Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:70

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:70, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751926-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751926-18RK-nummer: 18/7698

Datum uitspraak: 4 januari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2018 door de (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres]
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

ECLI:NL:RBAMS:2019:70:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM,INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751926-18RK-nummer: 18/7698
Datum uitspraak: 4 januari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2018 door de (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres]
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

procesverloop

1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 december 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd namens hem het woord te voeren.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van het van 07.05.2018 met dossiernummer 67 KLs – 104 Js 403/15-17/17.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zeventien naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.
Genoegzaamheid

3.1.1.
Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat vijf in het EAB omschreven feiten – de rechtbank begrijpt: de feiten 1, 2, 10, 11 en 12 – niet genoegzaam zijn omschreven. In voornoemde feiten wordt niet duidelijk welke rol de opgeëiste persoon bij de levering(en) zou hebben gespeeld. Daarom dient de overlevering ten aanzien van deze feiten te worden geweigerd.

3.1.2.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In onderhavige zaak is duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd. In onderdeel e) van het EAB is uiteengezet dat de opgeëiste persoon in de periode van 28 mei 2014 tot en met eind januari 2015 te Aken en op andere plaatsen, verdovende middelen zou hebben geleverd aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Voorts zijn zeventien feiten nader geconcretiseerd, waarbij telkens per datum is gespecificeerd op welk(e) soort(en) verdovend(e) middel(en) de verdenking ziet. Bij vijf van deze feiten staat de rol van de opgeëiste persoon niet expliciet vermeld. Echter, voornoemde medeverdachten komen steeds in deze omschrijvingen voor, de pleegperiodes komen overeen met de pleegperiode als omschreven in de aanhef en vaststaat dat de verdovende middelen, op bestelling, aan de medeverdachten worden geleverd. Gelet op het gegeven dat de feiten in samenhang met de aanhef moeten worden gelezen, is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven. De rechtbank overweegt hierbij ten overvloede dat de feitsomschrijving er niet toe dient om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964). De rechtbank verwerpt het verweer.
4

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5

- Feiten 1, 3, 5, 7, 8, 10, 11, 15, 16 en 17: ;
- Feiten 1, 2, 4, 6, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15: .
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Der Leitende Oberstaatsanwalt in Aachen

Overbrenging van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag]1968 te Maastricht/Nederland, uit Nederland voor de strafvervolging

(…)

Er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in het geval van een veroordeling door een onherroepelijk vonnis in de Bondsrepubliek Duitsland op de basis van de geldige versie van het Kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad d.d. 27.11.2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waardoor een straf of maatregel van vrijheidsbeneming wordt opgelegd, voor de doelen van de tenuitvoerlegging in de Europese Unie (Publicatieblad L 327 d.d. 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf terug naar Nederland wordt gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Deze feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

6

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

-

het onderzoek is in Duitsland aangevangen;

het bewijs bevindt zich in Duitsland;

de Duitse rechtsorde is geschokt, nu de verdovende middelen daar zijn ingevoerd.

beslissing

7

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

beslissing

9



STAAT TOE[opgeëiste persoon]Staatsanwaltschaft Aachen
Aldus gedaan doormr. R.A.J. Hübel, voorzitter,mrs. C.A. van Dijk en E.G. Fels, rechters,in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.