Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:7417

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:7417, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13-665280-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-665280-18

Datum uitspraak: 9 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:7417:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-665280-18

Datum uitspraak: 9 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. G.J. van Oosten, naar voren hebben gebracht.
2

Aan verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat zij in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 8 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van haar kind heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of een of meer van haar mededaders voornoemd lijk in een tas gestopt en/of (vervolgens) in en/of nabij (de omgeving van) de Sloterplas, in elk geval in en/of nabij water en/of aan de waterkant, achtergelaten.
3

3.1
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de vervolging van verdachte in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging, en dat op die grond het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. De raadsman wijst erop dat hij de officier van justitie heeft verzocht om een beslissing tot sepot te nemen en dat de officier van justitie dit verzoek, met verwijzing naar de maatschappelijke onrust, heeft afgewezen. De in het dossier aanwezige bewijsmiddelen zouden het uitgangspunt moeten vormen bij de beslissing tot sepot of tot vervolging en niet de maatschappelijke onrust.
Ter zitting heeft de officier van justitie toegelicht dat er meerdere factoren een rol hebben gespeeld bij de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan waarbij zij ook acht heeft geslagen op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan een discretionaire bevoegdheid is (het zogenaamde opportuniteitsbeginsel uit artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het gebruik van deze zelfstandige beslissingsbevoegdheid kan door de rechter slechts beperkt getoetst worden. De rechtbank moet beoordelen of het Openbaar Ministerie na afweging van belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen. Alleen als blijkt dat het Openbaar Ministerie bij het instellen van een vervolging zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. De rechtbank overweegt dat uit dat wat door de raadsman naar voren is gebracht, niet kan worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot haar vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank verwerpt dan ook het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman.
3.2
Voor het overige is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.
5


Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het feit bewezen. De stelling van de verdediging dat verdachte de tas met het babylijkje geopend bij een boom vlakbij een fiets-/voetpad heeft achtergelaten vindt geen steun in het dossier. In de tas zijn waterplanten en oppervlaktewaterbeestjes aangetroffen en de tas is vlakbij de waterkant aangetroffen, ongeveer 10 tot 12 meter van de plek die verdachte heeft aangewezen als de plek waar zij de tas heeft neergelegd. Het lijkt er eerder op dat de tas door verdachte in het water is gelegd. Gelet op de verregaande staat van ontbinding van het babylijkje, die aan het handelen van verdachte is te wijten, is het strafrechtelijk onderzoek naar de doodsoorzaak onmogelijk gebleken en kan niet worden vastgesteld of de baby voor, tijdens of na de geboorte is overleden. De door verdachte verrichte handelingen leveren op het wegvoeren en het wegmaken van het babylijkje met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden danwel van het dood ter wereld komen te verhelen, aldus de officier van justitie. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het misdrijf tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd en verzoekt de rechtbank haar van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij te spreken.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft weliswaar het babylijkje weggevoerd, maar zij heeft het juist vlakbij een fiets/voetpad neergelegd zodat het lijkje zou worden gevonden en een begrafenis zou krijgen. Zij heeft het babylijkje niet aan de waarneming van anderen dan haar familie willen onttrekken. De tas was open en het hoofdje was onbedekt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de tas met het lijkje in het water heeft gelegd. Verdachte heeft niet het oogmerk gehad om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen van de baby, te verhelen.

Oordeel van de rechtbank

Op 8 juni 2016 is aan de oostelijke waterkant van de Sloterplas te Amsterdam door een voorbijgangster een tas met het lijkje van een pasgeboren baby aangetroffen. Zij ziet een oranje/zwarte stoffen tas met half erover heen een geruite sjaal en als zij voorover bukt om de tas op te rapen ziet zij een verkleurd babyhoofdje in de tas.

De politie is ter plaatse gekomen en is een (groot) onderzoek opgestart. Aan de hand van DNA-onderzoek is de vader van het kind in beeld gekomen. De vader heeft de naam van verdachte genoemd als mogelijke moeder van het gevonden baby’tje. Op grond van DNA-onderzoek is vastgesteld dat verdachte de moeder is.

Verdachte heeft na haar aanhouding op 13 juni 2018 verklaard dat zij inderdaad de moeder is van het gevonden baby’tje. Niemand wist dat zij zwanger was en zij is bevallen toen zij alleen thuis was. Het kindje kwam dood ter wereld, met de navelstreng om de nek. Verdachte heeft het babylijkje in het Sloterpark neergelegd uit angst voor ontdekking door haar familie. Verdachte is met de politie teruggegaan naar de plek waar het babylijkje is aangetroffen en zij wijst een boom aan waar zij het heeft neergelegd, ongeveer een meter verwijderd van een fiets/voetpad. Zij verklaart dat zij het bewust dichtbij een fiets/voetpad heeft neergelegd omdat zij wilde dat haar kindje gevonden zou worden en een begrafenis zou krijgen.
De door verdachte aangewezen plek ligt ongeveer 10 tot 12 meter verwijderd van de plek waar de tas met het babylijkje is aangetroffen. Verdachte kan de datum waarop zij is bevallen niet noemen. Zij heeft verklaard dat zij haar doodgeboren baby’tje de dag van de bevalling in de avond bij de door haar aangewezen boom heeft neergelegd. Zij weet niet hoe lang het daarna heeft geduurd voordat in de media bekend werd dat het lijkje van de baby was gevonden.

De lijkschouwer heeft vastgesteld dat het kindje is overleden en dat de kleding van het kind nat was. Uit een NFI-rapport van 6 juli 2016 blijkt dat de aanwezigheid van waterdieren en -planten op de geruite sjaal die over de tas lag past bij een contact van die sjaal met oppervlaktewater.

Uit het rapport van de arts-patholoog volgt dat door de postmortale veranderingen niet kan worden gezegd of de baby voor, tijdens of na de geboorte is overleden en dat de baby gelet op de postmortale bevindingen waarschijnlijk dagen tot een week of iets langer dan een week in het Sloterpark heeft gelegen voordat het werd aangetroffen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte het lijk van haar kindje heeft verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt met het opzet (oogmerk) om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel het dood ter wereld komen, te verhelen (art. 151 Sr.).

De rechtbank stelt vast dat veel onduidelijk is gebleven in deze zaak.

De rechtbank kan niet vaststellen wanneer verdachte is bevallen, wanneer zij de tas met het babylijkje in het Sloterpark heeft achtergelaten, en op welke plek en hoe zij dat precies heeft gedaan. De stelling van de officier van justitie dat verdachte de tas met het babylijkje waarschijnlijk in het water heeft gelegd kan in elk geval niet alleen op de aanwezigheid van waterdieren en -planten op de geruite sjaal worden aangenomen, ook al omdat de tas niet in het water is aangetroffen.

Gelet op de bevindingen van de arts-patholoog lijkt de tas wel enige tijd in het park te hebben gelegen, maar hoe lang dit is geweest is niet duidelijk geworden. Ook is niet bekend of er in de tussentijd iets met de tas is gebeurd, en zo ja, wat.

Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat zowel de plek die verdachte heeft aangewezen als de uiteindelijke vindplaats van de tas, 10 tot 12 meter verderop, redelijk goed zichtbaar zijn vanaf het pad of het nabij gelegen uitkijkpunt. De rechtbank kan ook vaststellen dat de tas gedeeltelijk open was toen die werd gevonden, met het hoofdje van de baby zichtbaar.

Uit deze omstandigheden kan de rechtbank niet zonder meer afleiden dat verdachte het babylijkje aan de waarneming van anderen dan haar familie wilde onttrekken, laat staan dat zij de bedoeling had om het feit of de oorzaak van het overlijden of dood ter wereld komen van het baby’tje wilde verbergen.

Verdachte heeft verklaard dat zij haar zwangerschap en bevalling uit angst en schaamte geheim heeft gehouden (behalve voor de vader) en dat zij, nadat het kind dood ter wereld was gekomen, gedreven door diezelfde angst en schaamte wilde (blijven) verhelen dat het kind van haar was. Dat is echter niet hetzelfde als het oogmerk om het overlijden of het dood ter wereld komen van het kindje te verhelen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet bewezen is dat verdachte het heeft gehad om het feit of de oorzaak van het overlijden van haar kindje of het dood ter wereld komen van haar kindje, te verhelen.

Hoewel de rechtbank de handelingen van verdachte verontrustend en verdrietig vindt vallen deze handelingen niet onder dat wat in artikel 151 Sr strafbaar is gesteld.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

beslissing

6

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis op. Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter,mrs. P.P.C.M. Waarts en M.E.M. James-Pater, rechters,in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2019.