Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8935

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 29-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8935, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/194766-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/194766-19

Datum uitspraak: 28 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,gedetineerd in de [detentieplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:8935:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/194766-19

Datum uitspraak: 28 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,gedetineerd in de [detentieplaats] .
1

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 14 november 2019 en 28 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Burmeister, naar voren hebben gebracht.

2

1.

2.

3.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

subsidiair ten laste gelegd als poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] ,meer subsidiair ten laste gelegd als mishandeling van [slachtoffer 1] ;
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft zij het volgende aangevoerd. Uit de aangifte blijkt dat verdachte aangeefster (hierna: [slachtoffer 1] ), zusje van verdachte, met beide handen bij haar keel heeft vastgepakt en dat hij haar in een nekklem heeft gehouden. Ook blijkt uit de aangifte dat [slachtoffer 1] in paniek raakte, naar lucht moest happen en wild om zich heen ging schoppen en slaan. Verder blijkt uit de verklaring van de vader van verdachte dat hij bovenaan de trap zag dat verdachte [slachtoffer 1] met een nekklem vast hield, het hoofd van [slachtoffer 1] rood was en dat zij aan het gorgelen was. De vader van verdachte heeft verder verklaard dat hij [slachtoffer 1] halverwege de trap nog hoorde schreeuwen, maar dat ze dat boven niet meer kon. Op de foto’s in het dossier zijn daarnaast rode striemen te zien op de keel van [slachtoffer 1] . Gelet op het voorgaande is voldoende vast te komen staan dat verdachte [slachtoffer 1] bij haar keel heeft vastgepakt en in een nekklem heeft gehouden. Verdachte had voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] . Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat er voor de bedreiging een aangifte ligt en verdachte het feit op zitting heeft bekend (feit 2). Over feit 3 heeft de vader van verdachte verklaard dat hij door verdachte is geslagen met een lamp. Verder zit er een foto van de blauwe plek van de vader in het dossier en heeft verdachte de mishandeling op zitting bekend.

3.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnotities betoogd dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opzet op de dood van [slachtoffer 1] dan wel op het haar toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bij verdachte ontbrak. Er is verder geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel, nu verdachte zijn handen om de nek van [slachtoffer 1] had en heeft geknepen, maar hij direct heeft losgelaten toen zijn vader riep. Verder kan uit het dossier niet worden afgeleid dat sprake is geweest van een zodanige kracht, duur of intensiteit van het dichtknijpen van de keel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] als gevolg van dit geweld zou overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Over het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan achten.

Tot slot heeft de raadsman betoogd dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft verklaard dat er sprake was van een stoeipartij, maar dat er verder alleen een proces-verbaal van bevindingen in het dossier zit met daarin een verklaring van de vader van verdachte over wat er is gebeurd. Dit proces-verbaal is echter niet door de vader van verdachte ondertekend, terwijl het op basis van het dossier verder onduidelijk blijft hoe de blauwe plek bij de vader van verdachte is ontstaan.

3.3.
Oordeel van de rechtbank

3.3.1.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van de stukken in het dossier en het onderzoek op zitting staat niet vast dat verdachte met zijn gedragingen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Voor een bewezenverklaring hiervan is vereist dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] ten gevolge van de handelingen van verdachte zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bij het dichtknijpen van de keel kan zwaar lichamelijk letsel ontstaan omdat op die plaats kwetsbare en vitale weke delen van de hals zijn te vinden. Voornoemd letsel kan ook ontstaan in de vorm van hersenletsel door een zuurstofgebrek gedurende enige tijd. In het geval het zuurstofgebrek langer duurt kan het slachtoffer komen te overlijden. De vraag is of in onderhavig geval sprake was van een aanmerkelijke kans op het voorgaande. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] onder meer heeft verklaard dat verdachte haar met twee handen bij haar nek heeft vastgehouden, dat hij met zijn duimen in haar strottenhoofd duwde, dat ze naar adem moest happen en dat verdachte vervolgens zijn rechterarm om haar nek heen legde. Ze heeft verder verklaard dat ze toen naar lucht moest happen en wild om haar heen is gaan schoppen en slaan. De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van aangeefster, maar overweegt dat deze bewijsmiddelen, de verklaring van [slachtoffer 1] en haar vader, onvoldoende informatie opleveren over de duur, de kracht en de intensiteit van het dichtknijpen van de keel om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat zij hierdoor zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verder is van belang dat op de foto in het dossier nauwelijks waarneembaar letsel is te zien. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van haar vader volgt wel dat verdachte de nek van [slachtoffer 1] met beide handen heeft dicht geknepen, dat hij vervolgens met zijn duimen in haar strottenhoofd heeft geduwd en een nekklem heeft toegepast. Dit maakt dat de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen wordt geacht.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht, gelet op de aangifte in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde mishandeling schuldig heeft gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De vader van verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat verdachte hem enkele dagen daarvoor had geslagen met een lamp, waardoor hij een blauwe plek heeft opgelopen. Er is daarnaast een foto van de blauwe plek van de vader in het dossier te vinden. Verdachte heeft verder op zitting verklaard dat er sprake was van een stoeipartij die een beetje uit de hand is gelopen. Hij heeft verklaard dat het ongewild was vanuit de kant van zijn vader en bevestigd dat hij zijn vader heeft geraakt met een staande lamp, waardoor hij een blauwe plek heeft opgelopen. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zijn vader heeft mishandeld.

4

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde:

op 12 augustus 2019 te Aalsmeer [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar nek met beide handen dicht te knijpen, vervolgens zijn duimen in haar strottenhoofd te duwen en vervolgens een nekklem toe te passen;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 12 augustus 2019 te Aalsmeer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik steek jullie neer. Ik maak jullie dood";
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

omstreeks 9 augustus 2019 te Aalsmeer zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door met een lamp tegen de heup te slaan, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn en letsel heeft bekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

7.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.
7.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
7.3.
Oordeel van de rechtbank

Verdachte is niet strafbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van 1 november 2019, opgemaakt door D.H.A. van Baar, psychiater, en van de Pro Justitia rapportage van 6 november 2019, opgemaakt door W.J.P. Gaertner, psycholoog.

In de Pro Justitia-rapportages is geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Uit het psychiatrisch rapport volgt – kort gezegd – onder meer dat er bij verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld met wanen en een stoornis in cannabisgebruik. Uit het psychologisch rapport volgt – kort gezegd – onder meer dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en dat er sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis. Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat de vastgestelde ziekelijke stoornis van de geestvermogens de gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van de tenlastegelegde feiten heeft beïnvloed.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ ERW Novadic-Kentron Den Bosch van 8 november 2019, opgemaakt door M.W.H. Slangen, waaruit blijkt dat zij zich conformeren aan het advies van de psychiater en psycholoog dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de tenlastelegging, vanwege een psychose, waardoor dit feit hem niet aan te rekenen is.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten wat betreft de vaststelling van een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de tenlastegelegde feiten in het geheel niet kunnen worden toegerekend. Verdachte moet daarvan dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8. Geen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex. artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht

8.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op de zitting van 14 november 2019 verklaard dat het van belang is dat verdachte wordt opgenomen in een kliniek en dat de voorkeur uitgaat naar een rechterlijke machtiging via de Wet BOPZ. Als een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is, kan iemand geplaatst worden in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of op een Forensische Psychiatrische Afdeling via een artikel 37 Wetboek van Strafrecht-plaatsing. Dit artikel vervalt echter per 1 januari 2020. De officier van justitie heeft telefonisch contact gehad met de psychiater en de psycholoog en die hebben beiden aangegeven dat een lager beveiligingsniveau volstaat. De officier van justitie heeft daarom primair gevorderd de uitkomsten van de zitting van 21 november 2019 waar de mogelijkheden voor een rechterlijke machtiging via de Wet BOPZ worden onderzocht, af te wachten en zodra duidelijk is geworden of er een rechterlijke machtiging komt, de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van de datum waarop verdachte geplaatst kan worden in de kliniek. Subsidiair heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gevorderd.
8.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen, maar in plaats daarvan te kiezen voor de door de officier van justitie voorgestelde optie om een rechterlijke machtiging aan te vragen, zodat verdachte op die titel kan worden opgenomen in een kliniek. Hij heeft daarbij onder meer opgemerkt dat de Wet BOPZ voldoende waarborgen biedt om het recidivegevaar in te perken en verdachte makkelijker geplaatst kan worden.
8.3.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte, op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht, een maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Hoewel bovengenoemd rapporten een dergelijke opname adviseren, blijkt uit het rapport van de psychiater dat geen verhoogd beveiligingsniveau noodzakelijk is, hetgeen de psychiater en de psycholoog beiden telefonisch hebben bevestigd aan de officier van justitie. De rechtbank heeft op de zitting van 14 november 2019 verder geconstateerd dat het beter lijkt te gaan met verdachte, dat hij zijn medicatie inneemt en mee wil werken aan een behandeling in een kliniek. Voorts is gebleken dat op 21 november 2019 de rechtbank ’s-Hertogenbosch een voorlopige machtiging heeft afgegeven tot plaatsing van verdachte in een psychiatrische kliniek op grond van de Wet BOPZ, onder de opschortende voorwaarden van opheffing van het bevel voorlopige hechtenis. Dat betekent dat verdachte op grond van deze beschikking opgenomen kan worden in een psychiatrische ziekenhuis zodra het bevel voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak is opgeheven.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande af van een maatregel tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde

mishandeling;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

mishandeling, begaan tegen zijn vader.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ter zake daarvan.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,mrs. L. Dolfing en Y. Moussaoui, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 28 november 2019.