Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:765

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Internationaal publiekrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:765, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751938-18


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751938-18RK nummer: 18/7645
Datum uitspraak: 7 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2017 door de (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,thans gedetineerd in [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:765:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751938-18RK nummer: 18/7645
Datum uitspraak: 7 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2017 door de (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,thans gedetineerd in [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1


Zitting 18 december 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. I.M. D’Hont, advocaat te Breda, en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 18 januari 2019, 09:00 uur, met het oog op de detentieomstandigheden in Portugal. De rechtbank heeft de officier van justitie in de gelegenheid gesteld de brief van de Portugese justitiële autoriteit met algemene garanties in het kader van de detentieomstandigheden, die eerder in andere zaken was overgelegd, aan het dossier toe te voegen.

Zitting 18 januari 2019

De rechtbank heeft het onderzoek op de openbare zitting van 18 januari 2019 met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 18 december 2018 . Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn nieuwe raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 31 januari 2019, 09:00 uur, om nader onderzoek te doen naar door de raadsman overgelegde documenten in de Portugese taal met het oog op de toetsing aan artikel 12 van de OLW. De rechtbank heeft de officier van justitie in de gelegenheid gesteld de door de raadsman overgelegde documenten voor te leggen aan de Portugese autoriteiten met enkele vragen. Deze vragen zagen op toetsing aan de ‘Ardic-jurisprudentie’ (C‑571/17 PPU).

De rechtbank heeft voorts het verzoek van de raadsman tot het (doen) stellen van nadere vragen betreffende de Portugese detentieomstandigheden afgewezen, omdat het door de raadsman overgelegde nieuwsbericht (over staking in Portugese gevangenissen) daartoe onvoldoende was.

Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie heeft de rechtbank afgewezen vanwege te groot vluchtgevaar.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 31 januari 2019

De rechtbank heeft het onderzoek op de openbare zitting van 31 januari 2019 met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 18 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink.De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Portugese taal.
2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 4 jaar.

Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

-

een vonnis van 26 november 2014, onherroepelijk geworden op 8 januari 2015, waarbij een voorwaardelijke vrijheidsstraf van vier jaar is opgelegd;

een beslissing van 16 januari 2017 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf van vier jaar, onherroepelijk geworden op 14 februari 2017.

4

De rechtbank stelt allereerst op grond van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB verstrekte informatie vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet van toepassing is ten aanzien van het vonnis van 26 november 2014. Gelet op de door de raadsman en officier van justitie ingenomen standpunten staat dit ook niet ter discussie.

De raadsman heeft wel ter zitting van 18 januari 2019 om nader onderzoek verzocht naar de beslissing tot tenuitvoerlegging van 16 januari 2017 en daartoe documenten in de Portugese taal overgelegd. In aanloop naar de zitting van 31 januari 2019 heeft de raadsman een vertaling overgelegd van deze documenten. Verder heeft de officier van justitie een e-mail van de Portugese autoriteiten overgelegd, waarin wordt gereageerd op de door de raadsman overgelegde documenten.

De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, op basis van de ter zitting van 31 januari 2019 gebleken informatie, vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW evenmin van toepassing is op de beslissing tot tenuitvoerlegging van 16 januari 2017.
5

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:

Oplichting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6

De rechtbank heeft op basis van het rapport van de (CPT) over Portugal van 27 januari 2018 en de reactie van de Portugese autoriteiten op de bevindingen van het CPT van 27 februari 2018 een algemeen gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in de detentie-instellingen in Lissabon, Caxias en Setúbal aangenomen (zie de tussenuitspraak van de rechtbank van 26 juli 2018 in een andere overleveringszaak, ECLI:NL:RBAMS:2018:5426).

De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde tussenuitspraak verder geoordeeld dat met de bij verklaring van 18 oktober 2017 door de Portugese justitiële autoriteiten verstrekte waarborgen met betrekking tot de detentie-instelling in Lissabon het algemeen bestaande reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling aldaar voor de opgeëiste persoon was weggenomen. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring in de onderhavige zaak aan de stukken is toegevoegd en dat deze waarborgen ook voor de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gelden.

Ten aanzien van Caxias en Setúbal heeft de rechtbank in dezelfde tussenuitspraak de Portugese justitiële autoriteiten aanvullende vragen gesteld. Hierop heeft de bij brief van 14 augustus 2018 in antwoord op deze aanvullende vragen onder meer medegedeeld:
(…)

In any case, it must be said that, with regard to the likelihood of extradited persons entering our Prison Facilities in Caixas and Setúbal in future, the question is moot, for various reasons: relative to PF Setúbal, because we do not transfer extradited persons from the Lisbon area to this facility, and relative to CF Caxias, the housing space is being renovated so we do not transfer extradited persons to this facility either.

De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat met voornoemde toezeggingen het in het algemeen bestaande reële gevaar dat gedetineerden in de detentie-instellingen in Caixas en Setúbal onmenselijk of vernederend zullen worden behandeld, voor de opgeëiste persoon was weggenomen. De rechtbank stelt vast dat ook deze brief in de onderhavige zaak aan de stukken is toegevoegd en dat deze toezeggingen ook voor de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gelden.
Gezien het voorgaande vormen de detentieomstandigheden in Portugal, in het licht van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geen beletsel voor het toestaan van de overlevering van de opgeëiste persoon.

beslissing

7

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

beslissing

9



STAAT TOE[opgeëiste persoon]Judicial Court of the District of Braga
Aldus gedaan doormr. E.M.M. Gabel, voorzitter,mrs. V.V. Essenburg en B. Poelert, rechters,in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 7 februari 2019.
Mr. B. Poelert is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.