Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8388

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8388, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751768-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751768-19RK nummer: 19/4928

Datum uitspraak: 5 november 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 16 augustus 2019 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] alias [alias naam opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedag] 1998, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in de [detentie adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:8388:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751768-19RK nummer: 19/4928
Datum uitspraak: 5 november 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 16 augustus 2019 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] alias [alias naam opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedag] 1998, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,gedetineerd in de [detentie adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 oktober 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2

2.1.
Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de Belgische autoriteiten de overlevering verzoeken van [alias naam opgeëiste persoon] terwijl de raadsman [naam opgeëiste persoon] bijstaat. Volgens de raadsman is deze persoon niet de persoon waarvan de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering wenst. Aldus stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, zodat meer duidelijkheid over de opgeëiste persoon kan komen.

2.2.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet beoordelen of de opgeëiste persoon degene is die de Belgische autoriteiten willen vervolgen voor de strafbare feiten die in het EAB staan omschreven.

De officier van justitie heeft ter zitting een proces-verbaal overgelegd waaruit – kort gezegd – volgt dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat de naam die hij bij het verhoor op 9 september 2019 heeft opgegeven – te weten [alias naam opgeëiste persoon] – niet zijn echte naam is. Hij heeft verklaard dat zijn naam [naam opgeëiste persoon] is. Voorts heeft de moeder van de opgeëiste persoon een geboorteakte verstrekt, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon inderdaad is genaamd [naam opgeëiste persoon] . Vervolgens heeft het consulaat van Chili deze persoonsgegevens bevestigd en een foto van betrokkene bijgevoegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat geen twijfel bestaat omtrent de identiteit van de opgeëiste persoon. Daarom verwerpt zij het verweer en ziet zij geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.

De rechtbank heeft aldus de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Chileense nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek van 16 augustus 2019 met referentie OR K. Helsen 2019/116, uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Turnhout.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, in het bijzonder telefoons en kleding.

4

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.De volgende argumenten zijn aangevoerd:
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

-

het onderzoek heeft een aanvang genomen in België;

het bewijs bevindt zich in België;

medeverdachten worden in België vervolgd/zijn in België veroordeeld;

de inbraken hebben in België plaatsgevonden, dus is met name de rechtsorde van België geschonden.

beslissing

6

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7

De officier van justitie heeft bij aanvullende vordering van 22 oktober 2019 verzocht een beslissing te nemen op het verzoek om afgifte aan de verzoekende Staat van een telefoon (Apple iPhone) die – blijkens de kennisgeving van inbeslagneming – op 19 augustus 2019 onder de opgeëiste persoon in beslag is genomen.

7.1.
Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de telefoon niet op basis van de juiste wettelijke grondslag in beslag is genomen. Hiertoe is aangevoerd dat uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat de telefoon op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag is genomen, terwijl artikel 49 OLW van toepassing is.

7.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het beslag inderdaad op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden, maar dat – nu de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB om inbeslagname en afgifte van eventueel aangetroffen voorwerpen heeft verzocht – voldoende vaststaat dat de telefoon in het kader van de overleveringszaak in beslag is genomen.

7.3.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de genoemde wettelijke grondslag in de kennisgeving van inbeslagneming sprake is van een kennelijke misslag. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Blijkens het proces-verbaal aanhouding heeft de Koninklijke Marechaussee de opgeëiste persoon op 19 augustus 2019 aangehouden op grond van artikel 21 OLW. Zoals vermeld is de telefoon op diezelfde datum in beslag genomen. Bovendien staat in de kennisgeving van inbeslagneming vermeld:

Aanleiding: Ter waarheidsvinding in beslag genomen, op verzoek van autoriteiten

Op grond van de het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de telefoon in het kader van de overleveringszaak – en dus op grond van artikel 49 OLW – in beslag is genomen.

Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen telefoon (Apple iPhone) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

8

De artikelen 2, 5, 7, 13, 49 en 50 OLW.

beslissing

9



STAAT TOE[naam opgeëiste persoon] alias [alias naam opgeëiste persoon]
BEVEELT

mr. A.K. Glerum, voorzitter,mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 5 november 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.