had been served upon with a copy of the indictment which was collected by him personally on 09.07.2004. (…)

b. [opgeëiste persoon] had not given a mandate to a lawyer in this case.

c. The Court did not take any additional activities to inform [opgeëiste persoon] by any other means about the date of the hearing(s) in the case II K 109/04.

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:

In relation to case no. II K 109/04

Please indicate if the person concerned appeared in person at the hearing which led to rendering of the decision:

(…)

3.1.a. (…) The Court ordered that the notice of the date of the sitting scheduled on the 13th August 2004 be served to [opgeëiste persoon] , and this correspondence was received at the indicated address by his brother – [broer opgeëiste persoon] on the 29th of July 2004. Therefore, [opgeëiste persoon] has been duly informed of the scheduled date and place of the sitting which led to the rendering of the judgement on the 13th of August 2004.

(…)

[opgeëiste persoon] failed to apply for re-examining the case and to lodge an appeal to the rendered judgement within the statutory deadline.

(…)

In relation to case no. VI K 148/07

Please indicate if the person concerned appeared in person at the hearing which led to rendering of the decision:

(…)

[opgeëiste persoon] failed to apply for re-examining the case and to lodge an appeal to the rendered judgement within the statutory deadline.

(…)

Op verzoek van de officier van justitie heeft de bij brief van 7 augustus 2019 onder meer verklaard:
3.1.2.
Oordeel van de rechtbank

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De rechtbank is – met de raadsman en de officier van justitie – van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is op het vonnis met referentienummer . Op basis van de hiervoor opgenomen informatie is immers gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon in verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dat vonnis heeft geleid.

Daarnaast stelt de rechtbank – met de raadsman en de officier van justitie – ten aanzien van het vonnis met referentienummer vast, dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

Een dergelijke verklaring van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontbreekt. Aldus is niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW voldaan en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond van toepassing. De overlevering moet daarom voor het vonnis met referentienummer worden geweigerd.

4

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3, vermeld in onderdeel e) van het EAB, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Feit 3 levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (890 microgram)

5

5.1.
Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon meer dan 5 jaar – in ieder geval sinds oktober 2014 – in Nederland woont en werkt. Hierbij is sprake van een duurzaam en rechtmatig verblijf. Ter onderbouwing heeft de verdediging voorafgaand aan de zitting van 11 oktober 2019 stukken aan de rechtbank overgelegd, waaronder een grote hoeveelheid bankafschriften en twee huurovereenkomsten. Tevens heeft de verdediging voorafgaand aan de zitting van 20 december 2019 zogenoemde ‘verklaringen geregistreerd inkomen’ van de Belastingdienst over de jaren 2014 tot en met 2018 aan de rechtbank verstrekt.

5.2.
Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

Ad 1.

Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Op basis van de door de verdediging overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon over een duurzaam verblijfsrecht beschikt. De reden hiervoor is als volgt.

De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij sinds 2014 – wederom – in Nederland woont en in de jaren 2014 tot en met 2017 heeft gewerkt als zelfstandige. Het bedrijf van de opgeëiste persoon is in januari 2018 failliet verklaard, waardoor hij vervolgens enige tijd geen eigen inkomen heeft gegenereerd. Inmiddels heeft de opgeëiste persoon het werk als zelfstandige weer opgepakt en werkt hij voor opdrachtgevers.

In het Unierecht is een zelfstandige iemand die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm, naar blijkt uit het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Door de raadsman is betoogd dat deze eis niet zo strikt zou moeten gelden voor de opgeëiste persoon. Hij is namelijk in 2014 overgeleverd naar Polen wegens een andere strafzaak. De Poolse autoriteiten hadden dat moment moeten aangrijpen om de straf(fen) in onderhavige zaken te executeren. Door dit na te laten en jaren nadien alsnog de overlevering te vorderen, is de opgeëiste persoon benadeeld. De rechtbank is echter van oordeel dat deze gang van zaken niet kan leiden tot een bijstelling van de gestelde inkomenseisen.
Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in 2014 en 2018 geen (geregistreerd) inkomen had. Aldus is over die jaren niet gebleken dat de opgeëiste persoon reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Het verweer dat de opgeëiste persoon in die jaren in voldoende mate is onderhouden door zijn echtgenote, is voorts onvoldoende onderbouwd. Het verweer met betrekking tot de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander wordt daarom verworpen.

arabic

bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

-

een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger wordt gelijkgesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook door het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

beslissing

6

Nu ten aanzien van het vonnis met referentienummer waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor dat vonnis te worden toegestaan.

Ten aanzien van het vonnis met referentienummer moet de overlevering worden geweigerd.

7

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

beslissing

8



STAAT TOE[opgeëiste persoon]Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal DivisionVI K 148/07
WEIGERT [opgeëiste persoon]II K 109/04
mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.