Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:6562

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:6562, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/680100-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680100-18

Datum uitspraak: 5 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in het [detentieadres] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:6562:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680100-18

Datum uitspraak: 5 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in het [detentieadres] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 oktober 2018, 10 januari 2019, 21 maart 2019, 18 juni 2019 en 22 augustus 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.A. de Back, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. B. van Straaten en M. Wijngaarden, naar voren hebben gebracht.

2

1. het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel een poging daartoe aan [persoon 1] (geboren [geboortedatum] ) (hierna: [persoon 1] ) in de periode van 1 november 2017 tot en met 13 juni 2018, zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, door hem tweedegraads brandwonden en twee gebroken bovenbenen toe te brengen.
2. mishandeling van [persoon 1] (geboren [geboortedatum] ) in de periode van 1 november 2017 tot en met 13 juni 2018, zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, door hem onder andere te duwen, te slaan, te schoppen, te bijten, te knijpen, een naald in de voet in te brengen, hem in de box te gooien en aan de benen te trekken.
Aan verdachte is na wijzigingen op de zittingen van 18 juni 2019 en 22 augustus 2019 – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Mocht dit niet kunnen worden bewezen dan is subsidiair de eenvoudige mishandeling tenlastegelegd.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3. Vrijspraak
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir heeft de officier van justitie samengevat het volgende naar voren gebracht.

Op grond van de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden dienen feit 1 en feit 2 te worden bewezen. Uit de melding van [naam instelling] en de medische stukken van het Rode Kruis Ziekenhuis als ook uit de NFI rapportage, het aanvullend rapport en de email van 31 juli 2019 van deskundige Karst, volgt immers dat het veel waarschijnlijker is als de combinatie van brandwonden, overige huidletsels en botbreuken is ontstaan door toegebracht letsel dan als sprake is geweest van een accidentele toedracht. Dit wordt ondersteund door onder andere de verklaring van verdachte dat hij [persoon 1] twee keer heeft geslagen en geduwd, door de verklaringen van getuigen die blauwe plekken bij [persoon 1] hebben gezien, door de WhatsAppgesprekken tussen verdachte en onder andere [persoon 2] (de moeder van [persoon 1] , hierna: [persoon 2] ) en [persoon 3] (vriendin van verdachte, hierna: [persoon 3] ) en door de verklaring van [persoon 3] dat verdachte aan haar zou hebben verteld dat hij [persoon 1] heeft geslagen en geknepen.

De verklaring van verdachte over hoe de brandwonden zijn ontstaan, kort gezegd door een ongeluk met te heet water onder de douche, is gelet op de objectieve bevindingen van de deskundige ongeloofwaardig. Er was sprake van opzet, dan wel in ieder geval van voorwaardelijk opzet.

Welke exacte gedraging tot de botbreuken in de benen hebben geleid kan niet worden vastgesteld, maar het moet in ieder geval fors geweld zijn geweest in de vorm van schoppen en trappen tegen de benen of van grotere hoogte met kracht op de grond gooien van [persoon 1] . Dit kan op één moment of meerdere momenten zijn geweest, op zijn vroegst vanaf half maart 2018. Vanaf dat moment is verdachte meerdere keren alleen met [persoon 1] geweest. Er is geen alternatief scenario naar voren gekomen. De val van [persoon 1] op 30 mei 2018 uit zijn bedje is geen aannemelijke verklaring voor de botbreuken omdat uit telefoongesprekken naar voren komt dat [persoon 1] bij die val op zijn hoofdje is gevallen. Het kan dus niet anders dan dat verdachte degene is geweest die de gedragingen heeft verricht, waarbij hij op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Naar algemeen spraakgebruik moet deze combinatie van letsels – de brandwonden en botbreuken in beide bovenbenen – worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel waarbij ook de leeftijd en kwetsbaarheid van het kind en het feit dat het kind is teruggeworpen in zijn ontwikkeling, moeten worden meegewogen.

3.2
Het standpunt van de verdediging

Onder verwijzing naar de schriftelijke pleitnota heeft de verdediging samengevat het volgende naar voren gebracht.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van de brandwonden, ook van de poging daartoe. De elementen opzet en voorbedachte rade kunnen niet worden bewezen en ook kan niet worden bewezen dat verdachte [persoon 1] heeft vastgehouden of dat hij op twee verschillende plekken/standen water heeft laten sproeien. Verdachte ontkent niet dat hij betrokken is geweest bij het ontstaan van de brandwonden in de douche. Het gaat echter om een ongeluk. Zijn verklaring is betrouwbaar. Hij heeft telkens consistent en consequent verklaard en heeft bovendien nadien met anderen gesproken over het incident waaruit blijkt dat het om een ongeluk ging, dat verdachte het heel erg vindt wat er is gebeurd en dat hij er spijt van heeft.

Voorts moet verdachte worden vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van de botbreuken, ook van de poging daartoe. Verdachte ontkent hier iets mee te maken te hebben. Er zijn te veel alternatieve scenario’s, omstandigheden en personen die voor deze botbreuken verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Bovendien heeft verdachte in de periode dat deze breuken moeten zijn toegebracht, niet op [persoon 1] gepast. Uitgaande van het medisch bewijs vormt de val uit het bedje de meest passende en logische verklaring voor de botbreuken.

Bovendien kunnen de botbreuken en tweedegraads brandwonden niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Er is immers sprake van een littekenvrij herstel dat zonder operatief medisch ingrijpen en binnen een korte periode van twee weken heeft plaatsgevonden.

Tot slot dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 2. Voor de elementen duwen, tikje/zetje geven en gooien in de box geldt dat deze niet kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling vanwege een gebrek aan ernst. Bovendien kunnen deze handelingen niet leiden tot het in het dossier omschreven letsel. Voor de elementen hoofd indrukken en bijten geldt dat sprake is van unis testis, althans dat onvoldoende is bewezen dat verdachte deze handelingen zou hebben uitgevoerd. Voor het element van de naald geldt dat een alternatief scenario – namelijk een accidentele toedracht – voldoende aannemelijk is en bovendien is opnieuw niet bewezen wanneer en waarom verdachte deze naald zou hebben ingebracht. Voor de overige tenlastegelegde elementen geldt dat het dossier helemaal geen bewijs bevat hoe, waar, wanneer en waarom verdachte deze handelingen zou hebben uitgevoerd.

3.3
Het oordeel van de rechtbank


De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de in de tenlastelegging genoemde letsels en handelingen opzettelijk zijn toegebracht dan wel begaan door verdachte. De rechtbank zal, vanwege het bevorderen van de leesbaarheid van het vonnis, alleen die letsels en handelingen bespreken die door de officier van justitie bewezen zijn geacht.

De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten niet bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Op 13 juni 2018 is [persoon 1] opgenomen, eerst in het Amstelland Ziekenhuis en vervolgens in het Rode Kruis Ziekenhuis/Brandwondencentrum Beverwijk. Hij had eerste- en tweedegraads brandwonden opgelopen linksachter op de rug/schouder en op de achterzijde van het rechter bovenbeen. De brandwonden waren tweedegraads met naar de randen toe eerstegraads brandwonden met afnemende ernst. Verder werden minimaal 16 onderhuidse bloeduitstortingen aangetroffen waarvan 7 op de rug als ook schaafwonden, werd een ringvormige onderhuidse bloeduitstorting op de rechter onderarm aangetroffen passend bij een bijtwond, werd met behulp van röntgenfoto’s geconstateerd dat [persoon 1] twee niet verse botbreuken in beide bovenbenen had en werd een afgebroken naald in de rechtervoet van [persoon 1] aangetroffen.

Botbreuken, bijtwond en naald

Niet ter discussie staat dat sprake was van de botbreuken, de bijtwond in de arm en de naald in de voet. Verdachte ontkent echter iets met deze verwondingen te maken te hebben gehad. Uit het dossier wordt niet duidelijk wanneer deze letsels precies zijn ontstaan en met name de botbreuken en de naald zijn niet eerder opgevallen bij personen uit de omgeving van [persoon 1] . Nu uit de stukken in het dossier niet volgt dat verdachte degene moet zijn geweest die deze letsels heeft veroorzaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Duwtjes, corrigerende tik en gooien in de box

Op grond van zijn eigen verklaring kan verdachte wel verantwoordelijk worden gehouden voor het geven van ‘duwtjes’ tegen de borst van [persoon 1] waardoor hij op zijn billen viel en voor het (tweemaal) geven van een corrigerende tik op de bovenkant van zijn rug en op zijn hand. Ook [persoon 2] heeft verklaard dat ze heeft waargenomen dat verdachte [persoon 1] twee keer heeft geslagen en dat hij hem heeft geduwd. Uit het dossier vloeit echter niet voort dat [persoon 1] door deze handelingen pijn dan wel letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus niet worden bewezen dat verdachte zich, door het verrichten van deze handelingen, schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Volgens [persoon 2] heeft verdachte [persoon 1] ook een keer in de box gegooid. De rechtbank acht de enkele verklaring van [persoon 2] onvoldoende om dit aan te nemen, nog daargelaten dat ook ten aanzien van deze handeling niet duidelijk is of [persoon 1] daardoor pijn of letsel heeft gehad.
Blauwe plekken op de wangen van [persoon 1] in februari 2018

[persoon 1] had begin februari 2018 blauwe plekken op de beide wangen. Verdachte heeft hierover op zitting verklaard dat deze zijn ontstaan toen hij op 2 februari 2018 op [persoon 1] paste en even niet oplette, omdat hij met zijn telefoon bezig was. [persoon 1] is toen, volgens verdachte, twee keer van de bank gevallen. Eén keer van de achterzijde van de bank en later nog één keer van de zijkant. De opa van [persoon 1] vermoedde dat geen sprake was van ‘ongelukjes’ en heeft foto’s gemaakt van de blauwe plekken en deze vervolgens naar de huisarts gestuurd. Ook [persoon 4] , een vriendin van de moeder van [persoon 1] , heeft verklaard de blauwe plekken op de beide wangen van [persoon 1] te hebben gezien en aan de moeder van [persoon 1] te hebben aangegeven dat zij verdachte niet meer alleen moest laten met haar kind. De rechtbank acht op basis van het voorgaande aannemelijk dat [persoon 1] de blauwe plekken op zijn beide wangen heeft opgelopen in het bijzijn van verdachte. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte de blauwe plekken opzettelijk bij [persoon 1] heeft veroorzaakt. Daarbij is van belang dat het dossier, naast de verklaring van verdachte, geen concrete informatie bevat over het ontstaan van dit letsel. Er is immers geen duidelijke foto van het letsel en het letsel is niet door een arts beoordeeld. De huisarts van [persoon 1] heeft verklaard dat hij de foto’s te vaag vond om er echt iets uit op te maken. De rechtbank is dus van oordeel dat verdachte ten aanzien van deze handelingen dient te worden vrijgesproken omdat op basis van het dossier het door verdachte genoemde scenario onvoldoende kan worden weerlegd.
Blauwe plekken op de rug van [persoon 1] op 13 juni 2018

Het Rode Kruis Ziekenhuis heeft op 13 juni 2018 blauwe plekken op de rug van [persoon 1] geconstateerd. Volgens de deskundige Karst (forensisch arts bij het NFI en hierna: Karst) zijn deze blauwe plekken enkele uren tot twee weken oud. Verdachte heeft in de twee weken vóór 13 juni 2018 niet op [persoon 1] gepast. Volgens verdachte is het echter mogelijk dat de blauwe plekken op 13 juni 2018 door zijn toedoen zijn veroorzaakt. Verdachte geeft aan dat hij deze blauwe plekken zou kunnen hebben veroorzaakt toen hij [persoon 1] onder de te hete douche vandaan haalde, waarbij hij in paniek was en snel wilde handelen en daarbij mogelijk enige kracht heeft gebruikt. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de blauwe plekken op deze manier zijn veroorzaakt. Het lijkt er immers op dat verdachte naar een verklaring voor deze blauwe plekken zoekt als hij hiermee wordt geconfronteerd terwijl hij het in feite niet weet. Omdat niet exact is vast te stellen wanneer deze blauwe plekken zijn ontstaan, is het naar het oordeel van de rechtbank evenmin vast te stellen dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Overige blauwe plekken en huidverkleuringen

Verschillende getuigen hebben verklaard over blauwe plekken die zij op enig moment bij [persoon 1] hebben waargenomen. Ook zijn in de telefoon van [persoon 2] foto’s van [persoon 1] aangetroffen met blauwe plekken en andere huidverkleuringen, waarvan sommige gelet op de datum waarop de foto’s zijn genomen, overeen lijken te komen met het letsel waarover getuigen verklaren. Geen van de getuigen heeft echter waargenomen dat deze door verdachte zijn toegebracht. Wel verklaren sommigen van hen, zoals bijvoorbeeld oppas [persoon 4] , dat [persoon 2] over de blauwe plekken verklaarde dat ze zouden zijn ontstaan toen verdachte op [persoon 1] paste. Op grond hiervan kan echter niet worden bewezen dat verdachte deze blauwe plekken heeft veroorzaakt, laat staan dat hij dit opzettelijk heeft gedaan.
In een WhatsAppbericht van [persoon 2] aan een vriendin van 16 april 2018 zegt [persoon 2] dat verdachte met [persoon 1] in een speeltuin is geweest en dat [persoon 1] blauwe plekken op zijn billen heeft opgelopen omdat hij zou zijn gevallen. Uit de digitale agenda in de telefoon van [persoon 2] en de telefoongegevens van verdachte blijkt echter niet dat verdachte op of kort vóór 16 april 2018 op [persoon 1] heeft gepast. Reeds hierom kan niet worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het ontstaan van dit letsel, laat staan dat hij hier opzet op heeft gehad.

Brandwonden

Tot slot de brandwonden. Verdachte heeft hier meermaals uitgebreid over verklaard. Deze verklaringen komen samengevat op het volgende neer. Verdachte was op 13 juni 2018 aan het oppassen op [persoon 1] . Op een gegeven moment wilde hij [persoon 1] onder de douche afspoelen omdat [persoon 1] had overgegeven en, volgens verdachte, stonk. Verdachte heeft [persoon 1] toen in het badje onder de douche gezet, heeft de douche (warm meer dan koud) aangezet waarbij de douchekop in de houder aan de douchestang bleef hangen, heeft even kort gevoeld of de temperatuur goed was – wat zo was volgens verdachte – heeft zich vervolgens omgedraaid en is zeep gaan zoeken, heeft [persoon 1] horen piepen maar is daar niet op aangeslagen en pas toen hij geschreeuw van [persoon 1] hoorde, is hij naar [persoon 1] toegegaan en toen zag hij tot zijn grote schrik stoom van het water afkomen waarna hij hem vervolgens snel onder de douche vandaan heeft gehaald.
De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat sprake is geweest van een ongeluk niet geloofwaardig. De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte [persoon 1] in een vaste positie stevig heeft vastgehouden en vervolgens de hete douchestraal opzettelijk geconcentreerd op zijn linkerschouder heeft gericht. Vervolgens heeft verdachte [persoon 1] in een andere positie (vermoedelijk) zittend op knieën stevig vastgehouden en de hete douchestraal opzettelijk geconcentreerd op de achterkant van het rechterbeen gericht, aldus de officier van justitie. Op grond hiervan acht zij bewezen dat verdachte met vol opzet de brandwonden heeft toegebracht. Zij baseert dit met name op de bevindingen van de deskundige Karst.

De rechtbank komt op basis van de bevindingen van Karst niet tot dezelfde conclusie als de officier van justitie. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de bevindingen van Karst weliswaar een belangrijke rol spelen bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de toedracht zoals door verdachte geschetst, maar dat op basis van alleen de bevindingen van Karst niet kan worden vastgesteld hoe de brandwonden precies zijn ontstaan. De verklaring van verdachte staat op zich, er waren geen andere personen aanwezig die hiervan getuige zijn geweest en het dossier bevat voor het overige geen bewijsmiddelen op grond waarvan die precieze toedracht kan worden vastgesteld.

De rechtbank kan de officier van justitie alleen al om die reden niet volgen in haar standpunt over de – zeer specifieke - wijze waarop volgens haar de brandwonden bij [persoon 1] zouden zijn ontstaan. En anders dan de officier van justitie, vindt de rechtbank de bevindingen van Karst onvoldoende om de verklaring van verdachte dat sprake is van een ongeluk, zonder meer te verwerpen. In dat verband merkt de rechtbank het volgende op.

Karst zet in zijn bevindingen de waarschijnlijkheid van een accidentele toedracht af tegen de waarschijnlijkheid dat sprake is van toegebracht letsel. Hij doet dit zowel voor de afzonderlijke geconstateerde letsels, als voor de letsels in samenhang bezien. Omdat de rechtbank, zoals eerder overwogen, verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk houdt voor de botbreuken en de overige door Karst besproken letsels, beperkt de rechtbank zich tot de conclusie van Karst over de brandwonden.

In zijn rapport van 8 januari 2019 concludeert Karst dat het op basis van de ernst en de locatie van de brandwonden is als sprake is geweest van toegebracht letsel, dan als sprake is geweest van een accidentele toedracht. Daarbij beschrijft Karst dat de locatie en de ernst van de brandwonden niet passen bij het afspoelen van [persoon 1] zoals aangegeven door verdachte, uitgaande van de temperatuurmetingen en de gestelde afstand tussen de douchekop en [persoon 1] . Mocht sprake zijn van langzaam warmer wordend water dan mag worden verwacht dat een kind van de leeftijd van [persoon 1] in staat moet zijn geweest om de warmtebron te mijden door weg te draaien of uit het badje te stappen.

Bij de rechter-commissaris heeft Karst op 2 juli 2019 verklaard dat de verspreiding van de locatie van de brandwonden suggereert dat er twee afzonderlijke contactmomenten moeten zijn geweest wat vaker bij toegebracht letsel voorkomt dan bij toevallig ontstane brandwonden. Het betreft twee afzonderlijke contactmomenten, die mogelijk gelijktijdig hebben plaatsgevonden maar dan niet door één handeling met één douchekop. Het is niet mogelijk om zonder duidelijke wisseling van positie van kind en/of douchekop beide letsels te verklaren. Nu er op de linkerschouder en op de achterkant van het rechterbovenbeen vrij geconcentreerde brandwonden zijn, lijkt dat erop te duiden dat [persoon 1] zich niet heeft verplaatst. Dan zou je namelijk tussen die twee locaties meer plekken met verwondingen verwachten. De oppervlakte met eerstegraads brandwonden is bescheiden. Als het accidenteel letsel was geweest dan had Karst een groter gebied aan eerstegraads brandwonden verwacht op het lichaam van [persoon 1] . Bij het ontstaan van de brandwond op het bovenbeen moet de knik in de knieën van [persoon 1] minimaal 90 graden zijn geweest gelet op de uitsparing in de knieholtes. Hoe meer het water direct van boven komt, hoe groter de hoek in de knieën kan zijn geweest om tot een uitsparing in de knieholtes te komen.

De conclusie ten aanzien van de brandwonden, dat het is als deze zijn toegebracht dan als sprake is geweest van een ongeluk, betreft de één na laagste zekerheidsgraad (bewijskracht van 10-100), en laat naar het oordeel van de rechtbank te veel ruimte open voor de mogelijkheid dat sprake is geweest van een ongeluk. Daarbij komt dat de rechtbank nog veel vragen heeft die het dossier onbeantwoord heeft gelaten en waarover ook de deskundigenrapportage geen duidelijkheid geeft. Vragen zoals: Hoe breed was de douchestraal? Kon [persoon 1] de douchestraal (deels) ontwijken in het badje door weg te draaien? Was [persoon 1] , die nog niet goed zelfstandig kon lopen, wel in staat om zelf uit het badje te stappen, zoals Karst opmerkt? Kan de brandwond op het rechterbovenbeen zijn toegebracht doordat [persoon 1] even in kruiphouding in het badje zat of uit het badje probeerde te kruipen? Het antwoord op die vragen kan een rol spelen bij de verificatie of falsificatie van de door verdachte geschetste toedracht.

Overige stukken

De rechtbank ziet in het dossier voor het overige geen ondersteunend bewijs voor de stelling dat verdachte met opzet [persoon 1] letsel heeft toegebracht. Ten aanzien van de door getuige [persoon 3] afgelegde verklaringen, die als belastend voor verdachte kunnen worden aangemerkt, geldt dat deze onvoldoende bruikbaar zijn voor het bewijs. De rechtbank verwijst in dit kader naar het rapport van deskundige J. van der Sleen. Van der Sleen concludeert ten aanzien van de verklaring van [persoon 3] afgelegd op 19 juli 2018 dat de betrouwbaarheid daarvan niet meer is vast te stellen en dat alleen de waarde van dat deel van de verklaring van [persoon 3] is te bepalen, dat wordt ondersteund door feitelijke informatie uit WhatsAppgesprekken tussen [persoon 3] en verdachte. Ten aanzien van de verklaring die [persoon 3] op 14 augustus 2018 heeft afgelegd, concludeert Van der Sleen dat er reden is om te veronderstellen dat sprake was van beïnvloedbaarheid van [persoon 3] en dat zij van de verhoorders geen ruimte kreeg om haar eerdere verklaring toe te lichten.
Voor wat betreft de feitelijke informatie uit WhatsAppgesprekken blijkt uit het dossier dat verdachte [persoon 3] meermaals berichten en/of foto’s heeft gestuurd die betrekking hebben op [persoon 1] . Zo heeft verdachte op 23 september 2017 via WhatsApp een foto van het [persoon 1] naar [persoon 3] gestuurd met de tekst: ‘ […] ’ […]. Op 18 december 2017 heeft verdachte [persoon 3] wederom een foto van [persoon 1] gestuurd, ditmaal met de tekst: ‘’ De rechtbank stelt voorop dat voornoemde berichtgeving niet getuigt van empathie, respect en genegenheid jegens [persoon 1] . Uit deze berichten kan echter niet het opzet of voorwaardelijk opzet worden afgeleid op het toebrengen van de brandwonden of ander letsel aan [persoon 1] .

Dat geldt eveneens voor de overige negatieve berichtgeving van verdachte over [persoon 1] aan diverse vrienden/vriendinnen. Daarmee wordt onder meer gedoeld op het bericht dat verdachte op 2 mei 2018 stuurde aan zijn vriend [persoon 5] over [persoon 2] en [persoon 1] : ‘’ en het bericht dat verdachte op 2 juli 2018 stuurde aan een contact, ‘ [persoon 6] ’, over [persoon 2] en [persoon 1] : ‘[…] ’.

Uit het dossier blijkt voorts dat op de telefoon van verdachte een filmpje is aangetroffen waarop is te zien dat verdachte [persoon 1] met behulp van een ‘screammasker’ twee keer aan het schrikken maakt. Verdachte noemde dit ter zitting een ‘laffe daad’. De rechtbank sluit zich aan bij die kwalificatie en vindt dit laakbaar gedrag. Ook hieruit volgt echter niet dat verdachte opzet had op het toebrengen van letsel aan [persoon 1] .

Op grond van al het voorgaande wordt verdachte vrijgesproken van feit 1 en feit 2.

4


Namens de benadeelde partij [persoon 1] wordt € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij zal in deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Het bevel tot voorlopige hechtenis is reeds op 26 augustus 2019 opgeheven. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,mrs. A.A Spoel en C.C.M. Oude Hengel, rechters,in tegenwoordigheid van mrs. I. Struijkenkamp en L.S. Janse van Mantgem, griffiersen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2019.
[...]

5. Beslissing