Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:8162

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 31-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 01-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:8162, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/650661-16


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650661-16

Datum uitspraak: 1 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:8162:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650661-16

Datum uitspraak: 1 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juni 2018, 6 maart 2019 en 18 oktober 2019. Verdachte was hierbij op 27 juni 2018 aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kloos, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2

1.

2.

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 10 oktober 2016 heeft schuldig gemaakt aan

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3

3.1
Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie moet volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat er een ernstige en onherstelbare schending van de beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgevonden en sprake is geweest van een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen door de officier van justitie. Zij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Het stiekem (heimelijk) afnemen van DNA

Allereerst is sprake van een aantasting van de persoonlijke integriteit door stiekeme DNA afname waardoor artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden is. Het heimelijk afnemen van DNA is op grond van artikel 151b, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) alleen toegestaan wanneer zwaarwegende redenen aanwezig zijn. In deze zaak zijn geen zwaarwegende redenen bekend. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie DNA-onderzoek wil doen zonder de toestemming van verdachte, volstaat daartoe niet. Bovendien is hiervan geen proces-verbaal opgemaakt, terwijl dit wel had gemoeten op grond van artikel 152 Sv.
Het te laat verstrekken van (ontlastend) bewijsmateriaal

Daarnaast is door de officier van justitie geweigerd om camerabeelden te verstrekken en is daarmee lange tijd ontlastend materiaal achtergehouden. Daardoor is, in het licht van artikel 6 EVRM gehandeld in strijd met een eerlijke procesvoering. Ook is tijdens de zitting van 27 juni 2018 gebleken dat meer dan de helft van het procesdossier niet werd verstrekt aan de rechtbank. Een eerlijke procesvoering brengt mee dat de afweging of bepaalde stukken in het dossier moeten worden gevoegd, niet uitsluitend bij de officier van justitie kan worden gelegd. Het dossier moet compleet zijn met alle stukken en alle verrichte onderzoekshandelingen, ook handelingen zoals door de verdediging verzocht. Dit is gedurende de belangrijke eerste fase van het proces niet gebeurd, terwijl de ontlastende informatie van belang is geweest voor de beoordeling van belangrijke beslissingen zoals de voortzetting van de voorlopige hechtenis.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten worden verworpen. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat er wel degelijk zwaarwegende belangen waren om het DNA van verdachte heimelijk af te nemen. Het DNA is afgenomen op een moment dat het onderzoek nog volop gaande was en er een hele groep verdachten in beeld was. Er was DNA van een onbekende man op het vuurwapen gevonden, waarvan moest worden vastgesteld of verdachte daarvan de donor kon zijn. Dit moest gebeuren zonder dat bekend zou worden dat verdachte bij de politie in beeld was als verdachte, omdat dit het onderzoek naar de hele groep verdachten zou kunnen verstoren. Daarin lag de zwaarwegende reden om het DNA heimelijk af te nemen.

Met betrekking tot de late verstrekking van een deel van het dossier aan de rechtbank geldt volgens de officier van justitie dat dit niet de schoonheidsprijs verdient. Dit is echter niet gedaan met het opzet om stukken voor de rechtbank achter te houden, wat al blijkt uit de omstandigheid dat de verdediging wel direct over alle stukken heeft beschikt.

3.2
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de door de raadsvrouw aangevoerde verweren en overweegt daartoe als volgt.

Het stiekem (heimelijk) afnemen van DNA

Bij verdachte is, zonder dat hij het wist, DNA-materiaal afgenomen door celmateriaal, dat werd aangetroffen op een blikje frisdrank waaruit hij tijdens een vooropgezet verhoor op 22 november 2016 heeft gedronken, te bemonsteren. Het DNA-profiel dat is verkregen uit het aangetroffen celmateriaal is vervolgens vergeleken met het DNA-mengprofiel dat is opgemaakt uit celmateriaal dat werd aangetroffen op het in de buurt van de plaats delict aangetroffen machinegeweer. Dit onderzoek heeft een DNA-match met verdachte opgeleverd.
Uit artikel 151b Sv volgt dat DNA-onderzoek kan worden verricht aan de hand van afgenomen celmateriaal van een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Op grond van het vierde lid van artikel 151b Sv kan in geval van zwaarwegende redenen ook zonder de verdachte daarvan op de hoogte te stellen, DNA-onderzoek plaatsvinden aan celmateriaal, op voorwerpen die van de verdachte in beslag zijn genomen, of aan celmateriaal dat op andere wijze is verkregen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat sprake kan zijn van wanneer het onderzoeksbelang tijdelijke geheimhouding van het DNA-onderzoek vergt. Op basis van feiten en omstandigheden moet dan duidelijk zijn dat de dader van een ernstig misdrijf binnen een bepaalde groep moet worden gezocht. Daarnaast moet het belangrijk zijn te voorkomen dat leden van die groep elkaar informeren of op een andere manier beïnvloeden (blijkt ook uit Kamerstukken II 1999/2000, 26271, 6, p. 6, en 9, p. 9).

In deze zaak is het blikje frisdrank, zonder medeweten van de verdachte, na zijn verhoor in beslag genomen. Aan dat blikje is vervolgens DNA-onderzoek verricht waarna de sporen zijn veiliggesteld. Wat er ook zij van de wijze waarop verdachtes celmateriaal is verkregen, is de rechtbank – anders dan de raadsvrouw betoogt – van oordeel dat sprake is geweest van zwaarwegende redenen in de zin van artikel 151b Sv. Daarbij is van belang dat uit het vooronderzoek werd afgeleid dat de persoon die het slachtoffer [slachtoffer] op 10 oktober 2016 doodschoot, deel uitmaakte van een groep personen. Aan de hand van camerabeelden en een herkenning door een verbalisant van één van deze personen, werd op facebook gezocht naar contacten en rees het sterke vermoeden dat verdachte ook tot deze groep behoorde. Dus waren er ernstige bezwaren dat verdachte betrokken was bij een zeer ernstig misdrijf. Om te voorkomen dat verdachte en de overige personen van de groep elkaar in een vroegtijdig stadium van het onderzoek zouden ‘informeren of anderszins zouden beïnvloeden,’ kon, naar het oordeel van de rechtbank, zonder de verdachte daarvan op de hoogte te stellen, celmateriaal van hem worden afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek.

Met betrekking tot het betoog over het ontbrekende proces-verbaal van bevindingen is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de raadsvrouw stelt, wel is voldaan aan de verbaliseringsplicht uit artikel 152 Sv. In het proces-verbaal van sporenonderzoek van 28 november 2016 is door verbalisant [naam verbalisant] (pagina A019 – A020) namelijk geverbaliseerd hoe er is gehandeld bij de vooropgezette verhoorsituatie en met betrekking tot het blikje frisdrank waar vervolgens het celmateriaal van verdachte is afgenomen. In dit proces-verbaal heeft verbalisant [naam verbalisant] verder aangegeven dat met toestemming van de officier van justitie werd gehandeld. Met dit proces-verbaal zijn de werkzaamheden van de opsporingsambtenaar in het licht van art. 152 Sv geverbaliseerd. Dat de niet expliciet in dat proces-verbaal zijn benoemd, maakt niet dat sprake is van een schending van artikel 152 Sv. Daarmee stelt de raadsvrouw een eis die het Wetboek van Strafvordering niet kent.

Het te laat verstrekken van (ontlastend) bewijsmateriaal

Met de raadsvrouw, en de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier veel eerder compleet had moeten zijn. Het onwenselijke gevolg van het incomplete dossier is geweest dat het onnodig lang heeft geduurd voordat de zaak (volledig) kon worden behandeld. Nadat op de zitting van 27 juni 2018 was gebleken dat een groot deel van het procesdossier niet bij de stukken was gevoegd, is dit verzuim echter meteen hersteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de late aanvulling tot het compleet maken van het procesdossier, net als de door de raadsvrouw beschreven late verstrekking van de camerabeelden, geen onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv opleveren.
Verder is de dagvaarding geldig, de rechtbank bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

Beide feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van het bezit van de munitie. Verdachte heeft het machinegeweer voorhanden gehad vanaf het moment dat het wapen hem door [naam medeverdachte] werd gegeven. Op dat moment was het magazijn al leeggeschoten en bevatte dat geen munitie meer. Verdachte is vervolgens met dat wapen gaan rennen en heeft dit, tijdens zijn vluchtroute, over het hek van de bouwplaats gegooid. Hierdoor kan het verdachte worden verweten dat hij het machinegeweer in zijn bezit heeft gehad en daar beschikkingsmacht over heeft gehad. Verdachte is zich er ook bewust van geweest dat door [naam medeverdachte] met het wapen is geschoten voordat het wapen door [naam medeverdachte] aan hem werd gegeven. Vervolgens heeft hij, door het wapen over het hek te gooien, het wapen weggemaakt en aan het oog onttrokken waardoor het opsporingsonderzoek werd gehinderd.

4.2
Standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van het wapenbezit, omdat niet is voldaan aan de criteria voor het voorhanden hebben. Verdachte merkte pas dat [naam medeverdachte] een wapen had op het moment dat [naam medeverdachte] daarmee schoot. Verdachte is door het schieten erg geschrokken en is, toen hij het leeggeschoten wapen in zijn handen kreeg, gaan rennen en heeft het wapen, voordat hij het nabijgelegen NS-perron oprende, vervolgens weggegooid. Hij had dus geen weet van de aanwezigheid van een wapen voordat er schoten werden gelost. Ook heeft hij geen handeling verricht om het wapen in handen te krijgen. Het wapen werd, zonder dat hij het wilde, door [naam medeverdachte] in zijn handen geduwd. Verdachte was in shock op dat moment door de heftige gebeurtenis die vlak daarvoor had plaatsgevonden. Hij heeft het wapen vast gehad, maar heeft geen mogelijkheid gehad om het wapen terug te geven omdat [naam medeverdachte] al weg was gefietst. In paniek heeft hij gedaan wat hij op dat moment kon doen, het wapen weggooien over een hek. Hierdoor is geen sprake van voorhanden hebben zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM). Verder moet verdachte worden vrijgesproken van het wegmaken van het wapen met als doel het misdrijf te verbergen of de opsporing tegen te gaan. Hij is zich, gelet op het korte tijdsbestek en de shocktoestand waarin hij zich bevond, niet bewust geweest van het feit dat hij gedragingen heeft verricht die betrekking kunnen hebben op het voorhanden hebben van een wapen. De situatie is verdachte overkomen, waardoor hij niet heeft gehandeld met het oogmerk of het doel om iets te verbergen.

4.3
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat op 10 oktober 2016 een zeer ernstig misdrijf heeft plaatsgevonden. Op 10 oktober 2016 is [slachtoffer] , in het bijzijn van zijn zwangere vriendin, rond 23:30 uur doodgeschoten op de Meibergdreef vlakbij het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Uit het procesdossier is gebleken dat er eerder die avond een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn vriendengroep enerzijds en [slachtoffer] anderzijds bij een snackbar in Amsterdam Zuidoost. Verdachte is toen door [slachtoffer] in zijn wang gestoken met een scherp voorwerp. Daarna is de groep jongens richting het AMC gegaan, zodat verdachte zich aan zijn wond kon laten helpen. Onderweg voegden zich ook andere jongens, waaronder medeverdachte [naam medeverdachte] , bij de groep. De groep is met de metro vanaf station Reigersbos naar station Holendrecht gereisd. Uit de camerabeelden is gebleken dat zij om 23:25:23 uur uitstapten aan de noordkant van het metrostation. Vervolgens is de groep richting het AMC gaan lopen. Ter hoogte van het zebrapad naar het busplatform op de Meibergdreef, komt de groep [slachtoffer] en zijn vriendin onverwachts weer tegen, waarna er een nieuwe confrontatie plaatsvindt. De situatie is erg gespannen en op het moment dat [slachtoffer] een stap in de richting van de groep zet, wordt hij door [naam medeverdachte] met een machinegeweer neergeschoten. Kort daarna komt [slachtoffer] te overlijden. [naam medeverdachte] is veroordeeld voor doodslag.

De rechtbank benadrukt dat deze rechtbank niet is gebonden aan de eerdere uitspraak in de zaak van medeverdachte [naam medeverdachte] . De rechtbank heeft zelfstandig het procesdossier kunnen bestuderen en de argumenten van zowel de verdediging als de officier van justitie mee kunnen wegen. De rechtbank zal dan ook tot een zelfstandige beslissing in de zaak van verdachte komen.

[naam medeverdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank een grote rol gespeeld in deze zaak. [naam medeverdachte] heeft, nadat hij met het machinegeweer [slachtoffer] had doodgeschoten, het wapen aan verdachte gegeven waarna hij is weggefietst. Uit de camerabeelden is gebleken dat [naam medeverdachte] om 23:29:19 uur door de tunnel van de zuidkant van metrostation Holendrecht is weggefietst. Verdachte is een paar seconden daarna, om 23:29:27 uur door het NS-poortje bij de zuidkant van het metrostation, in de richting van het spoor gerend.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 27 juni 2018 bekend dat hij het wapen in zijn handen heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hij het wapen ineens in zijn handen gedrukt kreeg en het toen snel heeft weggegooid. Hij was bang en het leek hem niet verstandig om het wapen bij zich te hebben, dus is hij gaan rennen en heeft hij het weggegooid.

Uit het procesdossier is gebleken dat het machinegeweer de volgende ochtend op de bouwplaats, dat werd afgeschermd door het hek, is aangetroffen.

De rechtbank moet nu beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van het) voorhanden hebben van het wapen en of hij zich, door het wapen weg te gooien, heeft schuldig gemaakt aan het verbergen van het met dat wapen gepleegde misdrijf, te weten het doodschieten van [slachtoffer] door [naam medeverdachte] . De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vrijspraak van het wegmaken van het wapen met als doel het verbergen van het daarmee gepleegde misdrijf

Het feit zoals ten laste gelegd onder 2 is strafbaar gesteld in onderdeel 2 van het eerste lid van artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor een bewezenverklaring is vereist dat verdachte moet hebben gehandeld met . Verdachte moet dus de bedoeling hebben gehad om de opsporing van justitie of politie te (ver)hinderen. De rechtbank moet dan ook beoordelen of verdachte de wil heeft gehad om sporen van het misdrijf te laten verdwijnen en daardoor het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] en de opsporing van [naam medeverdachte] te verhinderen.
De rechtbank kan uit het procesdossier afleiden dat sprake is geweest van paniek. Uit de verklaring van [naam medeverdachte] blijkt dat verdachte tegen hem heeft gezegd: “Snel, politie komt.” Volgens [naam medeverdachte] was verdachte geschrokken. Vervolgens heeft [naam medeverdachte] het wapen aan verdachte gegeven of in zijn handen gedrukt en is hij zelf weggefietst. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich ervan bewust is geweest dat er politie zou komen. Uit het feit dat verdachte vervolgens het wapen over het hek heeft weggegooid, kan de rechtbank echter niet afleiden of verdachte het wapen bewust heeft weggegooid of dat hij heeft gehandeld vanuit de door die panieksituatie veroorzaakte angst. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of verdachte, door het wapen weg te gooien, het oogmerk heeft gehad om de opsporing ten aanzien van het eerdere schietincident moeilijk te maken, of dat hij simpelweg niet met het vuurwapen wilde worden aangetroffen. De rechtbank vindt steun voor die laatste lezing in de snelheid waarmee door verdachte is gehandeld. Hij heeft het machinegeweer hooguit enkele (tientallen) seconden vastgehad voordat hij het wapen over het hek heeft weggegooid. Die snelheid zegt iets over de paniektoestand waarin verdachte op dat moment verkeerde en lijkt erop te wijzen dat hij niet tot nauwelijks heeft nagedacht over zijn handelen. Het machinegeweer is bovendien over het hek van de bouwplaats bij het metrostation gegooid, waarna het de volgende dag bij het bouwmateriaal is aangetroffen. De rechtbank sluit daarom niet uit dat verdachte het wapen alleen heeft weggegooid uit angst dat hij zelf met dat wapen zou worden aangetroffen door de politie, die er immers op dat moment aankwam. Verdachte wordt daarom van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijgesproken.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van het machinegeweer

Verdachte heeft bekend dat hij het wapen van [naam medeverdachte] heeft gekregen, nadat [naam medeverdachte] met dat wapen [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Vervolgens heeft hij het wapen over het hek gegooid. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich van de aanwezigheid van het wapen bewust is geweest voordat er door [naam medeverdachte] mee werd geschoten. Dit wordt anders vanaf het moment van schieten. Vanaf dit moment kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden vastgesteld dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. Verdachte heeft het wapen vervolgens van [naam medeverdachte] in handen (gedrukt) gekregen en heeft daarmee ook de beschikkingsmacht gehad. Het korte tijdsbestek van het in handen hebben maakt dat niet anders. Verdachte heeft het machinegeweer niet teruggegeven aan [naam medeverdachte] of onmiddellijk uit zijn handen laten vallen, maar heeft daarover een daad van beschikking verricht door ermee weg te rennen en het vervolgens over het hek te gooien. Van het ten laste gelegde medeplegen is echter geen sprake, omdat de rechtbank niet uit het procesdossier kan afleiden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam medeverdachte] en verdachte. [naam medeverdachte] heeft het wapen in de handen van verdachte gedrukt en is vervolgens weggefietst, zodat het dossier geen blijk geeft van onderlinge afspraken daarover. Met de officier van justitie en met de raadsvrouw is de rechtbank verder van oordeel dat het automatisch vuurwapen op het moment dat de verdachte dat in handen kreeg, geen munitie meer bevatte, zodat de verdachte van het voorhanden hebben daarvan zal worden vrijgesproken.
5

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1:

op 10 oktober 2016 te Amsterdam, een wapen van categorie II, te weten een machinegeweer, type Cz Vz 61 Skorpion, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

8

8.1
Eis van de officier van justitie

Verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8.2
Standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsvrouw moet het adolescentenstrafrecht (ASR) worden toegepast, omdat verdachte ten tijde van het misdrijf nog bij zijn ouders woonde, hij nog pedagogisch beïnvloedbaar is en geen strafblad heeft.

8.3
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een machinegeweer. Het enkele voorhanden hebben van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

De rechtbank houdt rekening met wat in vergelijkbare zaken aan straffen wordt opgelegd en kijkt hierbij ook naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die bij het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen uitgaan van forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

De rechtbank houdt ook rekening met de bijzondere omstandigheden in deze zaak. Verdachte heeft het machinegeweer in handen (gedrukt) gekregen en hooguit enkele (tientallen) seconden daarna over een hek gegooid. Dit maakt dat verdachte het machinegeweer slechts een zeer kort tijdsbestek voorhanden heeft gehad.

De raadsvrouw heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij het adolescentenstrafrecht. In het procesdossier bevindt zich een reclasseringsadvies van 12 mei 2017 waarin wordt geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. Verdachte heeft verder geweigerd om mee te werken aan rapportages van zowel de reclassering als Pro Justitia waarin de toepassing van het jeugdstrafrecht had kunnen worden onderzocht.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op ontbrekende adviezen tot toepassing van het adolescentenstrafrecht terwijl verdachte zelf heeft geweigerd om mee te werken aan onderzoek dat zich daarop richt, geen redenen bestaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht. De noodzaak tot toepassing daarvoor komt immers uit geen enkel deskundigenadvies naar voren. De omstandigheden dat verdachte nog thuis woonde en dat zijn ouders een belangrijke rol spelen in de aanwezige pedagogische beïnvloeding zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal verdachte daarom volgens het volwassenstrafrecht berechten.

Uit het strafblad van verdachte van 4 juni 2018 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit strafblad vormt dan ook geen reden om aan verdachte een hogere of lagere straf op te leggen.

Verder neemt de rechtbank mee dat als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering werd gesteld. Dat was op 9 januari 2017. Dit betekent dat, als zich geen bijzonderheden voor hebben gedaan, de zaak op 9 januari 2019 afgerond had moeten zijn. Op 27 juni 2018 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting aangehouden, omdat de rechtbank op dat moment niet over het gehele procesdossier beschikte. Op 6 maart 2019 is de behandeling ter terechtzitting opnieuw aangehouden, omdat geen van de rechters op die zitting deel had uitgemaakt van de eerdere zittingscombinatie terwijl dit wel de bedoeling was. Dit maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die buiten de schuld van verdachte liggen. Er is daardoor sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. Nu het in deze zaak om een zeer atypisch en specifiek geval gaat, ziet de rechtbank aanleiding om deze overschrijding zo te laten meewegen in de hoogte van de straf, dat aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de tijd die hij al in voorarrest heeft uitgezeten.

Gelet op het voorgaande en omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf passend van honderdtwintig dagen met aftrek van voorarrest, waarvan zesenvijftig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

9

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

1 1.00 STK Beker Kl:Wit Koffie 5277418
Bewaren voor de rechthebbende

De in beslag genomen beker behoort niet aan verdachte toe en zal worden bewaard voor de rechthebbende.
10

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

beslissing

11


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast wanneer veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de van: 1 1.00 STK Beker Kl:Wit Koffie 5277418
Dit vonnis is gewezen door

O.P.M. Fruytier, voorzitter,mrs. M.C.M. Hamer en R. Godthelp, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2019.