Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:6738

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:6738, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/741251-18 (A) + 13-037725-19 (B, gevoegd) (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741251-18 (A) + 13-037725-19 (B, gevoegd) (Promis)

Datum uitspraak: 12 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in “ [naam] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:6738:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741251-18 (A) + 13-037725-19 (B, gevoegd) (Promis)

Datum uitspraak: 12 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in “ [naam] ” te [plaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat door de raadsman van verdachte mr. P. Scholte en door de verdachte naar voren is gebracht.

2

1. hij op of omstreeks 26 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op een perron van station Amsterdam Sloterdijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het - eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of- ( met kracht) vastpakken van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of- ( met kracht) haken van het been van vernoemde [slachtoffer 1] , waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of- ( met kracht) (met geschoeide voeten) schoppen en/of trappen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] (terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag,
2. hij op of omstreeks 26 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, bestaande die belediging uit het eenmaal of meermalen spugen in/op/tegen het gezicht, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] ;(artikel 266 Wetboek van Strafrecht)
- in/tegen het gezicht en/of de maag en/of tegen de zij, in elk geval tegen het lichaam van [slachtoffer 2] heeft gestompt en/of geslagen en/of (vervolgens)- aan de ha(a)r(en) van voornoemde [slachtoffer 2] heeft getrokken en/of gerukt en/of (vervolgens)- tegen de slaap van vernoemde [slachtoffer 2] heeft gestompt en/of geslagen (waardoor voornoemde [slachtoffer 2] buiten bewustzijn is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;- vastpakken van de arm en/of de pols, in elk geval van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)- slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of maag en/of de zij, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)- trekken en/of rukken aan de ha(a)r(en) van voornoemde [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)- slaan en/of stompen tegen de slaap van voornoemde [slachtoffer 2] (waardoor voornoemde [slachtoffer 2] het bewustzijn heeft verloren).(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat:

ten aanzien van zaak A

welk gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (gezwollen knie en/of pijn in hoofd) voor voornoemde [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;(141 Wetboek van Strafrecht)
ten aanzien van zaak B

hij op of omstreeks 20 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) eenmaal of meermalen (met gebalde vuist(en))

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3

3.1
Ten aanzien van zaak A

De dagvaarding is geldig ten aanzien van de feiten 1 en 2 en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van die feiten.

Ontvankelijkheid feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Belediging is een klachtdelict en voor de ontvankelijkheid is in beginsel vereist dat door de aangever een klacht is ingediend. Aangever was een bijzonder opsporingsambtenaar van de Nederlandse Spoorwegen (NS) en had zich als zodanig geïdentificeerd. Uit zijn aangifte volgt duidelijk dat hij wil dat verdachte voor de belediging vervolgd wordt. Dat geen klacht is ingediend staat in dit geval daarom niet in de weg aan de ontvankelijkheid.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat door aangever geen klacht is ingediend, terwijl belediging een klachtdelict betreft. Uit de aangifte volgt bovendien niet de wens van aangever om verdachte te vervolgen ten aanzien van de belediging. De officier van justitie is daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen afzonderlijke klacht is aangetroffen waarin door aangever wordt verzocht verdachte voor de belediging te vervolgen. Dat aangever werkzaam is als bijzonder opsporingsambtenaar van de NS en zich voorafgaand aan het ten laste gelegde als zodanig heeft geïdentificeerd, is in deze zaak niet van belang, omdat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet in functie was. Het feit valt daarom niet onder artikel 267 onderdeel 2 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor geen klachtvereiste geldt. Uit de inhoud van de aangifte volgt echter dat aangever de vervolging van verdachte voor de belediging heeft geprobeerd te bewerkstelligen door het doen van deze aangifte. In zijn aangifte heeft hij immers verklaard dat hij gevraagd heeft de beschikbare beelden te bewaren voor een mogelijk onderzoek. En heeft hij verklaard zich door de bespuging heftig voelde aangetast in zijn eer en goede naam en hij dit feit smerig en denigrerend vond en zich hierdoor vernederd voelde. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Overige voorvragen ten aanzien van zaak A

De officier van justitie is ook ontvankelijk ten aanzien van feit 1. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.1
Ten aanzien van zaak B

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in zaak A heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring. Feit 1 kan worden bewezen op grond van de aangifte en het proces-verbaal van de camerabeelden. Feit 2 kan eveneens worden bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. In zaak B onder primair gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde op grond van de aangifte die wordt ondersteund door het bij aangeefster geconstateerde letsel en de verklaring van getuige [naam getuige] . Er is geen reden te twijfelen aan de aangifte en deze getuigenverklaring.
4.2
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van zaak A over het onder 1 ten laste gelegde opgemerkt dat de aangifte volstrekt niet overeenkomt met de camerabeelden. Over het onder 2 ten laste gelegde is geen standpunt ingenomen, gelet op het eerdere standpunt van de raadsman dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is. Ten aanzien van zaak B is onder primair verzocht om vrijspraak, gelet op de ontkennende verklaring van verdachte en omdat (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft hij de rechtbank verzocht zich bij bewezenverklaring van dit feit uit te laten over de betrouwbaarheid van de aangifte en de verklaring van getuige [naam getuige] . Tevens heeft hij verzocht verdachte – bij bewezenverklaring van mishandeling – vrij te spreken van het trekken aan de haren van aangeefster, nu zijzelf noch getuige [naam getuige] hierover in eerste instantie hebben verklaard. Dat aangeefster bewusteloos is geraakt door het handelen van verdachte, is door de raadsman betwist, te meer nu op de letselverklaring is vermeld dat geen sprake is van bewusteloos raken. Mogelijk is aangeefster flauwgevallen door haar emoties, aldus de raadsman.
4.3
Oordeel van de rechtbank

4.3.1
Oordeel in zaak A

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden van 27 december 2018 en dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank merkt op dat de geweldshandelingen die op de camerabeelden te zien zijn hoofdzakelijk door medeverdachte [medeverdachte] zijn gepleegd; op de beelden is te zien dat verdachte een enkele klap geeft aan aangever. Nu is bewezen dat verdachte en [medeverdachte] de handelingen ‘met verenigde krachten’ hebben gepleegd, kunnen de geweldshandelingen van [medeverdachte] echter ook worden bewezen ten aanzien van verdachte.

4.3.1
Oordeel in zaak B

De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de aangifte, het bij aangeefster geconstateerde letsel en de verklaring van getuige [naam getuige] .
Betrouwbaarheid aangifte en verklaring getuige [naam getuige]

De raadsman heeft de rechtbank verzocht zich – bij een bewezenverklaring – uit te laten over de betrouwbaarheid van de aangifte en de verklaring van getuige [naam getuige] . De rechtbank overweegt hierover het volgende. In de aangifte heeft aangeefster een duidelijke verklaring afgelegd over de geweldshandelingen van verdachte. Haar verklaring wordt ondersteund door het letsel dat bij haar is aangetroffen en de verklaring van getuige [naam getuige] , die in hoofdlijnen hetzelfde heeft verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen. De aangifte en de verklaring van getuige [naam getuige] zijn daarom betrouwbaar. Dat [naam getuige] en aangeefster elkaar kennen, doet hieraan niet af.

Haren trekken

Dat verdachte aan de haren van aangeefster heeft getrokken kan worden bewezen op grond van de aangifte, de letstelverklaring en de verklaring van getuige [naam getuige] . Dat aangeefster hierover niet direct aan de politie heeft verklaard is niet opmerkelijk, omdat aangeefster daaromtrent een aannemelijke verklaring heeft afgelegd. Zij kwam er namelijk pas bij het onderzoek door de arts achter dat een pluk haren uit haar hoofd was getrokken.

Buiten bewustzijn raken

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat aangeefster buiten bewustzijn is geraakt doordat verdachte haar klappen heeft gegeven op haar slapen, nu de aangifte op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige] . Voor de stelling van de raadsman dat aangeefster is flauwgevallen als gevolg van haar hevige emoties, ziet de rechtbank geen aanwijzingen.

Mishandeling

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde handelingen niet kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Hoewel sprake is geweest van fors geweld dat is uitgeoefend door verdachte op een persoon die veel kleiner van postuur is dan hijzelf en die bovendien voor een kort moment buiten bewustzijn is geraakt, kan op basis van het voorgaande niet worden vastgesteld met welke kracht er is geslagen en op welke vitale delen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat verdachte met het plegen van die handelingen ook de bedoeling had zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. Wel kunnen deze handelingen worden gekwalificeerd als mishandeling.

5

- meermalen met kracht slaan in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en

- met kracht vastpakken van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en

- met kracht haken van het been van vernoemde [slachtoffer 1] , waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val is gekomen en

- met kracht met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag,

welk gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (gezwollen knie en pijn in hoofd) voor voornoemde [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad

- vastpakken van de arm en de pols van voornoemde [slachtoffer 2] en

- slaan en stompen tegen het gezicht en de zij van voornoemde [slachtoffer 2] en

- trekken aan de haren van voornoemde [slachtoffer 2] en

- stompen tegen de slaap van voornoemde [slachtoffer 2] waardoor voornoemde [slachtoffer 2] het bewustzijn heeft verloren

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

op 26 december 2018 te Amsterdam met een ander op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op een perron van station Amsterdam Sloterdijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

op 26 december 2018 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] in zijn tegenwoordigheid heeft beledigd, bestaande die belediging uit het spugen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1]

ten aanzien van het zaak B als subsidiair ten laste gelegde

op 20 december 2018 te Amsterdam zijn ex-partner [slachtoffer 2] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit meermalen met kracht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) sprake was van een noodweersituatie. Aangever heeft hem immers met een plotselinge, korte explosie van geweld aangevallen. Voor [medeverdachte] was het noodzakelijk en geboden zich te verdedigen tegen het geweld. Ook verdachte mocht [medeverdachte] verdedigen, gezien de situatie. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte aangever heeft vastgepakt en aangever van [medeverdachte] heeft losgetrokken. Daarmee werd de noodweersituatie beëindigd. Daarna heeft verdachte echter nog een klap gegeven in de richting van aangever. Nu deze klap na het beëindigen van de noodweersituatie heeft plaatsgevonden, kan niet worden gezegd dat de verdediging nog langer geboden was. Verdachte heeft op zitting echter verklaard dat hij in shock was toen hij de klap gaf. De officier van justitie acht dit aannemelijk en stelt zich op het standpunt dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging. De officier van justitie heeft daarom aangevoerd dat sprake is geweest van noodweerexces en dat verdachte niet strafbaar is voor dit feit. Zij heeft gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is nu sprake was van noodweer. Uit de camerabeelden is gebleken dat aangever [medeverdachte] tegen de trein drukte, waarna aangever hem een klap in het gezicht gaf. Verdachte heeft ingegrepen op het moment dat deze wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] bezig was. In het proces-verbaal van de camerabeelden is geverbaliseerd dat verdachte een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van aangever, maar niet is te zien dat hij hem ook heeft geraakt. Verder is op de camerabeelden niet te zien dat verdachte aangever heeft aangevallen. Het tegendeel is juist gebleken: verdachte heeft aangever naar de grond gebracht en heeft daarna afstand genomen.

De rechtbank stelt vast dat aangever heeft verklaard dat hij de trein uit is gestapt om verdachte en [medeverdachte] aan te houden, waarna hij zag dat [medeverdachte] hem probeerde te slaan in zijn gezicht. Vervolgens heeft hij, volgens de aangifte, [medeverdachte] afgeweerd. Uit de camerabeelden – die door de rechtbank op zitting zijn bekeken – volgt echter dat [medeverdachte] de trein uitstapt en een meter van de treindeuren stil blijft staan. Aangever trekt vervolgens de treindeuren open en stormt de trein uit, rent op [medeverdachte] af en probeert hem te slaan. [medeverdachte] probeert zich af te weren en wordt door aangever tegen de trein geduwd. Op de beelden is ook te zien dat verdachte heeft geprobeerd aangever van [medeverdachte] af te trekken. De rechtbank is dan ook, gezien de camerabeelden, van oordeel dat verdachte zich in een situatie bevond waarin voor hem de noodzaak bestond [medeverdachte] te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever. Die situatie was echter beëindigd op het moment dat [medeverdachte] was ontzet. De klap die verdachte daarna in de richting van aangever heeft gegeven valt echter niet onder de noodweersituatie, nu de verdediging niet meer geboden was. Het feit is dan ook strafbaar.
Wel acht de rechtbank – met de officier van justitie – aannemelijk dat verdachte vanuit een hevige gemoedsbeweging aangever heeft geslagen en dus sprake is geweest van noodweerexces. Verdachte is daarom niet strafbaar en dient voor het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en in zaak B als subsidiair ten laste gelegde

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1
Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 2 en in zaak B als primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal niet tot gevolg hebben dat verdachte delictvrij blijft.

7.3
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vriendin. Hij heeft haar meermalen met kracht geslagen en gestompt op diverse plaatsen op het lichaam, waaronder in het gezicht en op de slapen, als gevolg waarvan zij voor korte tijd het bewustzijn heeft verloren. Aangeefster, die vele malen kleiner van postuur is, was niet bestand tegen deze aanval van geweld en kon hiertegen geen weerstand bieden. Dat de mishandeling in haar woning heeft plaatsgevonden acht de rechtbank zeer ernstig, nu dat bij uitstek een plek is waar aangeefster zich veilig had behoren te voelen. Verdachte heeft bovendien misbruik gemaakt van de hulp die aangeefster hem bood en heeft de gang van zaken in de woning volledig gedomineerd. Aangeefster heeft in haar verklaring ter zitting goed en helder onder woorden gebracht welke moeilijke gevolgen de mishandeling voor haar heeft gehad.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een belediging door de aangever in het gezicht te spugen. Dit is een naar en bovendien smerig feit.

Bij de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte op zitting geen inzicht heeft gegeven in zijn handelen. Weliswaar heeft hij op zitting verklaard dat hij graag hulp van de reclassering wil, maar na doorvragen is gebleken dat verdachte hulp slechts wil accepteren als de reclassering deze aanbiedt onder de voorwaarden die hij stelt en hij op die manier het reclasseringstoezicht naar zijn hand probeert te zetten. Naar verwachting van de rechtbank zal verdachte dan ook niet meewerken op het moment dat de reclassering een andere koers wil varen dan dat verdachte wenst. Oplegging van bijzondere voorwaarden zijn daarom niet zinvol. De rechtbank zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden opleggen.

8

8.1
Vordering van [slachtoffer 1] (zaak A)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde € 750,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt afgewezen, nu verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft eveneens verzocht de vordering af te wijzen, omdat [slachtoffer 1] het geweld heeft geïnitieerd en in zijn aangifte leugenachtig heeft verklaard.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard) [slachtoffer 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte voor het in zaak A onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

8.2
Vordering van [slachtoffer 2] (zaak B)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.200,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, nu in de bijlage is onderbouwd dat [slachtoffer 2] geestelijk letsel heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde en zij dit op zitting heeft bevestigd.

De raadsman heeft verzocht de gevorderde schade te matigen tot maximaal € 400,-, omdat [slachtoffer 2] al voor het bewezenverklaarde onder behandeling was en niet kan worden vastgesteld dat het gevorderde bedrag daarmee volledig verband houdt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 2] als gevolg van het ter kennisgeving gevoegde feit met het parketnummer 13-037725-19 (korte aanduiding: mishandeling strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht) rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

De rechtbank stelt, mede in het licht van de slachtofferverklaring die [slachtoffer 2] op zitting heeft afgelegd, vast dat het bewezenverklaarde grote impact op haar heeft gehad. Niet alleen heeft verdachte fors geweld op haar toegepast, maar als gevolg van het feit is zij ook in een isolement geraakt. Gebleken is dat zij mede vanwege het bewezenverklaarde onder behandeling is. De rechtbank zal daarom de gevorderde schade volledig toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente. Zij vindt dit bedrag ook redelijk gelet op de gevolgen die dit voor [slachtoffer 2] heeft gehad. Dat zij al vóór het ten laste gelegde onder behandeling was, maakt deze beslissing niet anders.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B bewezen verklaarde feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.200,- (duizendtweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente.

9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10



italic

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

eenvoudige belediging

ten aanzien van het zaak B als subsidiair ten laste gelegde

mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het in rubriek 5 ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezene niet strafbaar en hem ter zake daarvan.

Verklaart verdachte, , voor het in rubriek 5 ten aanzien van het in zaak A onder 2 en in zaak B als subsidiair bewezene strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering, nu aan verdachte ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd.

Ten aanzien van het in zaak B als subsidiair ten laste gelegde

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 1.200,- (duizendtweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 20 december 2018, tot aan de dag der algehele voldoening van de vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.200,- (duizendtweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 20 december 2018, tot aan de dag der algehele voldoening van de vordering, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Klomp, voorzitter,mrs. V.V Essenburg en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2019.
De voorzitter is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.