Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8235

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 04-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8235, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/665243-15 en 13/674207-17


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/665243-15 (A) 13/674207-17 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 4 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op 19 februari 1968,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:8235:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/665243-15 (A) 13/674207-17 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 4 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op 19 februari 1968,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 en 19 september 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting van 26 juli 2018 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat de raadsman van verdachte, mr. T. Nieuwburg, naar voren hebben gebracht.

2

De tekst van de op 27 oktober 2015 en 19 september 2019 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 24 januari 2012 tot en met 5 juni 2015 zeven maal schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Drie van deze feiten zijn subsidiair ten laste gelegd als medeplegen van diefstal.

3

3.1.
Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1.1.
Zaak A feit 1 (hierna ook: feit A1)
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij een advertentie op de website [naam website] had geplaatst, waarin hij een stuk grond met een bouwproject in [land] te koop aanbood.

Op 14 maart 2015 belde een man die zich [naam 1] noemde. Hij zei dat hij en zijn vader [naam 2] in het project geïnteresseerd waren. Zij maakten een afspraak voor een ontmoeting, die plaatsvond op 15 maart 2015 in het café [naam café] in Amsterdam. [naam 1] en [naam 2] waren daar beiden gekleed in maatpak en [naam 1] droeg een keppel. Zij vertelden aangever dat ze in de partijhandel zaten. Op 27 maart 2015 werd aangever door [naam 1] gebeld voor een volgende ontmoeting. Die ontmoeting vond plaats op 29 maart 2015 in het café [naam café 2] in Apeldoorn. Bij die ontmoeting overhandigde aangever aan [naam 1] en [naam 2] de koopovereenkomst. [naam 1] en [naam 2] stelden daar ook voor om elkaar op 31 maart 2015 te ontmoeten in het [naam hotel] in Amsterdam. [naam 1] zou daar een aanbetaling meenemen in biljetten van 500 euro en vroeg of aangever een aantal biljetten kon omwisselen in kleinere coupures. Aangever ging hiermee akkoord.

[naam 1] kwam op 31 maart 2015 alleen naar de afspraak in het [naam hotel] en dronk daar cola uit een glas. Vervolgens stelde hij aangever voor om naar buiten te gaan om de papieren nog eens door te nemen in de auto bij zijn broer. [naam 1] liet een stapel biljetten van 500 euro zien ter waarde van duizenden euro’s. Aangever ging, ondanks dat hij argwaan had, mee naar buiten met zijn koffer met daarin 35.000 euro. [naam 1] had het portier aan de passagierszijde geopend. Aangever stond voorovergebogen met zijn hoofd in de auto en zei tegen de broer dat hij maar naar het hotel moest komen. Toen voelde aangever dat [naam 1] tegen hem aan kwam staan. Aangever deed een stap naar achter waardoor [naam 1] viel. Op hetzelfde moment voelde aangever uit de richting van de broer een vloeistof in zijn ogen komen, die een hevige pijn veroorzaakte.

Op het colaglas waaruit “ [naam 1] ” heeft gedronken is DNA-materiaal aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA van medeverdachte [naam medeverdachte] .

3.1.2.
Zaak A feit 2 (hierna ook: feit A2)
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij een advertentie op de website [naam website] heeft geplaatst, waarin hij bouwgronden in [land] te koop aanbood.

Op 11 mei 2015 werd aangever gebeld door een man die zich [naam 3] noemde. Zij maakten een afspraak voor een ontmoeting die de volgende dag plaatsvond in het [naam hotel 2] in Amersfoort. [slachtoffer 2] , zijn broer [naam broer slachtoffer 2] en zijn zus [ naam zus slachtoffer 2] ontmoetten daar [naam 3] en een man die door [naam 3] ‘papa’ werd genoemd. [naam 3] en papa gingen akkoord met de vraagprijs op voorwaarde dat zij 70.000 euro in coupures van 500 euro konden wisselen in kleinere coupures. Aangever ging daarmee akkoord. Vervolgens liet [naam 3] een man naar de bouwgronden kijken en daarna maakten zij een afspraak voor een ontmoeting op 5 juni 2015 bij het [naam hotel 3] te Spijkenisse.

Op 5 juni 2015 kwam ‘papa’ alleen het hotel in Spijkenisse binnen met een aktetas in zijn hand en een keppel op zijn hoofd. Hij liet aangever een kopie van een paspoort zien die van de persoon zou zijn die de bouwgronden zou kopen. Aangever ging vervolgens het geld dat hij had meegebracht uit zijn auto halen en zag toen iemand in een Saab zitten van wie hij eerst dacht dat het [naam 3] was. Deze persoon stelde zich echter voor als [naam 1] . Aangever liep met de laptoptas waarin hij het geld had gedaan terug naar het hotel en legde deze op tafel. ‘Papa’ pakte de tas, zei: “even nakijken” en liep weg met de tas met geld. Aangever zag ‘papa’ even later wegrijden in de eerdergenoemde Saab, terwijl hij op de bijrijdersstoel zat.

Voor, tijdens en na de ontmoeting met aangever heeft de politie een aantal van de door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte telefoons getapt. Ook deed de politie observaties bij en rond het hotel. Daardoor is verdachte korte tijd na het verlaten van het hotel in een taxi in Hoogvliet aangehouden tezamen met medeverdachte [naam medeverdachte] , waarbij onder meer in de auto op de plek waar verdachte had gezeten een plastic tas met daarin 70.000 euro is aangetroffen. Verdachte heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij in het [naam hotel 3] is geweest en dat hij 70.000 euro aan [naam medeverdachte] heeft gegeven.

3.1.3.
Zaak A feit 3 (hierna ook: feit A3)
Aangeefster [slachtoffer 3] had een advertentie op de websites [naam website] en [naam website 2] geplaatst waarin zij een appartement in [plaatsnaam 1] , [land] te koop aanbood.

Op de tweede advertentie kwam een reactie per e-mail van ene [naam 4] . Zij ontmoetten elkaar in januari en februari 2015 in respectievelijk het café [naam café 2] en het café [naam café 3] in Apeldoorn. [naam 4] was daar beide keren met zijn vader [naam 2] . [naam 4] had verteld dat hij van Joodse afkomst was en zijn vader [naam 2] leek als twee druppels water op de Franse acteur Louis de Funès, aldus de schoonzoon van aangeefster. [naam 4] en [naam 2] vertelden dat ze in de diamanthandel zaten en ze wilden, als voorwaarde voor de aankoop van het appartement, briefjes van 500 euro omwisselen in kleinere coupures. Aangeefster ging daarmee akkoord. Zij had naar de volgende afspraak, op 3 april 2015 in Amsterdam 16.500 euro in kleine coupures meegenomen. [naam 4] zou dit bedrag in coupures van 500 euro meenemen en nog 33.000 euro voor de aanbetaling van het appartement.

[naam 4] kwam op de afspraak op 3 april 2015 zonder zijn vader naar het [naam hotel 4] in Amsterdam. Aangeefster ging met [naam 4] mee naar het toilet, waar ze het geld zouden wisselen. Daar zei [naam 4] dat ze niet in het toilet zouden blijven en gezamenlijk liepen ze naar buiten. Eenmaal buiten greep [naam 4] de handtas van aangeefster met daarin het geld en andere persoonlijke eigendommen en sprong in een auto. De auto reed weg en aangeefster, die de tas nog vasthield, werd meegetrokken en viel daardoor op de grond.

In het hotel [naam hotel 4] heeft [naam 4] een jas achtergelaten, waarin DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA van medeverdachte [naam medeverdachte] .

3.1.4.
Zaak B feit 1 (hierna ook: feit B1)
Aangever [slachtoffer 4] , woonachtig in [land] , heeft verklaard dat hij een advertentie op internet had geplaatst waarin hij een huis in Frankrijk te koop aanbood.

Op deze advertentie reageerde iemand die zich [naam 5] noemde. Zij spraken af op 25 januari 2012 in [naam hotel 5] in Amsterdam. [naam 5] vertelde dat hij Zwitser was en zaakvoerder was van de firma [naam firma] in Nederland, dat hij daar was met iemand die zich [naam 6] noemde en die zijn zakenpartner zou zijn. Deze man was chique gekleed, met een pochet in zijn jasje. Zij maakten daar de afspraak dat een aanbetaling zou worden gedaan van 5.000 euro. [naam 6] vroeg aangever om dan 25.000 euro mee te nemen en in kleinere coupures biljetten te wisselen.

[naam 6] kwam alleen naar de volgende afspraak op 1 februari 2012 bij het café [naam café 4] in Amsterdam. [naam 6] had nu een keppeltje op zijn hoofd en vroeg om de envelop met het geld te zien. Samen liepen ze naar buiten naar een auto, waarin nog een ander persoon zat. [naam 6] liep naar de auto en kwam terug met een pakketje biljetten in zijn hand. Hij gaf de aangever twee briefjes van 500. Terwijl aangever de biljetten bekeek, haalde aangever de envelop met de 25.000 euro uit zijn binnenzak. Op dat moment trok de man uit de auto de envelop uit de hand van aangever en sprong in de auto. [naam 6] stapte ook in en ze reden weg.

Op de camerabeelden van het café [naam café 4] ten tijde van het feit is te zien, dat een man met een keppel voor de deur staat en naar binnen loopt. Twee verbalisanten hebben verklaard deze man te herkennen als de onderhavige verdachte.

3.1.5.
Zaak B feit 2 (hierna ook: feit B2)
Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij advertenties had gezet op de websites [naam website] en [naam website 2] waarin hij een boot te koop aanbood.

Op 14 april 2014 werd aangever gebeld door een man die zich [naam 7] noemde en interesse toonde in de boot. Zij spraken af elkaar de volgende dag, 15 april 2014, in een hotel in Amsterdam te ontmoeten. Daar was [naam 7] met iemand die zijn broer [naam 8] zou zijn. Zij wilden de boot kopen op voorwaarde dat zij een bedrag van 35.000 euro in coupures van 500 euro met aangever konden wisselen in kleinere coupures, waarna zij 35.000 euro op zijn bankrekening zouden overmaken. Aangever zou daar dan nog 15.000 euro extra in coupures van 500 euro voor krijgen. [naam 7] en [naam 8] hadden verteld dat hun vader diamanthandelaar was en over veel zwart geld beschikte. Op 24 april 2015 ontmoette aangever [naam 7] bij [naam hotel 12] in Amsterdam waarbij zij 5000 euro omwisselen. Vervolgens kwam vader [naam vader] op 27 april 2014 in [land] naar de boot kijken.

Op de derde afspraak in het hotel [naam hotel 7] in Amsterdam op 30 april 2014 kwam alleen [naam 7] . Aangever had 35.000 euro meegenomen en gaf de envelop met geld aan [naam 7] . [naam 7] liep met de envelop in de richting van het toilet waar hij het geld zou controleren. Even later kwam de manager van het hotel vertellen dat zij hem via de achterkant van het hotel hadden zien wegrennen.

Bij de eerste afspraak op 15 april 2014 was ook de stiefzoon van aangever aanwezig, die met zijn telefoon een foto van [naam 7] en [naam 8] heeft gemaakt. Op deze foto heeft een verbalisant, [naam verbalisant 1] , en ook een (voormalig) medeverdachte, [naam medeverdachte 2] , [naam 7] herkend als medeverdachte [naam medeverdachte] en [naam 8] als [naam medeverdachte 4] .

3.1.6.
Zaak B feit 3 (hierna ook: feit B3)
Aangever [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij een advertentie had gezet op de website [naam website] waarin hij een appartement te koop aanbood.

Op 22 september 2014 belde iemand die zich [naam 9] noemde, die zei geïnteresseerd te zijn in de woning. Zij spraken af elkaar de volgende dag te ontmoeten in het [naam hotel] in Amsterdam. Daar was ook de vader van [naam 9] , die een keppeltje op zijn hoofd droeg. Beiden droegen een maatpak. [naam 9] vertelde dat hij een winkelketen had van vier winkels, dat hij 40.000 euro had in coupures van 500 euro en dat hij als voorwaarde voor de koop van het appartement deze biljetten wilde omwisselen in kleinere coupures. Op 27 september 2014 is iemand het appartement in [land] komen bekijken.

Op 1 oktober 2014 hadden zij weer bij het [naam hotel] afgesproken. [naam 9] kwam ditmaal alleen. Aangever was met zijn vrouw gekomen. Toen zijn vrouw naar de wc was, pakte [naam 9] de aktetas van aangever met daarin de 40.000 euro en zei dat hij dit bij de wc bij de vrouw van aangever ging omwisselen. Aangever zag even later zijn vrouw terugkomen zonder tas en zijn vrouw vertelde dat [naam 9] met de aktetas met het geld het hotel uit was gelopen.

3.1.7.
Zaak B feit 4 (hierna ook: feit B4)
Aangeefster [slachtoffer 7] heeft verklaard dat zij een advertentie had gezet op de website [naam website] waarin zij een bed & breakfastbedrijf te koop aanbood.

Hierop reageerde een man die zich [naam 10] noemde en interesse toonde in het bedrijf. Op 12 november 2014 ontmoette aangeefster en haar man [naam 10] in het [naam hotel 8] in Amsterdam. [naam 10] was daar met een kleine man tussen de 50 en 60 jaar oud, beiden droegen een pak. De mannen vroegen of ze de betaling contant konden doen, in biljetten van 500 euro. De volgende dag spraken zij telefonisch af dat aangeefster 5.000 euro zou meenemen voor een testwissel. Weer een dag later vond deze wissel plaats in hotel [naam hotel 9] in Amsterdam. Op 16 november 2014 kwam een jonge vrouw met een Nederlandse taxi bij aangeefster langs om foto’s te maken van haar bed & breakfastbedrijf . Zij maakte tevens notities in een boekje. Een dag later ontving aangeefster een sms waarin stond: “van onze kant is alles ok”.

Aangeefster maakte een nieuwe afspraak voor 22 november 2014. Die dag ontmoetten zij en haar man [naam 10] eerst bij het [naam hotel 13] , waar geen kamer beschikbaar was, om daar het geld te tellen. Daarna gingen ze naar het [naam hotel 10] waar ook geen kamer beschikbaar was. De afspraak is vervolgens naar een later tijdstip die avond verplaatst, rondom 18.00 uur. De laatste afspraak was in het [naam hotel 11] . Buiten bij het [naam hotel 11] stond de kleine oudere man, die aangeefster en haar man op 12 november 2014 in het [naam hotel 8] hebben ontmoet, een sigaret te roken. Aangeefster en haar man hadden samen met deze oudere man plaats genomen in de lounge van het hotel. De man van aangeefster gaf 15.000 euro in een envelop aan deze man. Hij had vervolgens gezegd dat hij ging kijken of het geld echt was. Hij liep ermee weg en kwam niet meer terug. Zijn aktetas had hij in de lobby achtergelaten. Daarin werden biljetten van 500 euro aangetroffen die vals bleken te zijn.

Op de camerabeelden van de lounge van het [naam hotel 11] is te zien dat aangeefster en haar man in gesprek zijn met een andere man die een envelop aanneemt en ermee wegloopt. Deze man is door twee verbalisanten herkend als de onderhavige verdachte.

3.1.8.
Onderzoek 13Rakker
Naar aanleiding van de aangiftes van de feiten A1 en A3 waarin de politie overeenkomsten signaleerde tussen de werkwijze van de daders, is het onderzoek 13Rakker opgestart, waarin een dadergroep naar voren kwam waarvan onder meer verdachte en zijn zoon [naam medeverdachte 4] deel uitmaakten. Het betrof de volgende overeenkomsten:• Slachtoffers worden via internet gezocht op buitenlandse websites;• Slachtoffers komen uit het buitenland;• Slachtoffers worden naar Nederland gelokt;• Afspraken vinden plaats in horecagelegenheden;• Eindafspraak vindt plaats in een hotel;• Daders doen zich voor als zakenmensen (van Joodse afkomst);• Daders komen vermoedelijk uit Roma-kringen;• Daders zijn over het algemeen netjes gekleed.
Bij een politieobservatie van de verdachten op 30 mei 2015 die leidde naar Maastricht, kwam ook verdachtes zoon [naam medeverdachte] in beeld. Verdachte en [naam medeverdachte] hadden daar met twee Belgische vrouwen een afspraak. Deze afspraak ging over de aankoop van een woning in [land] die verdachte en [naam medeverdachte] contant wilden betalen. Verdachte en [naam medeverdachte] gebruikten bij deze afspraak de namen [naam 11] en [naam 12] .

Zoals onder 3.1.2 weergegeven volgde de politie de groep vervolgens voorafgaand aan en tijdens de ontmoeting met de aangever van feit A2 in Spijkenisse op 5 juni 2015 en hield verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] na een korte achtervolging aan, terwijl zij in bezit waren van het geld van aangever [slachtoffer 2] .

In het vervolg van het onderzoek heeft de politie op basis van eerdergenoemde modus operandi en waar mogelijk op basis van camerabeelden en een foto, verdachte en één of twee medeverdachten gekoppeld aan vier eerdere feiten. Deze feiten zijn afzonderlijk ten laste gelegd in zaak B.

3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit A2 primair en het onder feit B1 primair en B4 primair tenlastegelegde en tot vrijspraak van de overige feiten. Daarbij heeft hij – kort weergegeven – het volgende naar voren gebracht. Bij feit A3 kan wel de betrokkenheid van verdachte worden vastgesteld, maar het is niet tot de door verdachte beoogde oplichting gekomen en van een strafbare poging is ook geen sprake. Bij de overige feiten kan de betrokkenheid van verdachte onvoldoende worden vastgesteld.

3.3.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten, met uitzondering van de onder feit A2 subsidiair tenlastegelegde diefstal in vereniging, waarvoor zij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit A2 primair heeft de verdediging - kort gezegd - aangevoerd dat de slachtoffers niet de nodige omzichtigheid hebben betracht zodat het feit niet kan worden gekwalificeerd als oplichting. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging primair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte is. Voor zover verdachte is herkend door aangevers of verbalisanten, zijn deze herkenningen niet betrouwbaar en de modus operandi, die aan verdachte en medeverdachten wordt toegeschreven, wordt door meerdere dadergroepen toegepast, zodat deze niet kan bijdragen aan het bewijs.
3.4.
Oordeel van de rechtbank

3.4.1.
Modus operandi en aanhouding voor feit A2
Op basis van het door de politie verrichte onderzoek stelt de rechtbank vast dat in alle zeven tenlastegelegde zaken sprake is van een werkwijze die in grote lijnen overeenkomt. In alle gevallen zijn slachtoffers benaderd die dure objecten, meestal vastgoed, aanboden op Belgische websites zoals [naam website] , en zijn afspraken gemaakt in diverse horecagelegenheden in Nederland. De daders waren netjes gekleed, in ieder geval bij de eerste afspraak in (maat)pak, en deden zich voor als rijke (Joodse) zakenlieden die beschikten over veel zwart geld. Zij maakten daarbij gebruik van een verschillende voor- en achternamen die vaak bij Joodse mensen voorkomen. Voorafgaand aan de aankoop wilden de daders coupures van 500 euro met de slachtoffers wisselen tegen kleinere coupures. Zij maakten eerst één of twee afspraken om de aankoop van het object te bespreken. Meestal vond ook nog een bezichtiging van het aan te kopen object plaats (in ieder geval bij de feiten A2, A3, B2, B3 en B4). De laatste afspraak, waarbij de ‘wissel’ van het geld zou plaatsvinden verliep niet altijd op gelijke wijze. Als de slachtoffers het toelieten nam een van de daders het geld mee om het zogenaamd te controleren, waarbij hij om vertrouwen te wekken meestal een persoonlijk eigendom achterliet, zoals een jas, tas, laptop en/of telefoon (feiten A2, A3, B1, B3 en B4). Als deze geweldloze methode niet succesvol was, pasten een of meer daders geweld toe (feiten A1, A3 en B1).

Vast staat dat verdachte degene is die op 5 juni 2015 in Spijkenisse de laptoptas met geld van aangever [slachtoffer 2] heeft meegenomen. De aanhouding van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] kon plaatsvinden omdat zij en een aantal andere personen door de politie werden geobserveerd als verdachten van het medeplegen van de twee andere feiten die in zaak A aan verdachte zijn ten laste gelegd.

3.4.2.
Herkenning verdachte door verbalisanten op camerabeelden
Bij de feiten B1 en B4 is verdachte door verbalisanten herkend op de camerabeelden. De verdediging heeft gesteld dat deze herkenningen onbetrouwbaar zijn, omdat de beelden van slechte kwaliteit zijn en de herkenningen voornamelijk zien op de manier van lopen en op het postuur, dat niet goed te beoordelen zou zijn door de lange jas die verdachte draagt (feit B1) of dat de door de verbalisanten benoemde kenmerken alleen van algemene aard zijn (feit B4).
Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:2725), is bij herkenning sprake van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon of waargenomen personen. Hoe meer men van de betrokken persoon of personen een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.

Daarnaast kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere - meer objectieve - bewijsmiddelen, aan waarde wint.

Samengevat betekent dit dat de bewijswaarde en de bewijskracht van de herkenningen in het licht van hun totstandkoming en in samenhang bezien met het overige beschikbare bewijs dienen te worden beoordeeld.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank, anders dan de raadsman heeft bepleit, de herkenningen van verdachte door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] betrouwbaar en zal het deze herkenningen bezigen tot het bewijs. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Na het bekijken van de beelden en de stills in het dossier is de rechtbank van oordeel dat deze beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van verdachte te kunnen waarnemen.

Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] voorafgaand aan het door hen bekijken van de beelden verdachten al hadden gezien en gesproken. Zo hebben verbalisanten verdachte respectievelijk op 5 en 6 juni 2015 verhoord. Verbalisant [verbalisant 2] had verdachte op 4 juni 2015 geobserveerd en was betrokken bij zijn aanhouding op 5 juni 2015.

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij verdachte bij feit B1 herkent aan zijn postuur, haardracht, kleding (in het bijzonder de keppel) en manier van lopen.

Bij feit B4 herkennen verbalisanten hem aan zijn postuur, vorm hoofd en haardracht en daarnaast aan zijn drukke gebaren tijdens het spreken (feit A2).

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen. Daarnaast deelt de rechtbank bij feit B1 niet het standpunt van de verdediging dat het postuur van verdachte niet voldoende goed in te schatten is door de jas die hij draagt. Daarbij komt dat de herkenning wordt ondersteund door de volgende omstandigheden.

De verbalisanten hebben geconstateerd dat op de beelden te zien is dat verdachte een grijskleurig kostuum met lichtkleurig overhemd draagt, die sterke overeenkomsten vertonen met de kleding die verdachte droeg tijdens zijn aanhouding in Spijkenisse.

Voorts blijkt uit de aangifte van feit B4 dat bij dit feit een persoon betrokken was die zich [naam 10] noemde en die naar het oordeel van de rechtbank voldoet aan het signalement van medeverdachte [naam medeverdachte] , van wie vast staat dat hij andere soortgelijke feiten tezamen met verdachte pleegde (in ieder geval feit A2 en zoals hierna zal blijken ook andere feiten).

De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de herkenning door deze verbalisanten en verwerpt het verweer van de raadsman.

3.4.3.
Betrokkenheid verdachte bij overige feiten en schakelbewijs
Naast de betrokkenheid bij bovengenoemde drie feiten acht de rechtbank - anders dan de officier van justitie en de verdediging - ook bewezen dat verdachte bij de overige tenlastegelegde feiten betrokken was.

Hoewel de verdediging er terecht op heeft gewezen dat de bij deze feiten gehanteerde methode niet uniek is en dat uit andere zaken is gebleken dat leden van de familie [familienaam] , waaronder ook andere familieleden van de verdachten, vaker in verschillende samenstellingen opereren, acht de rechtbank mede door toepassing van schakelbewijs bewezen dat bij de zeven feiten in dit dossier sprake is van één dadergroep, waarin verdachte telkens een rol speelt en vaak ook een centrale. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

Volgens de doctrine en de jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

Naast de onder 3.4.1 genoemde overeenkomsten in de modus operandi zijn er specifieke elementen die telkens wijzen op de betrokkenheid van verdachte. In de meeste zaken deed één van de potentiële kopers zich voor als de vader en waren er één of meer zonen betrokken (alleen bij de feiten B1 en B4 is niet expliciet vermeld dat de oudere man vader van zijn zakenpartner was). De vader of oudere man heeft volgens de beschrijving van de aangevers en getuigen zeer specifieke kenmerken die overeenkomen met die van verdachte, te weten dat hij rond de 50 of 60 jaar oud is, slank of tenger postuur, 1,60 à 1,70m lang, kalend of dun donker haar (bruin of zwart, soms ook grijzend), spreekt vaak Frans of een mengeling van talen.
Bij de feiten A1 en A3 is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de aangiften en de bevindingen met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen de betrokkenheid van medeverdachte [naam medeverdachte] voldoende komen vast te staan. Op basis van de door de aangevers en getuigen gegeven signalementen van de vader, het gebruik van dezelfde valse naam ( [naam 2] ), de verklaring van aangever [slachtoffer 1] dat hij bij de meervoudige fotoconfrontatie twijfelde over twee foto’s, waarvan één verdachte betrof, de herkenning van verdachte door aangever [slachtoffer 3] (A3) bij de enkelvoudige fotoconfrontatie bij de rechter-commissaris en de beschrijving van de vader door haar dochters en schoonzoon als gelijkend op Louis de Funès, alsook het gebruik van dezelfde telefoonnummers bij het maken van de afspraken met de aangevers in beide zaken, welke nummers uitpeilden bij de verblijfplaats van verdachte in [plaatsnaam 2] , komt de rechtbank tot het oordeel dat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte bij deze feiten de rol van de vader speelde.

Het voorgaande geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de onder B2 en B3 tenlastegelegde feiten. Hoewel bij die feiten geen fotoconfrontaties zijn gedaan, acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten bewezen op basis van de eerdergenoemde overeenkomsten en werkwijze, in samenhang met de in die zaken door de aangevers en/of getuigen gegeven zeer specifieke signalementen van de vader, die naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs uitsluiten dat een ander dan verdachte deze vader was. Bij feit B3 hebben ook de waarneming door een getuige dat de daders zijn gevlucht in een auto die regelmatig werd gehuurd door een broer van de schoonzoon van verdachte en de omstandigheid dat dit feit evenals feit A1 plaatsvond in het [naam hotel] te Amsterdam, bijgedragen aan de overtuiging van de rechtbank.

De verdediging heeft aangevoerd dat geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs omdat, niet alleen bij de feiten B3 en B4, maar ook bij de feiten A2, A3 en B2, niet is voldaan aan de voorwaarde dat de andere feiten op zichzelf bewezen kunnen worden. Daargelaten dat dit betoog, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3118), geen steun vindt in het recht, mist het feitelijke grondslag nu feit A2 ook zonder het gebruik van een bewijsmiddel dat op een ander feit betrekking heeft kan worden bewezen.

3.4.4.
Strafbaarheid van de gedragingen
De verdediging heeft voor feit A2 (en voor feit B2, voor zover de rechtbank uitgaat van betrokkenheid van verdachte daarbij), vrijspraak bepleit onder verwijzing naar een aantal uitspraken, waaronder het overzichtsarrest met betrekking tot oplichting van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2889). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aangevers van die feiten niet de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid hebben betracht die van hen onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De gang van zaken, het beklinken van de verkoop van bouwgronden dan wel een woning in een hotel respectievelijk een (grand) café die deels zwart wordt betaald en waarbij eerst een contant bedrag wordt gewisseld tegen een commissie, is dermate ongebruikelijk dat daarbij niet zonder meer op basis van goed vertrouwen kan worden gehandeld. De aangevers zijn dan ook niet door de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen bewogen tot de afgifte van de geldbedragen, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van dit verweer.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een bedriegende gang van zaken behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
De rechtbank is van oordeel dat aan verdediging kan worden toegegeven dat aan de aangevers in alle voorliggende zaken een bepaalde mate van onzorgvuldigheid kan worden verweten en dat het meewerken aan een transactie waarvan zij wisten of behoorden te weten dat dit een strafbaar feit kon opleveren, namelijk witwassen, op zijn minst bedenkelijk is. Die omstandigheden doen naar het oordeel van de rechtbank echter geen afbreuk aan het strafbare karakter van de gedragingen van verdachte en zijn mededader(s). Anders dan in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:662) was er bij de hier aan de orde zijnde feiten geen sprake van het gebruik van slechts één listige kunstgreep. Evenmin is er sprake van een zaak zoals in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1523) die grenst aan een civielrechtelijke wanprestatie. Bij feit A2 en ook bij de feiten B3 en B4 acht de rechtbank bewezen dat de aangevers zijn bewogen tot afgifte van de geldbedragen door de combinatie van het gebruik van valse namen en hoedanigheden, listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, namelijk het verhaal van verdachte en zijn mededaders dat zij ondersteunden door het dragen van chique kleding en dure horloges, het afspreken in (vaak) luxere horecagelegenheden en hotels en het wekken van vertrouwen door het bezichtigen van de aan te schaffen objecten en het achterlaten van persoonlijke goederen wanneer zij deden alsof zij het geld gingen wisselen of controleren. De omstandigheid dat er nog geen notaris bij de transactie was betrokken acht de rechtbank, gelet op de fase waarin de onderhandelingen zich bevonden, bovendien ook niet geheel ongebruikelijk. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze drie feiten en verwerpt het verweer.
3.4.5.
Vrijspraak van feit B1 primair en bewezenverklaring van feit B1 subsidiair
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de primair tenlastegelegde oplichting en de verdediging heeft vrijspraak bepleit op de hiervoor onder 3.4.2 en 3.4.4 genoemde gronden.

De rechtbank stelt vast dat aangever de envelop met geld nog niet aan verdachte had afgegeven toen zijn mededader deze uit zijn hand griste, waarna verdachte en zijn mededader er tezamen vandoor gingen. Hoewel de aangever door de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen was bewogen tot het meebrengen en het tevoorschijn halen van de envelop uit zijn binnenzak, is het niet tot een daadwerkelijke afgifte en dus ook niet tot een voltooide oplichting gekomen. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit feit vrij.

Nu verdachte en zijn mededader zich het geld van aangever wederrechtelijk hebben toegeëigend is sprake van diefstal door twee of meerdere personen, zodat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het bij feit B1 subsidiair tenlastegelegde.

3.4.6.
Strafbaarheid en kwalificatie van de feiten A1 en A3
De verdediging heeft subsidiair vrijspraak bepleit van de feiten A1 en A3 omdat bij deze feiten (poging tot) diefstal met geweld heeft plaatsgevonden en dit niet aan verdachte is ten laste gelegd. Van een poging tot oplichting is volgens de verdediging bij geen van beide feiten sprake geweest. De tenlastegelegde oplichtingsmiddelen kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm niet worden beschouwd als gericht op voltooiing van de tenlastegelegde oplichtingen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van (ECLI:NL:HR:1992:ZC8495) stelt de verdediging dat de bijdrage van verdachte aan deze feiten mogelijk enkel zijn te kwalificeren als voorbereidingshandelingen. Meer subsidiair heeft de verdediging voor deze feiten vrijspraak bepleit, omdat geen sprake is van een begin van uitvoering.
De officier van justitie heeft bij feit A3 gerekwireerd tot vrijspraak omdat niet is gekomen tot een oplichting en evenmin sprake is van een poging daartoe. Bij feit A1 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak omdat er volgens hem onvoldoende bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte en heeft hij geen subsidiair standpunt ingenomen.

De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat het bij feit A3 niet tot een voltooide oplichting is gekomen en spreekt verdachte daarom van het bij feit A3 primair tenlastegelegde vrij.

De rechtbank acht evenwel, anders dan de officier van justitie en de verdediging, bewezen verdachte tezamen met zijn mededader(s) heeft gepoogd de aangevers op te lichten. De omstandigheid dat de mededader(s) van verdachte bij deze feiten uiteindelijk (poging tot) diefstal met geweld hebben gepleegd doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Zoals hiervoor onder 3.4.1 overwogen past het plegen van een diefstal met geweld in de modus operandi van de dadergroep, waarvan verdachte deel uitmaakte. Het doel van deze dadergroep was immers om de aangevers er door de onder 3.4.4 genoemde oplichtingsmiddelen toe te bewegen dat zij de met hen afgesproken geldbedragen meebrachten naar de ontmoetingsplek waar verdachte en/of zijn mededader(s) het geld op listige wijze probeerden af te nemen. Als die opzet niet slaagde, hetgeen bij deze feiten klaarblijkelijk het geval was, werd gepoogd om het geld met toepassing van een meer of mindere mate van geweld af te nemen. Gezien deze werkwijze was de opzet van verdachte en zijn mededaders dus zowel gericht op het oplichten van de slachtoffers als op het zo nodig plegen van diefstal (al dan niet met geweld) van de geldbedragen. Nu de aangevers ook bij de feiten A1 en A3 door de oplichtingsmiddelen waren bewogen om de geldbedragen op de afgesproken data en tijdstippen naar de desbetreffende hotels in Amsterdam mee te nemen, is het naar het oordeel van de rechtbank sprake van een begin van uitvoering van de oplichting en dus van een poging daartoe. De omstandigheid dat verdachte bij de laatste afspraken bij deze feiten zelf niet aanwezig was – en daar in deze concrete gevallen ook niet bij kon zijn vanwege het uitzitten van een vervangende hechtenis – doet niet af aan de wezenlijke bijdrage die hij door zijn eerdere optreden al aan de poging tot oplichting had geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer.

3.4.7.
Vrijspraak van het onder B2 tenlastegelegde
De verdediging heeft subsidiair vrijspraak bepleit van dit feit omdat de bijdrage van verdachte, voor zover zijn betrokkenheid bij dit feit kan worden bewezen, geen mededaderschap oplevert, maar hooguit medeplichtigheid.
De rechtbank overweegt dat, daargelaten de vraag of de bijdrage van verdachte – mede gezien zijn rol bij de overige feiten – in dit geval zou kwalificeren als medeplegen of medeplichtigheid, de door verdachte bij dit feit verrichte oplichtingshandeling, te weten de bezichtiging van de boot, noch de pleegplaats van die handeling op de tenlastelegging zijn vermeld, zodat reeds daarom niet tot een bewezenverklaring van dit feit kan worden gekomen.
De rechtbank acht daarom niet bewezen wat in zaak B onder 2 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededaders het te koop staande bouwproject en de grond van voornoemde [slachtoffer 1] zouden willen kopen en- met voornoemde [slachtoffer 1] een afspraak hebben gemaakt dat verdachte en zijn mededaders een deel van de betaling zouden doen in coupures van 500,- euro en- dat voornoemde [slachtoffer 1] een geldbedrag zou meebrengen in kleine coupures om te wisselen met verdachte en zijn mededaders voor een bedrag in coupures van 500,- euro en- vervolgens met voornoemde [slachtoffer 1] hebben afgesproken en voornoemde [slachtoffer 1] coupures van 500,- euro hebben getoond;
- tegen voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] hebben gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededaders de te koop staande (bouw)gronden van voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] zouden willen kopen en- met voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] een afspraak hebben gemaakt dat voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] een geldbedrag zouden meebrengen in kleine coupures om te wisselen met verdachte en zijn mededaders voor een bedrag in coupures van 500,- euro en- voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] een kopie van een paspoort hebben getoond, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
- tegen voornoemde [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededader(s), het te koop staande appartement van voornoemde [slachtoffer 3] zouden willen kopen en- meermalen met voornoemde [slachtoffer 3] afgesproken om te onderhandelen over het appartement en- met voornoemde [slachtoffer 3] een afspraak heeft gemaakt dat verdachte en zijn mededader(s) een deel (33.000,- euro) van de vraagprijs zouden betalen in coupures van 500,- euro en dat voornoemde [slachtoffer 3] 16.500,- euro zou meebrengen om 500,- euro coupures te wisselen in kleine coupures;
- tegen voornoemde [slachtoffer 6] gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededader(s), het te koop staande appartement van voornoemde [slachtoffer 6] zouden willen kopen en- meermalen met voornoemde [slachtoffer 6] afgesproken om te onderhandelen over de aankoop van het appartement en- het te koop staande appartement laten bezichtigen en- met voornoemde [slachtoffer 6] een afspraak gemaakt dat dat [slachtoffer 6] een geldbedrag zou meebrengen in kleine coupures om te wisselen met verdachte en zijn mededader(s) voor een bedrag in coupures van 500,- euro,waardoor voornoemde [slachtoffer 6] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
- tegen voornoemde [slachtoffer 7] gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededader(s), het te koop staande bedrijf van voornoemde [slachtoffer 7] zouden willen kopen en- meermalen met voornoemde [slachtoffer 7] afgesproken om te onderhandelen over de aankoop van het bedrijf en- met voornoemde [slachtoffer 7] een afspraak gemaakt dat [slachtoffer 7] een geldbedrag zou meebrengen in kleine coupures om te wisselen met verdachte en zijn mededader(s) voor een bedrag in coupures van 500,- euro, waardoor voornoemde [slachtoffer 7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.
De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

1in de periode van 28 februari 2015 tot en met 31 maart 2015 te Amsterdam en Apeldoorn en Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van 35.000,- euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid met een of meer van zijn mededaders,
2.in de periode van 11 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Amersfoort en te Utrecht en te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en [ naam zus slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 70.000,- euro hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid, met een of meer van zijn mededaders,
3.subsidiairin de periode van 1 januari 2015 tot en met 3 april 2015 te Amsterdam en te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 16.500,- euro, hebbende verdachte en zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid, met een of meer van zijn mededader(s),
Zaak B:

1.subsidiairop 1 februari 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 25.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 4] ;
3.in de periode van 22 september 2014 tot en met 1 oktober 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van 40.000,- euro, hebbende verdachte en zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid, met een of meer van zijn mededader(s),
4.in de periode van 9 november 2014 tot en met 22 november 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van 15.000,- euro, hebbende verdachte en zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid, met een of meer van zijn mededader(s),
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 2.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 (dertig) dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie niet-ontvankelijkverklaring gevorderd van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot het bedrag van 15.400 euro, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft ten slotte de volgende vorderingen gedaan met betrekking tot de op de beslaglijst vermelde goederen:

-

verbeurdverklaring van de nummers 4, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18, 20 en 21;

onttrekking aan het verkeer van nummer 2

teruggave aan verdachte van nummers 3, 5, 9, 17, 22, 23

teruggave aan [slachtoffer 2] van nummer 13

teruggave aan (de rechtbank begrijpt) het [naam hotel] van nummer 16

7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft daarnaast verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af te wijzen en de vorderingen van de overige benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de beslissingen over de in beslag genomen goederen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Oordeel van de rechtbank


De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders, in georganiseerd verband en op geraffineerde wijze, schuldig gemaakt aan een aanzienlijk aantal oplichtingen en pogingen daartoe. Bij één geval van de bewezen geachte feiten wordt hem een diefstal in vereniging aangerekend. Verdachte en zijn mededaders zochten slachtoffers die graag hun onroerende goederen of andere zaken wilden verkopen, die soms al langere tijd te koop stonden. Door het gebruik van valse namen en chique kleding hebben verdachte en zijn mededaders zich voor gedaan als (Joodse) zakenlieden door bij de slachtoffers de indruk te wekken dat zij over veel geld beschikten. Op die manier en door het maken van meerdere afspraken hebben verdachte en zijn mededaders het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Ook schakelden zij om het vertrouwen te vergroten soms derden in die de te koop staande objecten bezichtigden. Vervolgens maakten zij misbruik van het gewonnen vertrouwen door het geld op listige wijze van de slachtoffers afhandig te maken. Verdachte en zijn mededaders hebben zich bij hun handelen enkel laten leiden door hun eigen geldbelustheid. Zij hebben hun slachtoffers niet alleen aanzienlijke financiële schade toegebracht, maar hen ook allemaal een onveilig gevoel gegeven. Dat rekent de rechtbank verdachte naast de berokkende financiële schade ook aan. Verdachte heeft voor het feit waarvoor hij werd aangehouden de schuld bij het slachtoffer geprobeerd te leggen en heeft over de overige zaken geen verklaring willen geven, laat staan enige verantwoordelijkheid genomen. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een strafblad van 2 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder in Nederland alsook in België voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem met betrekking tot een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen dan wel binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert. Een uitzondering op deze regel is wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen op 5 juni 2015 en verdachte heeft tot 28 oktober 2015 in voorlopige hechtenis verbleven. Op 26 juli 2018 was de zaak gereed voor behandeling en de redelijke termijn was op dat moment al in aanzienlijke mate, te weten met een jaar en twee maanden overschreden. Ter zitting van die datum heeft de verdediging zich aangesloten bij een aantal onderzoekswensen van de raadsman van medeverdachte. Deze verzoeken had de verdediging eerder ook zelf kunnen doen, waardoor geconcludeerd zou kunnen worden dat verdere overschrijding van de redelijke termijn voor rekening dient te komen van de verdediging. Anderzijds had de officier van justitie een belang om de zaken gezamenlijk te blijven behandelen. De rechtbank is een en ander afwegende van oordeel dat ook een deel van de nadien ontstane termijnoverschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) inzake oplichting en straatroof, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf in de orde van grootte zoals gevorderd door de officier van justitie staat in de weg aan een mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling.
Verbeurdverklaring

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: nr. 4, 1.00 STK Papier (4993243)nr. 6, 1.00 STK Zaktelefoon Kl:wit SAMSUNG (4990777)nr. 7, 1.00 STK Zaktelefoon Kl:zwart SAMSUNG Gt-E1200i (4990778)nr. 8, 1.00 STK Jas Kl:grijs GUABELLO (4991225)nr. 10, 1.00 STK Map, schrijfmap (4996720)nr. 11, 1.00 STK Map Kl:bruin BREPOLS (4991229)nr. 12, 1.00 STK Verpakkingsmateriaal (4991260)nr. 14, 1.00 STK Overhemd Kl:wit (4991249)nr. 15, 1.00 STK Tas Kl: zwart, heuptas HUMAN NATURE (4996460)nr. 16, 1.00 STK Pet Kl:wit, keppel (4990788)nr. 18, 2.00 STK Manchetknoop l:goudkl (4991241)nr. 20, 1.00 STK Tas Kl:zwart, SAMSONITE 1910 computertas (4991217)
De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: nr. 2, 2.00 STK Papier, 2 bankbiljet (4996533)
Nu dit voorwerp is bestemd tot het begaan van het in zaak B onder 1 bewezen geachte en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen, omdat het gevorderde bedrag van € 70.000 inmiddels door de politie aan hem is teruggegeven en de laptoptas, waarvoor hij een bedrag aan schadevergoeding heeft gevorderd, bij dit vonnis aan hem zal worden teruggegeven.

Vordering van de benadeelde partij [ naam zus slachtoffer 2]

De vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen, omdat het gevorderde bedrag van € 70.000 inmiddels door de politie aan haar en haar broer [slachtoffer 2] is teruggegeven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde feit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte ter zake van het feit waarop deze vordering ziet niet wordt veroordeeld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 53.112,50 vergoeding van materiële schade.

Een deel van de behandeling van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank stelt deze schade vast op € 40.000,00.

In het belang van [slachtoffer 6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

In het overige deel van vordering is de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk. Nu de benadeelde partij dat gedeelte van de vordering niet heeft toegelicht levert de behandeling van dat gedeelte een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert € 15.400,00 vergoeding van materiële schade.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

beslissing

9



Verklaart het in zaak A, onder 3 primair en het in zaak B, onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2 primair en 3 subsidiair, en het in zaak B onder 1 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A onder 1 en 3 subsidiair:
medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

in zaak A onder 2 primair en zaak B onder 3 en 4:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

zaak B onder 1 subsidiair
diefstal door twee of meer vereni