Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8961

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8961, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/064279-19 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/064279-19 (Promis)

Datum uitspraak: 2 december 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,gedetineerd in het [Justitieel Complex] te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:8961:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/064279-19 (Promis)

Datum uitspraak: 2 december 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,gedetineerd in het [Justitieel Complex] te [plaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 september 2019 en 18 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet, de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Berndsen naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is – kort gezegd – allereerst ten laste gelegd dat hij zich op 16 maart 2019 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] . Indien dat niet tot een bewezenverklaring leidt, is ten laste gelegd dat hij aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een mes in zijn bovenbeen te steken (feit 1). Verder is ten laste gelegd dat hij zich op datzelfde moment heeft schuldig gemaakt aan een poging doodslag van [slachtoffer 2] . Indien dat niet tot een bewezenverklaring leidt wordt verdachte verweten dat hij aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door te steken (feit 2). Tot slot is aan verdachte een poging tot zware mishandeling op diezelfde dag en plaats ten laste gelegd, doordat hij met een mes in zijn hand op [slachtoffer 3] is afgerend. Mocht dat niet tot een bewezenverklaring leiden, is aan verdachte bedreiging met enig misdrijf tegen het leven – dan wel zware mishandeling – van [slachtoffer 3] ten laste gelegd, door met een mes in zijn hand op [slachtoffer 3] af te rennen (feit 3).
De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1 primair) en [slachtoffer 2] (feit 2 primair). Verdachte heeft aanvallend met opzet op meerdere plekken – vlakbij vitale delen – in het lichaam van de slachtoffers gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat steekverwondingen in de borstkas vlakbij longen en hart en in de lies bij de slagader, tot de dood kunnen leiden. Gelet op de plek en heftigheid van de steekverwondingen is bij de slachtoffers sprake geweest van levensgevaar. Mocht de rechtbank poging tot doodslag niet bewezen achten, dan kan gelet op de aard van de verwondingen, de lange duur van het herstel en het benodigde medische ingrijpen, worden bewezen dat verdachte aan [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair) en [slachtoffer 2] (feit 2 subsidiair) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] (feit 3 primair) kan niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Van steekbewegingen door verdachte richting [slachtoffer 3] is immers niet gebleken. Ook lijkt het handelen van verdachte slechts op de heren [familienaam] gericht te zijn geweest. Wel kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd door met een mes op haar af te rennen (feit 3 subsidiair).
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1 primair) en [slachtoffer 2] (feit 2 primair) is van belang dat verdachte geen opzet op de dood van de slachtoffers gehad. Uit het dossier is niet gebleken van letsel dat mogelijk tot de dood had kunnen leiden. Bovendien bestaat er geen aanmerkelijke kans op de dood als gevolg van het steken in het been, de bil of de hand. De verwonding in de borst van [slachtoffer 2] was zodanig oppervlakkig dat dit niet tot de dood had kunnen leiden. Niet kan worden gesteld dat verdachte de kans heeft aanvaard dat de slachtoffers zouden komen te overlijden. Bovendien zou de uiterlijke verschijningsvorm beter passen bij een poging tot (zware) mishandeling dan bij een poging tot doodslag. De zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1 en 2 subsidiair) kan volgens de raadsman ook niet worden bewezen, omdat de geconstateerde verwondingen geen zwaar lichamelijke letsel opleveren. Tot slot is door de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van de poging tot zware mishandeling (feit 3 primair) dan wel bedreiging (feit 3 subsidiair) van [slachtoffer 3] , omdat verdachte hierop geen opzet heeft gehad en zijn handelen niet op [slachtoffer 3] maar mogelijk op [slachtoffer 2] – die naast [slachtoffer 3] stond – was gericht.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1 primair) en [slachtoffer 2] (feit 2 primair). Daarnaast kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging tegen het leven gericht van [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).

De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat op 16 maart 2019 op de Albert Cuypstraat in Amsterdam een steekpartij heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft – op de vraag van een ter plaatse gekomen verbalisant of hij betrokken was bij de steekpartij – verklaard: “Ja dat was ik, ik heb dit gedaan, het mes heb ik buiten weggegooid”.
Naar aanleiding van de steekpartij is door drie personen aangifte gedaan, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard. “Ik zag hem opeens zonder enige reden op mij afstormen. Toen zag ik dat hij een mes in zijn hand had, ik draaide mij om en hij stak hierdoor mis. Ik viel op de grond en ik zag dat hij mij in mijn bovenbeen stak. Mijn zoon hoorde het gegil en die kwam naar buiten. Hij werd meteen in zijn rug gestoken en toen volgde er een schermutseling. Ik zag dat [verdachte] daarna naar mijn vrouw liep en hij wilde haar ook nog steken. Ik riep naar [slachtoffer 2] : Je moeder. [slachtoffer 2] rende naar mijn vrouw toe en gaf haar een duw en toen viel zij”. [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard. “Hij rent uit zijn winkel met een mes in zijn hand op mijn vader af. En ik zag dat hij hem gelijk in zijn been stak. Daarna rent hij op mij af en wil hij mij in mijn rug steken maar ik buig voorover. Hij stak mij toen. Ik probeerde mijn vader te helpen want hij wou mijn vader meer gaan steken. Ik zag dat omdat hij op mijn vader afliep en met het mes stond te zwaaien. Mijn vader stond toen ook op en wij probeerden hem van ons af te krijgen. Hij probeerde mij toen neer te steken. Ik pakte een stoel en gooide deze naar hem toe. Op dat moment dat ik deze stoel gooide stak hij mij weer. Ik denk dat hij mij toen in mijn zij stak. Doordat ik de stoel gooide kon hij het mes niet ver genoeg mijn buik in steken. Hij gooide ook stoelen terug naar mij en probeerde mij te steken. Toen kwamen mijn moeder en zus naar buiten. Hij liep ook hun kant op. En dit is het moment dat er een blackout komt, ik keek naar mijn hand en ik zag dat bijna mijn hele duim eraf was Met hij bedoel ik [verdachte] . [slachtoffer 3] heeft in haar aangifte het volgende verklaard. “Ik rende met mijn dochter [naam dochter] naar buiten. Ik zag dat mijn Egyptische buurman met een mes achter mijn man en zoon aan rende. Ik zag dat hij met een mes stekende bewegingen maakte naar mijn zoon en man. Toen zag ik dat mijn Egyptische buurman naar mij keek. Hij keek kwaad naar mij en rende op mij af. Ik zag dat hij nog steeds dat mes vast had”.
Naast de aangevers hebben ook meerdere getuigen het incident waargenomen. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij heeft gezien dat de man die op de grond lag meerdere keren werd gestoken. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte (die hij heeft omschreven als de man van de waterpijpen winkel) een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 2] zijn benen maakte en [slachtoffer 2] aan de achterzijde van zijn benen en in zijn rug stak. Toen [slachtoffer 2] zich vervolgens omdraaide maakte verdachte twee stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 2] . Ook heeft [getuige 2] gezien dat verdachte tenminste één keer in het been van [slachtoffer 1] stak.

3.3.1.
Bewezenverklaring van poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feiten 1 primair en 2 primair)

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Uit de verklaring van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij opzettelijk heeft gehandeld.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van het gedragingen bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestoken met een mes met een – blijkens de bij het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut gevoegde foto – steekoppervlak van tien centimeter. [slachtoffer 1] is hierbij geraakt in zijn bovenbeen en [slachtoffer 2] is geraakt in de borst, bil en hand. Blijkens de door [slachtoffer 1] ingediende vordering, waaraan een medische verklaring van Amsterdam VUMC is gehecht, heeft hij een diepe snijwond met een lengte van 6 centimeter met actief bloedverlies en stolsels opgelopen. Uit de letselverklaring met betrekking tot [slachtoffer 2] blijkt dat hij een diepe wond in de bil met persisterende bloeding heeft opgelopen. De rechtbank leidt uit deze verwondingen af dat door verdachte met kracht is gestoken. De rechtbank is van oordeel dat de kans op overlijden bij het met kracht steken in het bovenbeen, zoals bij [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] aan de orde is, aanmerkelijk is. Door het bovenbeen loopt een slagader. Als die slagader beschadigd raakt door steken met een mes dan kan het bloedverlies als een gevolg daarvan binnen afzienbare tijd tot de dood leiden. Ook het steken in de borst, waar zich vitale organen bevinden, kan tot het intreden van de dood leiden. Bovendien heeft verdachte met het mes meermalen en – blijkens de plekken van de verwondingen - willekeurig in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestoken. Dit blijkt onder meer uit de hiervoor weergegeven verklaring van getuige [getuige 2] . De kans dat daarbij vitale delen van het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden worden geraakt was aanmerkelijk. Dat het steken – door verdedigingshandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – niet daadwerkelijk tot dodelijke verwondingen heeft geleid, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van verdachte dan ook zozeer gericht op het toebrengen van dodelijke verwondingen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden komen te overlijden. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
3.3.2.
Bewezenverklaring bedreiging van [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair)

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] leidt de rechtbank af dat de gedraging van verdachte was gericht op [slachtoffer 3] . Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging om aan [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 3 primair). Het enkel met een mes op iemand afrennen levert geen aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op. Verdachte zal daarom van het onder feit 3 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van verdachte wel van dien aard is, dat bij [slachtoffer 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen, zeker nu zij daarvoor had waargenomen dat verdachte haar zoon en man had gestoken. Verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair). Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.
4

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair:

op 16 maart 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet op die [familienaam] is afgestormd en met een mes in de richting van die [familienaam] heeft gestoken en die [familienaam] met een mes in diens been, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 2 primair:

op 16 maart 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, op die [familienaam] is afgerend en met een mes in de richting van die [familienaam] heeft gestoken en die [familienaam] met dat mes in diens borst en bil en hand heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3 subsidiair :

op 16 maart 2019 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in zijn hand op die [slachtoffer 3] af te rennen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

De verdachte is niet strafbaar. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 23 mei 2019 opgemaakt door drs. S.C.J. Frehe, psychiater, en C.N. Steins Bisschop, arts in opleiding tot specialist. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 23 mei 2019 van drs. M.L. Sikkens, GZ-psycholoog.

In het psychiatrisch onderzoek van drs. S.C.J. Frehe en C.N. Steins Bisschop is onder meer het navolgende opgenomen.Verdachte is opgegroeid in Egypte en verblijft sinds 2007 legaal in Nederland. Sinds hij in Nederland is heeft verdachte last van paranoïde gedachten en ideeën. Rond 2014 hebben die ideeën zich geuit in psychotische episoden, die bestaan uit olfactorische, akoestische en haptische hallucinaties met paranoïde, betrekkings-, achtervolgings- en vergiftigingswanen. Zo heeft verdachte het idee dat mensen hem iets aan willen doen, dat mensen hem uit Nederland weg willen hebben, dat mensen op straat hem soms achtervolgen of dat algemene gebeurtenissen betrekking hebben op hem. Ook denkt verdachte dat er iets in zijn bloed zit waardoor hij overgevoelig is voor geuren en geluiden. Onderzoekers hebben gerapporteerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde evident psychotisch was. De achterdocht, paranoïde ideeën wanen, en periodieke hallucinaties zijn door onderzoekers omschreven als psychotische decompensaties in het kader van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of een psychotische stoornis. Verder is volgens onderzoekers gebleken dat verdachte over beperkte coping beschikt. De coping bestaat bij verdachte uit doorgaan, hard werken en onplezierige prikkels negeren. Klachten passend bij angst en paniek worden door verdachte niet als zodanig herkend en geaccepteerd. In de weken voor het ten laste gelegde handelen heeft verdachte in toenemende mate last gehad van voornoemde wanen. Naar mening van onderzoekers is verdachte dusdanig oordeels- en kritiekgestoord geweest door de psychotische belevingen, dat hij ten tijde van het ten laste gelegde zijn handelen niet kon controleren en de consequenties van zijn handelen niet kon overzien. Onderzoekers hebben daarom geadviseerd het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen
In het psychologisch onderzoek van drs. M.L. Sikkens is onder meer het navolgende opgenomen.Verdachte heeft vanaf zijn komst naar Nederland gevoelens van achterdocht gerapporteerd, met als thema’s dat hij zich benadeeld en opgejaagd voelt. Deze klachten lijken geleidelijk te zijn toegenomen, onder invloed van stress en teleurstellingen. De achterdocht heeft in de afgelopen vijf jaar de vorm aangenomen van periodiek terugkerende psychoses, met achtervolgings-, vergiftigingswanen en hallucinaties. De psycholoog heeft gerapporteerd dat verdachte veel stress van de situatie op de markt heeft ervaren. Deze klachten lijken te zijn verminderd tijdens bezoeken aan Egypte, waar verdachte zich ontspannen en veilig voelt. De psycholoog heeft voldoende onderbouwing gezien voor een doorwerking van de psychotische problematiek in de tenlastegelegde feiten, leidend tot een kortdurende ernstige beperking van de zelfcontrole en het vermogen tot het maken van afgewogen keuzes. Vermoed wordt dat een langdurige opbouw van achterdochtige realiteitsvertekeningen heeft geleid tot een doorbraak van agressie. De psycholoog heeft daarom geadviseerd om de tenlastegelegde feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Daarbij heeft de psycholoog verwezen naar de samenhang tussen de psychotische ontregeling en de agressie, tegen de achtergrond van een levensloop waarin agressief gedrag geen structureel patroon heeft gevormd. Ook heeft verdachte tot op heden geen besef van zijn kwetsbaarheid voor psychotische ontregelingen en heeft er op geen enkele wijze behandeling van de psychotische klachten plaatsgevonden.
In de door de deskundigen nader uitgebrachte Pro Justitia rapporten van 26 juli 2019 komen zij niet tot een ander advies.

Ter zitting van 12 september 2019 heeft psycholoog Sikkens bevestigd dat hij adviseert om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen, omdat sprake is geweest van episodes die erger zijn geworden en die tot dit incident hebben geleid. Bij verdachte is geen persoonlijkheidsstoornis zichtbaar. Verdachte is langdurig werkzaam geweest op de markt, waar conflicten waren. De markt heeft dus spanningen gebracht voor verdachte. De psycholoog heeft uitgelegd dat er geen rechtstreeks verband is tussen die spanningen en het geweld, maar dat daartussen nog de stap van de psychotische episoden zit. De psycholoog heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van de slachtoffers, inhoudende dat het geweld vanuit het niets ontstond en er dus geen directe trigger is geweest voor het conflict. Het incident is terug te voeren op ontregelingen die zich allemaal hebben voorgedaan in de context van de markt. In aansluiting bij de psychiater heeft de psycholoog geconcludeerd dat verdachte tijdens het ten laste gelegde geen enkel inzicht had in wat er gebeurde.

Psychiater Frehe heeft ter zitting van 12 september 2019 geconcludeerd dat sprake is van een ziekelijke stoornis bij verdachte en niet van een persoonlijkheidsstoornis. Zij heeft geadviseerd om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen, omdat sprake is geweest van episodes die erger zijn geworden, wat in dit incident heeft geresulteerd.

De rechtbank overweegt dat door de raadsvrouw van de slachtoffers en de officier van justitie terecht is opgemerkt dat bij de deskundigen geen volledig beeld van verdachte is kunnen ontstaan, wegens gebrek aan uitgebreide referenteninformatie en omdat de bevindingen van de deskundigen met name zijn gebaseerd op de verklaringen van verdachte. De deskundigen hebben dit ter zitting beaamd, maar zij hebben desgevraagd te kennen gegeven dat zij voor de beantwoording van de vragen over voldoende informatie hebben kunnen beschikken. Bovendien is in de rapporten opgenomen dat de verklaringen van verdachte worden ondersteund door het procesdossier, de ex-vrouw van verdachte en door eerdere meldingen die zijn gedaan door de marktlieden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deskundigen over voldoende informatie hebben kunnen beschikken en dat de door hen daaraan verbonden conclusies voldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies over en volgt de adviezen.

De bewezen geachte feiten kunnen verdachte wegens een ziekelijke stoornis dus niet worden toegerekendVerdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

overwegingen

8

8.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: Tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd. De veiligheid van de maatschappij vereist oplegging van deze maatregel om het plegen van dit soort ernstige feiten door verdachte te voorkomen. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: artikel 37 Sr) biedt hiervoor een te zwak en kortdurend kader.

8.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr aan verdachte op te leggen. Gelet op de rapporten van de deskundigen vereist de veiligheid de oplegging van de Tbs-maatregel niet. Het opleggen van de Tbs-maatregel is niet proportioneel. De raadsman heeft hierbij gewezen op het recht op en de mogelijkheid dat de Tbs-maatregel averechts zal werken op de behandelmotivatie bij verdachte. Verder kan de nazorg na afloop van de maatregel van artikel 37 Sr goed worden geregeld nu verdachte in beeld is bij de hulpverlening en er een zorgmachtiging kan worden opgelegd. Bovendien gaat het momenteel in de PI goed met verdachte zonder dat hij medicatie of een behandeling krijgt. De raadsman stelt voor deze stijgende lijn in de ontwikkeling van verdachte vanuit de PI voort te zetten onder de maatregel van artikel 37 Sr.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De op te leggen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot doodslag en een bedreiging. Dit betreffen buitengewoon ernstige misdrijven. Verdachte heeft op een druk bezochte markt ogenschijnlijk vanuit het niets herhaaldelijk en met kracht met een mes op de slachtoffers ingestoken. Verdachte heeft met deze zeer agressieve gedragingen de slachtoffers ernstig verwond en het is niet ondenkbaar dat dit incident fataal hadden kunnen aflopen. Dat dit niet is gebeurd is een omstandigheid die geenszins aan verdachte is te danken. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaakt, niet alleen bij de slachtoffers maar ook bij [naam dochter] , dochter en zus van de slachtoffers, en bij de omstanders die op de markt aanwezig waren. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen zoals deze een grote impact hebben op de slachtoffers, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgelezen. Zij hebben gevreesd voor hun leven en voor dat van hun geliefden. Zij hebben het handelen van verdachte ervaren als een aanslag op hun familie. Ook worden zij nog dagelijks met de gevolgen van het incident geconfronteerd, zowel in hun werkzaamheden als gevolg van hun fysieke beperkingen, als door de herinneringen aan wat hen en hun familie is aangedaan. Verdachte heeft gehandeld op een wijze die onnavolgbaar is en hij heeft ter zitting ook geen inzicht in zijn motieven kunnen geven, waardoor de slachtoffers met veel onbeantwoorde vragen blijven zitten.

Over verdachte zijn door de psychiater en psycholoog meerdere rapporten - van 23 mei 2019 en 26 juli 2019 – opgemaakt, welke rapporten ter zitting van 12 september 2019 zijn toegelicht.

De psychiater heeft – kort samengevat – verklaard dat zonder behandeling de psychotische episodes terug zullen komen en de kans op recidive in dat geval hoog is. Verdachte zal altijd kwetsbaar blijven maar verbetering is reeds opgetreden, zonder dat hij veel behandeling heeft ondergaan. De psychiater heeft conform artikel 37 Sr een jaar behandeling geadviseerd. Daarna zal verdachte vrijwillig onder begeleiding moeten blijven en dient monitoring plaats te vinden. Dat kan door toezicht van het FAC-team van GGZ of – indien hij niet van zijn ideeën is af te brengen en toch meer tijd nodig blijkt te zijn – door een rechtelijke machtiging of een zorgmachtiging. Door de psychiater is benadrukt dat garanties na afloop van een maatregel niet kunnen worden gegeven maar dat verdachte nu in beeld is, waardoor decompensatie tijdig zal worden opgemerkt. Verdachte en zijn omgeving hebben eerder signalen afgegeven dat het niet goed ging met verdachte. Met die signalen is weinig gebeurd. Inmiddels is iedereen zich bewust van wat er is gebeurd. De zorg zal verdachte nu niet laten vallen. De psychiater heeft te kennen gegeven dat zij niet denkt dat Tbs nog iets anders kan bevatten, dan wat er met plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis al is. De landelijke richtlijnen voor de behandeling worden namelijk zowel bij de GGZ als bij Tbs-instellingen toegepast. De Tbs-maatregel betreft vaak een lang traject, wat niet noodzakelijk is om de kans op recidive te verkleinen. De psychiater heeft ingeschat dat de duur daarvan averechts zal werken op de motivatie bij verdachte. Indien het behandeldoel binnen een jaar niet is bereikt, dan zal dat binnen de duur van een Tbs-maatregel ook niet lukken. De psychiater heeft samengevat dat de maatregel van artikel 37 Sr de voorkeur geniet boven de Tbs-maatregel, gelet op de afgesloten behandelduur en dat het de verwachting is dat verdachte zich coöperatief opstelt voor een vrijwillige behandeling.

Ook de psycholoog heeft in voornoemde rapporten en ter zitting – kort samengevat – naar voren gebracht dat de kans op recidive zonder behandeling hoog is. Hoewel verdachte geen ziekte-inzicht heeft, kan verdachte daarin wel worden geadviseerd. De psycholoog heeft geconstateerd dat hij in de contacten met verdachte heeft gezien dat er een ontwikkeling is in het openstaan voor het bespreken van de conclusies van de deskundigen. Er is dus sprake van ontwikkeling in de stabiliteit bij verdachte. Anderzijds heeft de psycholoog geen toename van probleembesef bij verdachte geconstateerd en wat dat voor verdachte betekent om te voorkomen dat verdachte weer in risicovolle situaties komt. Er is bij verdachte dus geen sprake van ontkenning, maar ook niet van toe-eigening. De psycholoog heeft de verwachting uitgesproken dat het inzicht bij verdachte zal toenemen wanneer wordt gestart met de behandeling, maar dat dit wel tijd zal kosten. Het behandelprogramma kan zowel met een artikel 37 Sr maatregel, als met de Tbs-maatregel ten uitvoer worden gebracht. De psycholoog acht de oplegging van de Tbs-maatregel niet strikt noodzakelijk om de kans op recidive te verminderen. Er is geen sprake van acuut gevaar en bij verdachte is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis waarvoor behandelinterventie noodzakelijk is. Hoewel de Tbs-maatregel meer zekerheid geeft in de nazorg, moet worden afgewogen wat de meest passende maatregel is. Er van uitgaande dat verdachte inmiddels weer redelijk stabiel functioneert en hij open staat voor behandeling, is de maatregel van artikel 37 Sr voldoende ter voorkoming van recidive en geniet dit voorkeur boven de Tbs-maatregel, omdat dat de meest passende en noodzakelijke interventie is. Na behandeling kan worden volstaan met een vrijwillige hulpverlening in de vorm van het FACT-team.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies Tbs met voorwaarden van 6 november 2019. Hierin is opgenomen dat de reclassering afziet van het doen van uitspraken over de wenselijkheid van het opleggen van een Tbs-maatregel met voorwaarden, omdat volgens de gedragsdeskundigen het opleggen daarvan niet is geïndiceerd. In het rapport is daarom slechts de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de Tbs-maatregel met voorwaarden getoetst. Ten aanzien van de haalbaarheid is opgemerkt dat verdachte heeft aangegeven zijn medewerking te verlenen indien hem een Tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd, maar de rapporteur heeft zich daarbij afgevraagd of verdachte daadwerkelijk overziet wat een tbs maatregel met voorwaarden betekent en waar hij zijn akkoord op geeft.Ten aanzien van de uitvoerbaarheid is opgenomen dat een klinische indicatie is afgegeven, waarvoor op 12 november 2019 een intake is gepland bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna FPA) Heiloo. In het advies zijn algemene en bijzondere voorwaarden geadviseerd waaronder de opname van verdachte in een FPA, een ambulante behandeling in aansluiting op de klinische fase, de mogelijkheid tot een time-out waarbij verdachte in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (hierna: FPC) of een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) kan worden teruggeplaatst en een contactverbod met de slachtoffers. De reclassering heeft daarbij geadviseerd om een eventuele Tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank heeft ter zitting van 18 november 2019 reclasseringsmedewerkster C.S. Pruis als deskundige gehoord. Pruis heeft de rechtbank geïnformeerd dat FPA Heiloo naar aanleiding van het intakegesprek heeft bericht verdachte niet te willen accepteren bij oplegging van de Tbs-maatregel met voorwaarden. Zij heeft te kennen gegeven dat de behandeling van verdachte op het beveiligingsniveau van een FPK dient plaats te vinden. Of die behandeling plaatsvindt in het kader van een maatregel op grond van artikel 37 Sr of in het kader van een Tbs-maatregel is voor het beveiligingsniveau niet van belang. Ten aanzien van de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd heeft Pruis de rechtbank desgevraagd geïnformeerd dat een locatieverbod niet als afzonderlijke voorwaarde is opgenomen, omdat het contactverbod wordt gecontroleerd middels elektronisch toezicht en dat daarbij een standardafstand wordt gehanteerd.

De raadsvrouw van de slachtoffers heeft ter zitting van 12 september 2019 en 18 november 2019 in het kader van het spreekrecht zorgen geuit. Zij hebben gehoord dat de psychoses bij verdachte zeker zullen terugkomen en dat bij verdachte geen sprake is van ziekte-inzicht. Ook hebben zij gehoord dat stress een trigger is voor escalaties bij verdachte. Daarnaast is begeleiding nodig op lange termijn en zal verdachte altijd kwetsbaar blijven. Toch is door de deskundigen een behandeling van één jaar geadviseerd en dient de behandeling daarna op vrijwillige basis plaats te vinden. Dat is volgens de slachtoffers een grote mate van ‘wishful thinking’ en niet afdoende voor de beveiliging van de samenleving. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het gebiedsverbod als expliciete voorwaarde dient te worden opgenomen.

Bij de beslissing welke maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank in overweging genomen dat de deskundigen te kennen hebben gegeven dat dezelfde landelijke richtlijnen voor de behandeling worden toegepast bij de maatregel op grond van artikel 37 Sr als bij de Tbs-maatregel. Daarnaast heeft de rechtbank uit de verklaring van de reclasseringsmedewerkster Pruis opgemaakt dat het ten aanzien van het beveiligingsniveau niet van belang is welke van deze maatregelen aan verdachte wordt opgelegd. Beide maatregelen verschillen voornamelijk van elkaar wat betreft de duur van het traject en de nazorg. Waar de maatregel van artikel 37 Sr na een jaar tot een einde komt en de nazorg in een vrijwillig kader dient plaats te vinden, is de behandeling op grond van de Tbs-maatregel niet tot een jaar beperkt en vindt de begeleiding plaats in een forensisch kader.

De rechtbank deelt niet de overtuiging van de deskundigen dat verdachte zich vrijwillig zal laten begeleiden na afloop van een behandeling als bedoeld in artikel 37 Sr en dat een eventuele decompensatie tijdig zal worden opgemerkt omdat verdachte nu bij de hulpverlening in beeld is. Verdachte heeft geen ziekte-inzicht. Ook hebben de deskundigen niet kunnen voorspellen wat de verwachting ten aanzien van verdachte zal zijn, indien verdachte zich blijft vasthouden aan zijn verklaringsmodel dat hij is vergiftigd. De rechtbank heeft onvoldoende vertrouwen dat bij het monitoren van verdachte na afloop van de maatregel als bedoeld in artikel 37 Sr tijdig zal worden opgemerkt of het met verdachte de verkeerde kant op gaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van de maatregel van artikel 37 Sr. Een steviger forensisch kader is geboden om de algemene veiligheid van personen te waarborgen. Verdachte moet in beeld blijven bij de hulpverlening, zodat tijdig kan worden opgemerkt als verdachte opnieuw in psychische problemen komt en kan worden gehandeld om gevaar voor anderen te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de Tbs maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1 Sr (misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld). Immers is onder meer bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee pogingen tot doodslag. Uit voornoemde rapporten is verder gebleken dat tijdens het begaan van deze feiten bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

Gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de Pro Justitia rapporten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte onmiskenbaar een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, en dat behandeling noodzakelijk en vereist is om herhaling van een ernstig delict te voorkomen. De rechtbank acht het dan ook onverantwoord om verdachte zonder een stevig forensisch kader in de maatschappij te laten terugkeren en zal daarom aan verdachte de Tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. Aan de Tbs-maatregel zullen de in het dictum te noemen voorwaarden worden verbonden. De rechtbank heeft daarbij aanleiding gezien om – in aanvulling op de door de reclassering gestelde voorwaarden – aan verdachte eveneens een gebiedsverbod op te leggen om te voorkomen dat de slachtoffers met verdachte geconfronteerd worden.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gelet op de inhoud van voornoemde rapporten, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder afdoende behandeling wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Die voorwaarden acht de rechtbank noodzakelijk gelet op de problematiek die bij verdachte speelt en het recidivegevaar, dat zonder behandeling als hoog wordt ingeschat.

9

9.1.
Vordering [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft € 10.362,75 aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

Materiële schade en proceskosten

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade van € 200,- aan kleding en € 258,57 aan eigen risico kunnen worden toegewezen. Deze posten betreffen rechtstreekse schade en zijn voldoende onderbouwd.

Verder is door de benadeelde partij € 642,- aan mobiliteitskosten gevorderd. Deze kosten bestaan uit € 542,- voor de aanvraag van een gehandicaptenparkeerplaats en € 100,- aan parkeerkosten, voor bezoeken voor medische doeleinden en ten behoeve van de strafzaak. De rechtbank overweegt dat onvoldoende is onderbouwd of de aanvraag voor de gehandicaptenparkeerplaats enkel rechtstreekse schade uit het bewezenverklaarde betreft, of dat dit eveneens ziet op de reeds bij de benadeelde partij bestaande medische toestand voorafgaand aan het bewezenverklaarde. Het uitzoeken hiervan zou een onevenredige belasting van de strafzaak vormen. Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat de vordering ten aanzien van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerplaats niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Wel is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde kosten voor bezoeken voor medische doeleinden heeft moeten maken. De rechtbank zal deze schadepost toewijzen en begroten op € 50,-. Een bedrag van € 50,- in verband met bezoeken ten behoeve van de strafzaak wordt toegekend als proceskosten.

Daarnaast is door de benadeelde partij inkomensschade ter hoogte van € 6.750,- gevorderd. Hoewel door de boekhouder een overzicht is gemaakt van de inkomensdaling, is daarbij door de boekhouder reeds aangegeven dat het overzicht slechts een interpretatie betreft, omdat het niet mogelijk is om aan te geven wat de daadwerkelijk gederfde winst of omzet is geweest. De boekhouder heeft daarbij onder meer gewezen op de grote fluctuaties in de omzet, op aanbetalingen die worden gedaan voor producten die in een later stadium worden geleverd en het feit dat de voorraad één keer per jaar wordt geteld en als mutatie verwerkt. Ook de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft onderkend dat deze schade altijd een kwestie van schatten zal blijven. Desondanks staat het de rechtbank vrij – zoals ter zitting door de raadsvrouw van de benadeelde partij is benadrukt – om de schade te schatten. Nu er – zoals hiervoor is overwogen – teveel onbekende factoren zijn ten aanzien van de inkomensdaling, zal de rechtbank van deze bevoegdheid geen gebruik maken. De rechtbank heeft vervolgens gekeken of een schatting kan worden gemaakt op basis van de extra kosten die de benadeelde partij stelt te hebben gemaakt, bestaande uit onder meer de aanschaf van een elektrische takel, een gehuurde verhuislift en parkeerkosten van vrijwilligers. Deze gestelde schadeposten zijn echter ook onvoldoende onderbouwd om voor schatting van het schadebedrag in aanmerking te komen. Het verder uitzoeken hiervan zou een onevenredige belasting van de strafzaak vormen. De benadeelde partij zal daarom voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, zodat de vordering nog wel bij de civiele rechter kan worden aangebracht.
Tot slot is door de benadeelde partij € 2.512,18 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd, bestaande uit € 2.308,68 voor de eindafrekening van de eerdere raadsman mr. Loonstein en € 205,50, aan kosten voor de boekhouder. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij wordt thans bijgestaan door zijn raadsvrouw op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Dat benadeelde partij over de mogelijkheid daartoe door zijn voormalig raadsman eerder klaarblijkelijk onjuist is ingelicht en hierdoor kosten heeft gemaakt, is geen schade die in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend. Ten aanzien van de kosten van de boekhouder overweegt de rechtbank dat deze kosten verband houden met de inkomensdaling, voor welk deel de benadeelde partij – zoals hiervoor reeds overwogen – niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering.

Immateriële schade

Naast de materiële schade is door de benadeelde partij € 10.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, nu de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Uit het procesdossier is gebleken dat de benadeelde partij door verdachte in zijn linkerbeen is gestoken, waardoor hij een diepe snijwond heeft opgelopen. Ook zijn bij de benadeelde partij eerder bestaande klachten aan zijn rechterbeen weer opgespeeld, waarvan artsen vermoeden dat dit mogelijk verband houdt met de steekpartij. De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen de klachten aan het rechterbeen en het bewezenverklaarde. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte rekening met het feit dat de benadeelde partij als gevolg van het letsel aan het linkerbeen veel beperkingen heeft ondervonden. De benadeelde partij kon slecht lopen, heeft tot op heden last van pijnklachten en is slechts beperkt belastbaar hetgeen hem bij zijn werkzaamheden belemmert. Naast schadevergoeding voor fysiek letsel heeft de benadeelde partij een vergoeding voor psychisch letsel gevorderd. Ondanks dat geen verklaring van een psychiater is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij is immers bij zijn marktkraam voor zijn winkel met een mes aangevallen door verdachte en heeft moeten toezien hoe verdachte ook zijn familie heeft aangevallen. Hij heeft daarbij gevreesd voor zijn leven en voor dat van zijn familie. De benadeelde partij slaapt slecht en voelt zich onveilig. Ook vreet het aan hem dat hij zijn familie niet heeft kunnen beschermen. Toekenning van smartengeld is hier op zijn plaats.De benadeelde partij kan de aanval niet los zien van het geradicaliseerde gedrag van verdachte en zijn Joods zijn. Echter heeft de rechtbank op basis van het dossier niet kunnen vaststellen dat er bij verdachte een racistisch of terroristisch motief was, zoals gesteld door de benadeelde partij. Hiermee rekening houdend en gelet op het ontbreken van een causaal verband met de klachten in het rechterbeen ziet de rechtbank aanleiding om de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen is toegekend. De rechtbank zal de immateriële schade begroten op € 5.000,-. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor overige deel in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van bestaande uit € 508,57 aan materiële schade, € 5.000,- aan immateriële schade en € 50,00 aan proceskosten. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019, de datum van het feit, – zijnde de ontstaansdatum waarop het strafbare feit is gepleegd –, met uitzondering van de parkeerkosten. Nu de ontstaansdatum daarvan onbekend is gebleven zal deze schadevergoeding worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis. De benadeelde partij zal voor het overige dus niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 5.508,57, bestaande uit € 508,57 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt hem vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 62 dagen.


9.2.
Vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft € 5.793,- aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

Materiële schade en proceskosten

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade van € 370,- aan kleding en € 373,99 aan eigen risico kunnen worden toegewezen. Deze posten betreffen rechtstreekse schade en zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevorderde schade van € 450,- voor de Apple I-watch onvoldoende is onderbouwd, nu het verband van die schade met het strafbare feit niet blijkt uit het dossier. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren.Verder is door de benadeelde partij € 100,- aan mobiliteitskosten gevorderd. Deze kosten bestaan onder meer uit parkeerkosten, voor bezoeken voor medische doeleinden De rechtbank begroot deze schadepost op € 50,-. Een bedrag van € 50,- in verband met bezoeken ten behoeve van de strafzaak wordt toegekend als proceskosten.
Daarnaast is door de benadeelde partij inkomensschade ter hoogte van € 4.500,- gevorderd. De onderbouwing daarvan is gelijk aan die in de vordering van [slachtoffer 1] . Onder verwijzing naar hetgeen hierover bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is overwogen, zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Naast de materiële schade is door de benadeelde partij € 15.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, nu de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Uit het procesdossier blijkt dat verdachte de benadeelde partij in zijn borst, hand en bil heeft gestoken. De benadeelde partij heeft hierdoor veel last gehad. Naast de pijn, kon hij niet goed zitten en lopen. Ook heeft zijn hand vijf weken in het gips gezeten, wat hem ernstig belemmerde tijdens zijn werk en het verzorgen van zijn kinderen. Dat bij de benadeelde partij ook psychisch letsel zou zijn ontstaan is volgens de rechtbank – ook zonder overlegging van een verklaring van een psychiater – evident. De benadeelde partij is immers bij zijn marktkraam voor zijn winkel aangevallen door verdachte en heeft moeten toezien hoe verdachte ook zijn ouders heeft aangevallen. In zijn aangifte heeft de benadeelde partij verklaard: “Ik had echt het gevoel dat ik dood ging, ik zei tegen iedereen van de markt jullie moeten mij helpen, ik heb twee kinderen, ik wil niet dood, alsjeblieft help mij”. Echter zag hij dat het publiek verstijfd was en niets deed. De benadeelde partij heeft sinds de aanval last van nachtmerries en herbelevingen. Ook kan hij de aanval niet los zien van het geradicaliseerde gedrag van verdachte en zijn Joods zijn. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft de rechtbank op basis van het dossier niet kunnen vaststellen dat er bij verdachte een racistisch of terroristisch motief was, zoals gesteld door de benadeelde partij. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de gevorderde immateriële schadevergoeding matigen. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen is toegekend.Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot immateriële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen. De rechtbank zal de immateriële schade begroten op € 5.000,-. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor overige deel in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van , bestaande uit € 793,99 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade en € 50,- aan proceskosten. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019, de datum van het feit, met uitzondering van de parkeerkosten. Nu de ontstaansdatum daarvan onbekend is gebleven zal deze schadevergoeding worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis.De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 5.793,99 te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt hem vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 64 dagen.

9.3.
Vordering [naam dochter]

heeft € 765,75 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de materiele schade is de rechtbank van oordeel dat deze kan worden toegewezen. De vordering betreft rechtstreekse schade, is voldoende onderbouwd en is niet betwist.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,-, bestaande uit shockschade, overweegt het de rechtbank als volgt. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank stelt vast dat de bij de benadeelde partij [naam dochter] een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat zij heeft gezien dat haar vader, broer en moeder – tot wie zij in een nauwe affectie relatie staat – zijn aangevallen met een mes door verdachte. Zij heeft dat ervaren als een bewuste en doelgerichte poging om hen van het leven te beroven. De (her)beleving hiervan heeft haar zodanig van slag gemaakt dat zij niet meer in staat was om naar behoren te functioneren. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de overgelegde onderbouwing is gebleken dat de benadeelde partij voor een Posttraumatische-stressstoornis onder behandeling staat bij psychologenpraktijk Kuppens, waar zij wekelijks EMDR therapie gericht op de verwerking van het trauma krijgt.

Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Met de officier van justitie en raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot immateriële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Daarbij heeft de rechtbank voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij vergelijkbare gevallen.De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Concluderend zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een bedrag van bestaande uit € 765,75 aan materiële schade en € 2.000 aan immateriële schade. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van algehele voldoening.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 2.765,75 te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt hem vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 37 dagen.

9.4.
Vordering [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft € 11.250,- aan materiële schadevergoeding en € 1.100,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade, overweegt de rechtbank dat dit enkel inkomensschade betreft. De onderbouwing daarvan is gelijk aan de vordering op dit punt van [slachtoffer 1] . Onder verwijzing naar hetgeen hierover bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is overwogen, zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.Verder is door de benadeelde partij € 1.100 aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, nu de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Op grond van het procesdossier is komen vast te staan dat de benadeelde partij door haar zoon opzij is geduwd toen verdachte met een mes op haar is afgerend. Zij is hierdoor ten val gekomen en heeft daarbij spierletsel opgelopen. Vanwege deze klachten staat zij – blijkens overgelegde stukken – onder behandeling van een fysiotherapeut. Daarnaast is door de benadeelde partij gesteld dat bij haar als gevolg van het bewezenverklaarde psychisch letsel is ontstaan. Ter onderbouwing heeft zij gesteld dat zij zelf maar net is ontkomen aan zeer ernstig letsel, maar vooral dat zij heeft moeten toezien hoe haar man en haar zoon werden aangevallen. Zij voelt zich hierdoor niet meer veilig, heeft last van gespannenheid en slapeloosheid en ervaart paniekaanvallen. De rechtbank overweegt dat dit deel van de vordering met name ziet op de hiervoor besproken zogenoemde schokschade; de benadeelde partij ondervindt met name problemen als gevolg wat haar zoon en man is aangedaan in haar aanwezigheid. Voor vergoeding van dergelijke schade is als gezegd vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is niet komen vast te staan dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.De rechtbank is daarom van oordeel dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt voor zover het ziet op het lichamelijk letsel en zal deze schade begroten op € 200,-. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van , bestaande uit immateriële schade. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019 – zijnde de ontstaansdatum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 200,- te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt hem vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 4 dagen.

10

1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Verdachte werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- verdachte zal zich niet ophouden op de Albert Cuypstraat te Amsterdam.

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 45, 57, 285, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van