Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:7

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 21-12-2018. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:7, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AMS 18/4604


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2019 in de zaak tussenmrs. [eisers] Bureau Financieel Toezicht, verweerder
Bestuursrecht
(gemachtigde: mr. drs. F. Hommel).

zaaknummer: AMS 18/4604

[eisers] ,

(gemachtigden: mr. C. Kniestedt en mr. C.L.H.C. Lokin),
en

ECLI:NL:RBAMS:2019:7:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2019 in de zaak tussenmrs. [eisers] Bureau Financieel Toezicht, verweerder
Bestuursrecht
(gemachtigde: mr. drs. F. Hommel).
zaaknummer: AMS 18/4604

[eisers] ,

(gemachtigden: mr. C. Kniestedt en mr. C.L.H.C. Lokin),
en

procesverloop

Procesverloop

Op 12 oktober 2017 heeft verweerder aan eisers een waarschuwing gegeven.

Bij besluit van 7 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij brief van 12 oktober 2017 heeft verweerder aan eisers een waarschuwing gegeven, omdat hij in het onderzoeksrapport van 25 april 2017 een normschending heeft geconstateerd omtrent de berekening van de bewaringspositie (norm 4.1.1.) en het samen opnemen van de bewaringspositie van het notariaat en de advocatuur (norm 4.1.2.). Daarnaast is er in de algemene voorwaarden geen regeling opgenomen met betrekking tot de voorlichting omtrent financiële gevolgen van de dienstverlening en het toepasselijk recht en regelgeving conform de Verordening Klachten- en geschillenregeling. Dit is in strijd met artikel 5, tweede lid, van deze Verordening (conclusie 4.3.). Indien verweerder in de toekomst constateert dat normschendingen opnieuw voorkomen, zal hij dit meenemen in zijn dan te nemen handhavingsbesluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat (samengevat) de waarschuwing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verweerder is de waarschuwing niet gebaseerd op enig wettelijk voorschrift maar op zijn handhavingsbeleid. Verder is de waarschuwing geen voorwaarde voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid in bepaalde situaties en dus geen essentieel onderdeel van een sanctieregime. Hoewel aan de waarschuwing geen termijn is verbonden, acht verweerder het niet onevenredig bezwarend dat hiertegen op dit moment geen rechtsmiddel openstaat.
3. In geschil is of de waarschuwing al dan niet een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb of daarmee dient te worden gelijkgesteld.
4. Staatsraad Advocaat-Generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven (de AG) schrijft in zijn conclusie van 24 januari 2018 dat op beleidsregels gebaseerde en informele waarschuwingen geen Awb-besluiten zijn. Volgens de AG zouden deze waarschuwingen echter in drie situaties met een Awb-besluit moeten worden gelijkgesteld. De eerste situatie luidt als volgt:
5. Eisers voeren aan dat verweerder een “three strikes” beleid hanteert waarbij er pas na drie waarschuwingen consequenties worden verbonden aan normschendingen. Doordat er ook geen termijn is verbonden aan een waarschuwing dragen eisers deze tot hun pensioen met zich mee. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van een maximale termijn niet tot bewijsproblemen leidt bij eisers in het geval zij pas bij een eventuele volgende sanctieoplegging de waarschuwing inhoudelijk kunnen aanvechten.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder gemotiveerd heeft betwist dat hij geen “three strikes” beleid voert. Verweerder handelt conform zijn handhavingsbeleid waarin dit niet is vermeld. Bovendien heeft verweerder terecht verwezen naar punt 9. van hoofdstuk 5. Handhavingsinstrumenten van het handhavingsbeleid waarin is bepaald dat voor recidive een termijn van zeven jaar geldt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze termijn van toepassing is op alle handhavingsinstrumenten (wettelijke en niet-wettelijke), samenhangt met zijn verplichtingen op grond van de Archiefwet en aansluit bij de bewaartermijn binnen het notariaat. Er is dus wel een maximale termijn verbonden aan de waarschuwing. Hieruit volgt ook dat geen sprake kan zijn van bewijsproblemen het ontbreken van een termijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder aannemelijk gemaakt dat de waarschuwing bewijsrechtelijk ook na langere tijd nog effectief te bestrijden is met behulp van het toezichtsrapport en de zienswijze die daarop is gegeven. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat hierbij getuigenverklaringen noodzakelijk zullen zijn welke na een aantal jaren mogelijk niet meer zijn te verkrijgen.
7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de waarschuwing terecht niet heeft gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar is dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Het oordeel van de rechtbank

“Als de termijn gedurende welke de waarschuwing negatieve gevolgen kan hebben zodanig lang is dat belanghebbende, gelet op de aan de orde zijnde overtreding, in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Om bewijsnood te voorkomen en om redenen van rechtszekerheid moet voor deze waarschuwingen een maximale termijn van (als regel) twee jaar gelden”.

Conclusie

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
_15e7e375-568d-4cbb-badc-e8a97a44a20c
1

Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RVS:2018:249.

_860a678d-91e1-4495-9f1b-009df46b9eb5
2

Staatscourant 2016, 65892.