Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8866

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8866, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/190633-19 en 18/082161-18 (TUL)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/190633-19 en 18/082161-18 (TUL)

Datum uitspraak: 27 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

ECLI:NL:RBAMS:2019:8866:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/190633-19 en 18/082161-18 (TUL)

Datum uitspraak: 27 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, naar voren hebben gebracht.

2

Verdachte wordt er van beschuldigd dat hij op of omstreeks 7 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een sok (inhoudende een of meer (bank)pasjes, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3

3.1
Bewijsoverwegingen

Uit door de politie live uitgekeken camerabeelden blijkt dat verdachte bij een slapende man hurkt, zijn tas doorzoekt en een grijskleurig voorwerp, vermoedelijk een sok, wegneemt. Verdachte wordt door ter plaatse gekomen verbalisanten aangehouden, waarbij er geen goederen van aangever bij verdachte worden aangetroffen. In de directe nabijheid van aangever wordt een lege sok aangetroffen, waarover aangever verklaart dat daar één of meerdere (bank)pasjes in zaten.Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van de diefstal van één of meer (bank)pasjes te komen. De enkele aangifte is daarvoor onvoldoende. Bij verdachte zijn namelijk geen bankpasjes aangetroffen, en evenmin blijkt uit het dossier of deze pasjes op een andere plek zijn aangetroffen. Ook is niet duidelijk geworden hoe verbalisanten de sok precies hebben teruggevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij zich van het feit niets kan herinneren omdat hij onder invloed was van alcohol en medicijnen. Gelet op de aangifte en de camerabeelden, en gezien het voorgaande, acht de rechtbank diefstal van een sok bewezen.
3.2
Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 7 augustus 2019 te Amsterdam, een sok die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd. Hoewel verdachte een veelpleger is, dateert het laatste strafbare feit van 19 september 2018. Ook is er geen sprake van een escalatie of toename van strafbare feiten. Daarnaast is een ISD-maatregel niet opportuun, omdat bij verdachte geen sprake is van geestelijke problematiek of verslavingsproblematiek. Een ISD-maatregel met als doel terugkeer naar zijn land van herkomst, dient geen doel omdat de maatregel er niet voor gaat zorgen dat verdachte sneller wordt uitgezet. Bij gebrek aan perspectief op een inhoudelijke invulling van de ISD-maatregel krijgt deze het karakter van een verkapte kale detentie of vreemdelingenbewaring, waarvoor de ISD-maatregel niet is bedoeld.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. Terwijl een toerist ’s nachts op straat lag te slapen en zich daarmee in een kwetsbare positie bevond, heeft verdachte zijn tas doorzocht en een sok van het slachtoffer weggenomen. Diefstal is een ergerlijk feit, dat schade veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid oproept. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachtes handelen er aan kan bijdragen dat de stad Amsterdam voor toeristen als een onveilige plek wordt gezien.

Verder is komen vast te staan dat verdachte, blijkens zijn strafblad van 10 oktober 2019, eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor veel vermogensdelicten.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 oktober 2019, opgemaakt door reclasseringsmedewerkster C.E. Tempelman. Hierin staat – kort samengevat – vermeld dat verdachte voldoet aan de harde criteria voor oplegging van een ISD-maatregel. Omdat verdachte geen verblijfsvergunning in Nederland heeft, heeft hij geen toegang tot instanties en kan hij geen aanspraak maken op sociale voorzieningen. Daarnaast zijn er voor de reclassering geen mogelijkheden om verdachte te begeleiden als gevolg van zijn vreemdelingenrechtelijke status. De reclassering adviseert gezien het voorgaande om aan betrokkene de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Deze zal in het geval van verdachte ten uitvoer worden gelegd in de [detentieplaats] .

Hoewel in deze zaak aan de voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ernst en de frequentie van de door verdachte begane feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet zodanig zijn, dat de veiligheid van personen of goederen in dit geval het opleggen van de ISD-maatregel eist. De officier van justitie heeft aangegeven dat verdachte ook weinig strafbare feiten kon plegen omdat hij een groot gedeelte van het afgelopen jaar in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Aan de andere kant betekent deze vorm van vrijheidsbeneming ook dat niet gezegd kan worden dat verdachte een urgent overlastgevende persoon is waartegen de maatschappij beschermd moet worden door middel van oplegging van een ISD-maatregel. Kortom, de rechtbank vindt dat de ISD-maatregel in dit geval, mede gelet op de bewezenverklaring, een te vergaande en te ingrijpende maatregel is en zal de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel dan ook afwijzen.

In plaats daarvan zal de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbenemende straf opleggen. Bij de bepaling van de hoogte van de vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hoewel de buit van de diefstal gering lijkt, grenst de wijze waarop verdachte het feit heeft gepleegd aan zakkenrollerij. In de strafoplegging wordt dan ook aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor zakkenrollerij. Het oriëntatiepunt voor zakkenrollerij met recidive is een gevangenisstraf van twee maanden.

Alles meewegend legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

Opheffing voorlopige hechtenis

Omdat verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die hem uiteindelijk wordt opgelegd, is de voorlopige hechtenis met ingang van 14 november 2019 opgeheven.
8

Bij de stukken bevindt zich de op 13 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 18/082161-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 september 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 95,00 subsidiair 1 dag hechtenis, met bevel dat van deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat de rechtbank het toewijzen van de vordering niet opportuun acht nu verdachte in de huidige strafzaak langer in voorlopige hechtenis heeft gezeten dan de uiteindelijk aan hem opgelegde straf.

9

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

10

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18/082161-18.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Spoel, voorzitter,mrs. R.A.J. Hübel en I. Mannen, rechters,in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2019.