Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:5940

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:5940, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/030268-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/030268-19 (Promis)

Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:5940:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/030268-19 (Promis)

Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat de raadsman van verdachte, mr. R. Lonterman, naar voren heeft gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij door mr. M.M. de Boer is aangevoerd.
2

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [naam aangeefster] , van wie hij, verdachte, wist dat die [naam aangeefster] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , immers heeft hij, verdachte zijn penis in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht / geduwd.

3

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. Op grond van de verklaring van aangeefster, het in haar vagina aangetroffen DNA-materiaal van verdachte en het geconstateerde letsel kan worden bewezen dat verdachte met zijn penis de vagina van aangeefster is binnengedrongen. Aangeefster was op dat moment dermate dronken dat zij niet meer in staat was haar wil te bepalen en verkeerde dus in staat van verminderd bewustzijn. Verdachte wist dat ook.

3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verdediging betwist het seksueel binnendringen door verdachte niet, maar op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat aangeefster op dat moment in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Verdachte en aangeefster waren weliswaar beide flink onder invloed van alcohol, maar nog wel in staat om hun wil te bepalen. De seksuele handelingen hebben met wederzijdse instemming plaatsgevonden.

3.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. De rechtbank stelt vast dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster, waaronder het met zijn penis in haar vagina gaan. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt ondersteund door onderzoek van het Nederlandse Forensisch Instituut, waaruit kort gezegd blijkt dat DNA-materiaal van (hoogst waarschijnlijk) verdachte is aangetroffen in de vagina van aangeefster.

De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of aangeefster op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en zo ja, of verdachte dat wist.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 243 Sr blijkt dat bij ‘een staat van verminderd bewustzijn’ gedacht kan worden aan situaties waarin de persoon zich in een roes bevindt door het innemen van alcohol of drugs. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en helemaal van de wereld zijn in, waarbij van iemand in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander.

Aangeefster heeft verklaard dat zij die avond zeven shots, een wodka Red Bull en tequila heeft gedronken en dat het op een gegeven moment mistig in haar hoofd werd. Na de laatste club is zij met verdachte gaan lopen. Het volgende dat zij zich herinnert is dat zij in zijn appartement waren, dat verdachte boven op haar lag en dat hij haar pijn deed doordat hij met zijn penis haar vagina penetreerde. Aangeefster heeft verdachte gezegd dat het pijn deed, maar wat zij verder heeft gedaan weet zij niet meer. Ze weet niet meer hoe de situatie is gestopt. Het eerste dat zij zich daarna kan herinneren, is dat zij wakker werd in het ziekenhuis.

Verdachte heeft verklaard dat aangeefster die avond meer dronken leek dan de andere deelnemers aan de kroegentocht en dat zij er ook een stuk slechter uitzag dan de anderen. Ook heeft verdachte in zijn videoboodschap, die op de zitting is afgespeeld en waarvan de schriftelijke uitwerking in het dossier zit, verklaard dat zij die avond allebei “” waren.

Uit het Toxicologisch onderzoek van het NFI blijkt verder dat de hoeveelheid alcohol in het bloed van aangeefster op het moment van afname 1,9 mg/ml (promille) bedroeg, maar dat er tussen de gebeurtenis en de bloedafname zes uur waren verstreken. In deze periode zou de concentratie alcohol in het bloed zijn afgenomen, zodat de concentratie alcohol ten tijde van de seksuele handelingen hoger zou zijn geweest. De concentratie alcohol kan volgens het rapport op dat moment hebben gelegen tussen 2,5 en 3,4 mg/ml (promille). Bij deze concentratie alcohol kan, bij een gemiddelde gebruiker, sprake zijn van een significante verslechtering van lichaamsfuncties, zoals niet zelfstandig kunnen staan en onsamenhangende spraak, een ernstige verstoring van de waarneming en het beoordelingsvermogen en mogelijk van bewustzijnsverlies. Dat in dit geval (ten minste) sprake is van een staat van verminderd bewustzijn is evident, zoals ook de raadsman heeft gesteld.

De raadsman heeft echter aangevoerd dat voornoemd rapport er ten onrechte van uitgaat dat er tussen het moment van bloedafname en het incident zes uur zijn verstreken, zodat onterecht de conclusie is getrokken dat ten tijde van de seksuele gemeenschap sprake is geweest van een alcoholpromillage van 2,5 tot 3,4 mg/ml.

De rechtbank overweegt daartoe dat het alcoholpromillage in het bloed van aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen in ieder geval niet láger is geweest dan 1,9 mg/ml. Blijkens het rapport is bij deze concentratie alcohol, bij een gemiddelde gebruiker, sprake van duidelijk dronkenschap, gepaard gaande met een significante verslechtering van lichaamsfuncties, misselijkheid en braken en gedrags- en stemmingsveranderingen. Deze symptomen van dronkenschap komen overeen met de staat waarin aangeefster blijkens het dossier verkeerde op het moment dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat op een gegeven moment de stemming volkomen omsloeg, dat aangeefster beroerd werd en begon over te geven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank – tegen de achtergrond van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de wetsgeschiedenis van artikel 243 Sr – van oordeel dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde toen verdachte seks met haar had. Omdat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij ook wist dat aangeefster dronken was, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte wist dat aangeefster op dat moment in staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

4

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bewezen dat verdachte

op 10 december 2017 te Amsterdam met [naam aangeefster] , van wie verdachte wist dat die [naam aangeefster] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster] , immers heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [naam aangeefster] gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is in vergelijking tot straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft seks gehad met een dronken meisje, terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Hij heeft daarmee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Slachtoffers van zulke feiten ondervinden vaak langdurig psychisch nadelige gevolgen. Dat geldt ook voor het slachtoffer in deze zaak, zoals blijkt uit wat haar advocaat op de zitting naar voren heeft gebracht en de toelichting op de gevorderde immateriële schadevergoeding. De gevolgen voor haar zijn duidelijk groot en komen hierna bij de behandeling van de vordering tot schadevergoeding nog verder aan de orde.

Bij de strafoplegging kijkt de rechtbank niet alleen naar de gevolgen voor het slachtoffer, maar ook naar de specifieke omstandigheden in deze zaak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank vindt een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist hier niet op zijn plaats. Alhoewel het slachtoffer meermaals heeft verklaard verkracht te zijn, wordt verdachte daar juridisch gezien niet van beschuldigd en ook niet voor veroordeeld. Voor een verkrachting in de juridische betekenis is dwang vereist. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen om seks met hem te hebben. De wetgever heeft het seksueel binnendringen in de zin van artikel 243 Sr minder ernstig geacht dan verkrachting, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum. Bovendien zijn ook binnen artikel 243 Sr verschillende gradaties mogelijk, uiteenlopend van seks met een iemand die volledig bewusteloos is tot, zoals in deze zaak, seks met iemand die in staat van verminderd bewustzijn is door drankgebruik. De rechtbank ziet bovendien geen aanknopingspunten in het dossier dat verdachte het slachtoffer dronken zou hebben gevoerd om seks met haar te hebben. Uit het dossier ontstaat eerder een beeld van twee mensen die allebei te veel hebben gedronken en waartussen eerder op de avond een wederzijdse aantrekkingskracht lijkt te zijn geweest. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank wel voorzichter moeten zijn, omdat hij wist dat hij met een meisje te maken had dat een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had gedronken. Verdachte heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid die zich voordeed en de staat waarin het slachtoffer verkeerde, zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de mogelijke consequenties van zijn handelen.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de maximale duur van 240 uur en, gelet op het taakstrafverbod van artikel 22b Sr, één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

8

8.1.
De vordering

De benadeelde partij vordert een bedrag van in totaal € 16.424,00 aan schadevergoeding, bestaande uit € 1.424,00 aan materiële en € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering tot materiële schadevergoeding bestaat uit:

3

colA

colB

colC


334,00

reiskosten in Engeland


1.035,00

reis- en verblijfkosten in Nederland voor het bijwonen van de zitting;


55,00

kosten voor het opvragen van medische stukken.

8.2.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade helemaal kan worden toegewezen en dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. Als de rechtbank daar niet in meegaat moet de vordering worden gematigd. Voor de gevorderde reiskosten in verband met neurologisch onderzoek en het maken van een EEG geldt dat dit geen rechtstreekse schade is en niet voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde reis- en verblijfkosten in Nederland kunnen worden toegewezen voor één overnachting en de daadwerkelijk gemaakte verblijfskosten.

8.4.
Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.
Materiële schadevergoeding

Reis- en verblijfkosten (totaal € 1.369,00)

De gevorderde reiskosten in Engeland in verband met neurologisch onderzoek en het maken van een EEG (bijlage 5, punt 12 en 13) zijn geen rechtstreekse schade en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
De gevorderde reiskosten van en naar Bristol Airport in verband met het bijwonen van de zitting (bijlage 5, punt 14 en 15) en de overige reis- en verblijfkosten om de zitting bij te wonen, zijn geen kosten die rechtstreeks zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. Deze kosten kunnen in aanmerking komen als proceskosten, maar alleen als de benadeelde in persoon procedeert. De benadeelde procedeert met behulp van een advocaat, zodat deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking komen. (Zie ECLI:NL:HR:2015:1600 en ECLI:NL:GHARL:2018:7780). De vordering zal in zoverre worden afgewezen.

De vordering van de resterende reiskosten in Engeland zal worden toegewezen tot een bedrag van € 259,74, met de wettelijke rente, aangezien dit deel van de vordering niet is betwist.

Kosten medische stukken

De vordering ter vergoeding van gemaakte kosten voor het laten opmaken van een medische verklaring is niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering op dit punt voldoende onderbouwd en zijn deze kosten een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De vordering zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 55,00 met de wettelijke rente.
8.4.2.
Immateriële schadevergoeding

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, omdat er een ernstige inbreuk is gepleegd op de lichamelijke integriteit van de benadeelde en zij als gevolg van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt voorop dat het moeilijk is om (psychisch) leed op een geldbedrag te waarderen. Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank de volgende aspecten in aanmerking genomen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt welke psychische gevolgen het bewezenverklaarde voor de benadeelde heeft gehad, zowel tijdens het feit (pijn/stress), kort na het feit tot een maand na het feit en verder de klachten die zij op dit moment nog steeds ervaart. Zo heeft de benadeelde nog steeds last van flashbacks, nachtmerries, slapeloosheid en angstklachten. Ook wordt zij sinds december 2017 vanuit diverse instanties begeleid en gebruikt zij sinds maart 2018 antidepressiva. Het gebeurde heeft veel impact gehad op het leven van benadeelde. Het is een traumatische ervaring geweest, waarvan zij nog dagelijks de gevolgen ervaart. De rechtbank kan niet vaststellen dat de neurologische problemen van de benadeelde zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde. Die schade neemt de rechtbank dus niet mee.

Op grond van de gevolgen die door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op tenminste € 7.500,00.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4.3.
De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij [naam aangeefster] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22b, 22c, 22d, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

10


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat die in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een , bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van , met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.

Wijst de vordering toe € 7.814,74 (zevenduizend achthonderdveertien euro en vierenzeventig cent)
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam aangeefster] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2017 tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam aangeefster] aan de Staat te betalen , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2017 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, voorzitter,mrs. J. Huber en G.D. Kleijne, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C. de Bruin, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 augustus 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[...]

[...] [...]
5

colA

colB

colC

colD

colE

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

3

colA

colB

colC

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

2

colA

colB

[...]

[...]

[...]

[...]