Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:7430

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 11-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:7430, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/241327-18 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/241327-18 (Promis)

Datum uitspraak: 11 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,verblijvende op het adres [verblijfadres] , [verblijfplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:7430:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/241327-18 (Promis)

Datum uitspraak: 11 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,verblijvende op het adres [verblijfadres] , [verblijfplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.L.E. Stroink en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B. Hartman naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 12 augustus 2018 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] door hem met een mes of puntig voorwerp in de rug te steken. Subsidiair is dit als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling ten laste gelegd (feit 1).Daarnaast is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met een ander op diezelfde dag en plaats heeft schuldig gemaakt aan mishandeling door [slachtoffer 1] in de rug, en/of het gezicht te schoppen (feit 2). Aan verdachte is verder ten laste gelegd dat hij samen met een ander op die dag en plaats [slachtoffer 2] heeft mishandeld door tegen haar hoofd te slaan (feit 3).
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een vrijspraak voor de poging doodslag (feit 1 primair ten laste gelegde) omdat – nu niet is gebleken met welk voorwerp aangever is gestoken – niet kan worden vastgesteld dat de kans dat aangever daardoor zou komen te overlijden, aanmerkelijk is. Ook kan het letsel dat bij aangever is ontstaan niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Wel is de officier van justitie van mening dat verdachte – door met een scherp voorwerp in de rug van aangever te steken – de kans heeft aanvaard dat hij daarmee zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken. De officier van justitie heeft daarom bewezen geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] (feit 1 onder meer subsidiair ten laste gelegde). Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , de foto’s van het letsel en de letselverklaring. Verder kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte samen met een ander aangever [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen de rug en het hoofd van aangever te trappen (feit 2). Ter onderbouwing heeft zij daarbij verwezen naar de aangifte, de verklaring van verdachte – inhoudende dat hij heeft gevochten – en de verklaring van getuige [naam getuige 1] dat er twee mannen waren. Ook heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte aangeefster [slachtoffer 2] heeft mishandeld (feit 3), nu de aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] .
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijke pleitnota – ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] is gestoken. Ten tweede heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is die [slachtoffer 1] zou hebben gestoken. Indien de rechtbank van oordeel is dat wel kan worden vastgesteld dat verdachte de aangever heeft gestoken, moet verdachte volgens de raadsman worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had om [slachtoffer 1] te doden of aan hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Nu niet kan worden vastgesteld met welk voorwerp aangever is gestoken, kan immers niet worden vastgesteld of de kans dat de dood (feit 1 primair) of zwaar lichamelijk letsel (feit 1 meer subsidiair) zou intreden, aanmerkelijk was en dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Omdat het geconstateerde letsel geen zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr of vaste jurisprudentie betreft, heeft de raadsman zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel (feit 1 subsidiair). Ten aanzien van het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 2) heeft de raadsman een gedeeltelijke vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat medeplegen onvoldoende kan worden bewezen, omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte had zich immers al aan de situatie onttrokken op het moment dat [slachtoffer 1] door een andere persoon werd getrapt. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Voor het medeplegen van mishandeling van aangeefster [slachtoffer 2] is eveneens vrijspraak bepleit. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn volgens de raadsman onvoldoende objectief. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat aangeefster [slachtoffer 2] haar verklaring in een voor [slachtoffer 1] gunstig daglicht heeft geschetst door niet over het dreigende gedrag van [slachtoffer 1] in aanloop naar het incident te verklaren. De raadsman heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 2] niet worden ondersteund door overige bewijsmiddelen, nu een letselverklaring ontbreekt en deze gedraging door de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] niet is waargenomen.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.Oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat nadat NN1 [slachtoffer 2] een klap heeft gegeven, NN1 [slachtoffer 1] in zijn rug heeft getrapt. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] gevoeld dat hij een tweede trap in zijn rug heeft gekregen, vermoedelijk door de tweede persoon die samen met NN1 op hem af was gekomen. [slachtoffer 1] zag dat de tweede persoon hem meerdere keren in het gezicht heeft getrapt. Daarna heeft [slachtoffer 1] gezien dat NN1 en de tweede persoon wegrenden. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij door NN1 in haar gezicht is geslagen. Zij heeft verder gezien dat NN1 met zijn hand een voorwaartse beweging heeft gemaakt richting de rug of zij van [slachtoffer 1] . Op het moment dat zij NN1 heeft zien wegrennen, heeft zij gezien dat een tweede persoon [slachtoffer 1] tegen het lichaam trapte. Ook probeerde die tweede persoon [slachtoffer 1] in het gezicht te trappen, waarna die andere persoon is weggerend. Door [slachtoffer 2] is verder een steekwond in de rug van [slachtoffer 1] waargenomen.
De rechtbank waardeert de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als betrouwbaar. De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangevers elkaar ondersteunen. Weliswaar verschillen de verklaringen op punten, maar de inhoud ervan is niet tegenstrijdig en uit de verschillen leidt de rechtbank af dat zij niet op elkaar zijn afgestemd. Bovendien worden de verklaringen in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de foto’s van het letsel waarop een steekwond waarneembaar is en de verklaring van het AMC dat sprake is van een steekwond. Dat [slachtoffer 2] niet heeft verklaard over het gedrag van [slachtoffer 1] in aanloop naar het incident, maakt dat oordeel niet anders. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

3.3.2.
Vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] door verdachte in zijn rug is gestoken. Op grond van de bij de aangifte gevoegde foto’s en de verklaring van het AMC kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] een steekwond in zijn rug had. De rechtbank is gelet op de verklaring van verdachte ter zitting van oordeel dat in voldoende mate kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is die in de aangiftes NN1 wordt genoemd. Bovendien is dat niet door verdachte betwist. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] – inhoudende dat zij heeft gezien dat NN1 met zijn hand een voorwaartse beweging richting de rug van aangever [slachtoffer 1] heeft gemaakt – leidt de rechtbank verder af dat deze steekwond door verdachte is toegebracht. Onder omstandigheden kan het steken in de rug zwaar lichamelijk letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, maar dat is niet zonder meer het geval. De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat in onderhavige zaak niet kan worden vastgesteld of de kans op de dood aanmerkelijk was, omdat op basis van de inhoud van het strafdossier onvoldoende is komen vast te staan met welk voorwerp en met welke kracht daarmee door verdachte is gestoken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte zal dan ook van het onder feit 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat het door aangever opgelopen letsel geen zwaar lichamelijk letsel betreft in de zin van artikel 82 Sr of in de zin van wat onder zwaar lichamelijk letsel in het gewone taalgebruik wordt begrepen. Verdachte zal daarom ook van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Zoals hierboven al ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan met welk voorwerp de aangever is verwond. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank ook de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.3.
Vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] zoals ten laste is gelegd (feit 2). Hoewel op grond van de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat door verdachte tegen [slachtoffer 1] geweldshandelingen zijn begaan, is niet komen vast te staan dat die handelingen hebben bestaan uit trappen. Alleen [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte en een ander onbekend gebleven persoon hem gelijktijdig hebben benaderd, dat verdachte hem in de rug heeft getrapt en dat zij gelijktijdig zijn weggerend. Deze verklaring van [slachtoffer 1] wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De verklaring van verdachte – dat hij is weggegaan toen aangever op de grond lag en hij pas achteraf heeft vernomen dat een andere persoon het voor hem heeft opgenomen – wordt daarentegen ondersteund door de verklaringen van getuigen [slachtoffer 2] , [naam getuige 1] en [naam getuige 2] . Zij hebben immers verklaard dat zij zagen dat de andere persoon [slachtoffer 1] heeft getrapt nadat verdachte is weggerend. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een andere persoon gericht op het mishandelen van [slachtoffer 1] door hem te schoppen. Het trappen kan daarom ook niet door het ten laste gelegde medeplegen aan verdachte worden toegerekend. Nu er geen andere geweldshandelingen zijn ten laste gelegd, moet verdachte van het onder feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.
3.3.4.
Bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 3). De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Op grond van de verklaring van [slachtoffer 2] stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster in het gezicht heeft geslagen, waardoor zij pijn heeft ondervonden. De verklaring van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] , inhoudende dat hij zag dat verdachte een stoot tegen de kaak van [slachtoffer 2] gaf. Dat over deze gedraging niet ook door de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] is verklaard en dat er geen letsel bij aangeefster is geconstateerd, maakt dat oordeel niet anders. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen. Verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat daarvan niet is gebleken.
4

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 3

op 12 augustus 2018 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] tegen het gezicht te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en het volgen van een CoVa-training, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven als de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen.

7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat verdachte zijn opleiding kan vervolgen. De raadsman heeft ten aanzien van de strafmodaliteit overwogen dat het opleggen van een taakstraf passend zou zijn. Mocht de rechtbank aan verdachte toch een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, heeft de raadsman verzocht om niet de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen..

7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer in haar persoonlijke integriteit aangetast en heeft zij pijn ondervonden.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor een ‘eenvoudige mishandeling door een droge klap met alleen pijn, geen letsel’ is een geldboete van € 500,-. De rechtbank heeft dit als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf genomen.

Het strafblad van verdachte van 21 augustus 2019 – waaruit is gebleken dat verdachte in de laatste vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten – heeft de strafoplegging niet beïnvloed.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsadvies van 15 augustus 2019. De reclassering heeft daarin geadviseerd om – indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht – aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de verplichting om zich te melden bij de reclassering en om een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden SOLO te volgen.

Ter terechtzitting zijn de persoonlijke omstandigheden door verdachte toegelicht. Verdachte heeft verklaard dat de verdenking tegen hem in deze zaak veel impact heeft gehad op zijn leven. Doordat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, heeft hij zijn stageplek verloren. Hierdoor kon verdachte zijn opleiding niet afronden. Inmiddels heeft verdachte deze opleiding weer opgepakt en werkt hij voor een uitzendbureau.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheid dat de rechtbank – anders dan de officier van justitie – tot een bewezenverklaring van één mishandeling is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een – deels voorwaardelijke – gevangenisstraf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden op te leggen. In plaats daarvan zal de rechtbank het hiervoor genoemde oriëntatiepunt van het LOVS volgen en aan verdachte een geldboete opleggen. De rechtbank heeft bij de hoogte daarvan in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de drie dagen die door verdachte in voorlopige hechtenis zijn doorgebracht. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een geldboete van € 350,- opleggen, bij niet betalen te vervangen door 7 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank ziet – gelet op de aan verdachte op te leggen straf – aanleiding om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

8

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 3

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 (zeven) dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J. Koene, voorzitter,mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.C. Eggink, rechters,in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 oktober 2019.