Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8351

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 08-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8351, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751871-17


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751871-17RK nummer: 18/1362

Datum uitspraak: 8 november 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2017 door (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:8351:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751871-17RK nummer: 18/1362
Datum uitspraak: 8 november 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2017 door (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

Zitting 7 september 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen eerst met dertig dagen en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Tussenuitspraak 21 september 2018

De rechtbank heeft op 21 september 2018 een tussenuitspraak gedaan. In die tussenuitspraak heeft de rechtbank al op enkele punten/verweren beslist. Voor de overzichtelijkheid zal de rechtbank die beslissingen in deze uitspraak opnemen. De rechtbank heeft verder het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen met het oog op de toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis A.

Zitting 25 oktober 2019

De behandeling van de vordering is op 25 oktober 2019 – met instemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie – voortgezet in de stand waarin de behandeling zich bevond op het moment van sluiting van de behandeling ter zitting van 7 september 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van:

A.

B.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van voormelde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB moet de opgeëiste persoon de vrijheidsstraf vermeld onder A nog geheel ondergaan en resteren van de vrijheidsstraf vermeld onder B nog negen maanden en 28 dagen.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

-

een vonnis van (Polen) van 28 februari 2013, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon (referentie: II K 1186/12);

een beslissing van van 5 februari 2014, waarbij de tenuitvoerlegging van voormelde straf is bevolen (referentie: II Ko 2836/13);

-

een vonnis van van 10 april 2014, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon (referentie: II K 65/14);

een beslissing van van 24 juli 2014, waarbij de tenuitvoerlegging van voormelde straf is bevolen (referentie: II Ko 1215/14).

4

Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot de vonnissen vermeld onder A en B hebben geleid.

Volgens artikel 12 OLW moet de overlevering in dat geval worden geweigerd, tenzij sprake is van één van de uitzonderingssituaties, vermeld in dit artikel.

In dit geval is met betrekking tot beide vonnissen in het Europees aanhoudingsbevel vermeld dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. In de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 juni 2018 is vermeld dat de opgeëiste persoon persoonlijk de dagvaardingen in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend. Gezien het voorgaande is de uitzonderingssituatie als bedoeld onder a (eerste alternatief) in artikel 12 OLW van toepassing ten aanzien van beide vonnissen. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.
De rechtbank moet in beginsel vertrouwen op de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon de dagvaarding voor de procedure betreffende vonnis B persoonlijk in ontvangst te hebben genomen, geeft geen aanleiding te twijfelen aan de door de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van dit vonnis verstrekte informatie. Niet vereist is dat de uitvaardigende justitiële autoriteit stukken overlegt waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Voor zover de raadsman heeft verzocht deze stukken op te vragen, wordt dit verzoek dan ook afgewezen.

5


Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis B

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis B niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van het feit waarop vonnis B ziet. Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis B levert naar Nederlands recht op:

verduistering.
_d3c70574-1a6d-42e6-a84d-3c7c8fdc36a2

Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis A

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis A evenmin aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan dus ook voor dit feit alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt, met de raadsman en anders dan de officier van justitie, vast dat niet is voldaan aan deze eisen ten aanzien van het feit waarop vonnis A ziet, omdat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Toetsingskader strafbaarheid naar Nederlands recht.

Voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid is relevant de overeenstemming tussen de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, en de omschrijving van het strafbare feit overeenkomstig Nederlands recht (de Nederlandse strafbepaling). De rechtbank moet dan ook nagaan of de feitelijke elementen, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Nederland, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft (vgl. HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza), ten aanzien van artikel 7, derde lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ). De feitsomschrijving moet onder enige Nederlandse strafbepaling vallen. Niet is vereist dat de feitsomschrijving onder een Nederlandse strafbepaling valt die identiek is aan de strafbepaling waaronder het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat valt.
De feitsomschrijving (feitelijke elementen)

In onderdeel e) van het EAB is het feit waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis A is veroordeeld als volgt omschreven:

"In the period between December 2011 and 8th October 2012, in the city of Pila, being obliged, by the record of the District Court in Pila, III Family and Juvenile Department, reference No. III RC 258/11 of 8th August 2011, to pay maintenance for his son, [naam zoon] , in the amount of PLN 500 a month, [opgeëiste persoon] persistently evaded this obligation, thus exposing his son to the inability to satisfy his basic needs and forcing him to use support of the Municipal Social Support centre in Pila.”

In aanvulling op de omschrijving van het feit in het EAB heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit – desgevraagd door de rechtbank – bij brief van 9 november 2018 de volgende omschrijving gegeven:

paying maintenance, he would actually expose his own child to the inability to meet basic needs of life.

2) The analysis of the case file leads to the conclusion that the child was in fact brought to a state where there was a concrete danger that his basic needs would not be met. The entire burden of supporting a minor son was passed on to his mother, who, while working as a shop assistant, earned only 1,500.00 PLN gross, which is a relatively low amount to meet the needs of two persons. The conduct of the convicted person forced the mother of the child to use the maintenance fund, child benefit in the amount of PLN 91.00 per month and to enforce the amount due by way of enforcement proceedings.”

De Nederlandse strafbepaling

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat gelet op de gegeven feitsomschrijving de strafbaarheid naar Nederlands recht moet worden beoordeeld in het licht van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dat als volgt luidt:

hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Volgens de Memorie van Toelichting bij dit artikel is er sprake van het in hulpeloze toestand brengen van iemand, wanneer een hulpbehoevende in gevaar wordt gebracht. Hiervan is sprake wanneer er gevaar bestaat voor leven of gezondheid, terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet redden kan. Wordt er door een ander (bijvoorbeeld een liefdadigheidsinstelling of de sociale dienst) hulp verleend, dan hoeft dit niet aan de strafbaarheid ter zake van het delict in de weg te staan (HR 18 februari 1958, 1958/373). Er moet wel concreet gevaar dreigen voor de hulpbehoevende (Rb. Den Haag 16 april 2007, BA2975).

Valt de feitsomschrijving (feitelijke elementen) onder artikel 255 Sr?

Allereerst stelt de rechtbank vast dat uit de feitsomschrijving volgt dat de opgeëiste persoon krachtens wet of overeenkomst verplicht was tot onderhoud van zijn zoon. De opgeëiste persoon was immers verplicht maandelijks een bedrag te betalen voor het onderhoud van zijn zoon. Dat hij niet heeft voldaan aan deze plicht volgt ook uit de feitsomschrijving.

In het licht van de strafbepaling van artikel 255 Sr zijn, in het bijzonder voor de vaststelling of de opgeëiste persoon zijn zoon heeft blootgesteld aan concreet gevaar voor leven of gezondheid, de volgende zinsneden van belang:

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit voormelde zinsneden niet kan worden afgeleid dat concreet gevaar dreigde voor leven of gezondheid van de zoon. De omstandigheid dat er daadwerkelijk concreet gevaar dreigde dat zijn basisbehoeften niet zouden worden vervuld, maakt immers nog niet dat zijn leven of gezondheid op dat moment concreet in gevaar was. Zo is niet gebleken dat het inkomen zodanig laag was, dat de gezondheid van het kind in gevaar was. Het gegeven dat de moeder zich genoodzaakt zag zich te wenden tot een fonds, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande is dus geen sprake van het voor kwalificatie onder artikel 255 Sr vereiste ‘in een hulpeloze toestand brengen’.

Gezien het voorgaande kan op basis van het EAB en de nadere informatie niet worden vastgesteld dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht naar Nederlands recht strafbaar is. Dit betekent dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd.

-

‘thus exposing his son to the inability to satisfy his basic needs’, en

‘the child was in fact brought to a state where there was a concrete danger that his basic needs would not be met’.

6

Overlevering van een Nederlander wordt ingevolge artikel 6, tweede lid, OLW niet toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Hetzelfde geldt voor een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. In artikel 6, vijfde lid, OLW zijn de cumulatieve voorwaarden voor gelijkstelling van een vreemdeling met een Nederlander vermeld. Het betreft de volgende drie voorwaarden:

De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon een beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander op grond van voormelde bepaling.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet kan slagen.

De opgeëiste persoon is namelijk niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Evenmin is hij in het bezit van een – volgens vaste rechtspraak van de rechtbank met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijk te stellen – duurzaam verblijfsrecht als burger van de Europese Unie (EU). Hij heeft (tijdens het verhoor door de officier van justitie bij zijn voorgeleiding) verklaard sinds november 2015 in Nederland te verblijven. Een duurzaam verblijfsrecht wordt in het geval van de opgeëiste persoon, die als economisch actieve EU-onderdaan in Nederland verblijft, na vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf verkregen. Hij heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij voldoet aan voormeld criterium. Gezien het voorgaande voldoet de opgeëiste persoon niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding haar vaste jurisprudentie op dit punt bij te stellen.
Nu de opgeëiste persoon al niet voldoet aan de onder 1 genoemde voorwaarde komt hij niet voor gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking en staat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, OLW dus niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering.

arabic

bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

in Nederland vervolgd kunnen worden voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

de verwachting moet bestaan dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

7

7.1
Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW. Uit het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 25 juli 2018 over de detentieomstandigheden in Polen kan een concreet vermoeden dat mensenrechten van gedetineerden in Polen worden geschonden, worden afgeleid. Zo is sprake van een minimale leefruimte per gedetineerde van 3 m2, wat onacceptabel is. Nu er geen zicht is op waar de opgeëiste persoon in Polen gedetineerd zal worden, bestaat de kans dat hij een leefruimte van 3 m2 zal krijgen. Ook de medische hulp is onder de maat; gedetineerden worden niet tijdig medisch gekeurd. Verder kunnen gedetineerden 28 dagen in afzondering worden gehouden, terwijl dat maximaal 14 dagen zou mogen zijn. Tot slot geldt in het algemeen dat de detentieomstandigheden niet zijn verbeterd, aldus de raadsman.

7.2
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit het CPT-rapport van 25 juli 2018 blijkt dat geen sprake is van ‘overcrowding’ in Poolse gevangenissen. Verder zijn de materiële condities in het algemeen voldoende. Er is 3 m2 leefruimte gegarandeerd, wat voldoende is volgens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van 20 oktober 2016 in de zaak MuršićURŠIĆ t. Kroatië . Van ‘ill treatment’ is geen sprake. Er zijn wel zorgelijke ontwikkelingen met betrekking tot medische omstandigheden en er is een gebrek aan activiteiten voor voorlopig gedetineerden. Echter, een algemeen reëel gevaar op schending van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) is voor gedetineerden in Polen niet aan de orde, waardoor niet wordt toegekomen aan toetsing van het ‘individuele gevaar’ voor de opgeëiste persoon, aldus de officier van justitie
7.3
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt het verweer aan als een beroep op het bepaalde in artikel 4 Handvest en hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het Europese Hof van Justitie in het arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).

De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van een overleveringsverzoek uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij ook het CPT-rapport van 25 juli 2018 is meegewogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijk of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest (zie: Rb Amsterdam 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507). Aan nadere toepassing van het in het arrest in de zaken Aranyosi en Căldăraru gegeven stappenschema, dat ziet op het uitsluiten van het individuele risico voor de opgeëiste persoon om in detentie onmenselijk of vernederend te worden behandeld, komt de rechtbank daarom niet toe. Het bepaalde in artikel 4 Handvest staat gelet op het voorgaande niet in de weg aan het toestaan van de verzochte overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen.
beslissing

8

Ten aanzien van vonnis A

Nu is vastgesteld dat het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis A niet dubbel strafbaar is, dient de overlevering voor de tenuitvoerlegging van de bij vonnis A opgelegde vrijheidsstraf te worden geweigerd.
Ten aanzien van vonnis B

Nu is vastgesteld dat het EAB ten aanzien van vonnis B voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de bij vonnis B opgelegde vrijheidsstraf te worden toegestaan.
9

De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

beslissing

10





STAAT TOE[opgeëiste persoon] ,the Regional Court on Poznań
WEIGERT[opgeëiste persoon] ,the Regional Court on Poznań
Aldus gedaan doormr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,mrs. A.R.P.J. Davids en J.H. Beestman, rechters,in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

_86f1c846-2548-4024-9c0c-46bd409701e6
1

De overwegingen in rubriek 4 waren ook al opgenomen in de tussenuitspraak.

_d3c70574-1a6d-42e6-a84d-3c7c8fdc36a2
2

De overwegingen over de dubbele strafbaarheid van het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis B waren ook al opgenomen in de tussenuitspraak.