Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:5830

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:5830, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/095370-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/095370-19

Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:5830:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/095370-19

Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .
1

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van de Vliet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, naar voren hebben gebracht.

2

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich op 17 april 2019 heeft schuldig gemaakt aan

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

-

uitvoer van 287,1 kilogram Crystal Meth (feit 1 primair);

poging tot uitvoer van 287,1 kilogram Crystal Meth (feit 1 subsidiair);

het voorhanden hebben van 287,1 kilogram Crystal Meth (feit 2);

het witwassen van een geldbedrag van € 15.000,- (feit 3);

het in voorraad hebben van 18,8 kilogram ketamine, zonder registratie (feit 4).

3

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feiten 2, 3 en 4.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte is gebruikt als zogenaamde ‘katvanger’. De verklaring van verdachte hierover wordt ondersteund door het dossier, met name de WhatsApp gesprekken tussen ‘ [verdachte] ’ en [naam 1] . Uit deze gesprekken volgt dat ‘ [verdachte] ’ (verdachte) wordt aangestuurd door ‘ [naam 1] ’. Ook lijkt uit deze gesprekken te volgen dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] – in ieder geval in 2017 – ook door iemand anders dan verdachte werd gebruikt, namelijk door een persoon die zichzelf ‘ [naam 2] ’ noemt. Ook blijkt uit het dossier dat anderen dan verdachte bestellingen hebben geplaatst. Zo heeft dhr. [naam 3] van [naam B.V.] verklaard dat op 9 april 2019 dozen zijn geleverd, die zijn besteld door iemand die slecht Nederlands spreekt. Verdachte spreekt vloeiend Nederlands.
Verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen, nu geen sprake was van een gelijkwaardige rol van verdachte. Verdachte werd aangestuurd door anderen, aldus de raadsvrouw. Verdachte was op de hoogte van vijf eerdere zendingen, maar dat waren legale zendingen in 2017. Bij de zending van 19 april 2019 heeft verdachte enkel de pallets in de vrachtwagen geladen. Hij wist niet dat er Crystal Meth in de dozen zat. Verdachte heeft de dozen niet ingepakt en de zending niet klaargemaakt. Het transport is niet geregeld door verdachte. Er was dus geen nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft alleen zijn mobiele telefoons, zijn naam en zijn bedrijf beschikbaar gesteld. De rol van verdachte past eerder bij de rol van een medeplichtige, maar dat is niet ten laste gelegd.

Subsidiair moet vrijspraak volgen, omdat verdachte geen opzet had op de uitvoer van Crystal Meth. Verdachte dacht dat het alleen om ketamine ging. Van voorwaardelijk opzet kan ook geen sprake zijn, nu van verdachte niet kan worden verwacht dat hij de verpakkingen na zou gaan en de drugs zelf zou testen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feiten 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3
Het oordeel van de rechtbank


Feiten en omstandigheden

Verdachte is oprichter en enig aandeelhouder van een bedrijf genaamd M&A Frozen Foods B.V. Op 17 april 2019 bood verdachte, namens zijn bedrijf, een zending voor transport aan bij [naam transportbedrijf] (hierna: [naam transportbedrijf] ), met als bestemming een adres in het Verenigd Koninkrijk. [naam transportbedrijf] vertrouwde de zending niet en maakte hiervan een melding bij medewerkers van de Douane. Zij controleerden de zending en troffen – tussen de (bevroren) kuikenbouten – vermoedelijk verdovende middelen aan. De FIOD nam de zending in beslag. Zij onderzocht de zending en constateerde dat de zending 287,1 kilogram methamphetamine en 18,8 kilogram ketamine bevatte. Verdachte en zijn bedrijf beschikten niet over de vereiste registratie om ketamine legaal uit te voeren.
Op 18 april 2019 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte. Daarbij werd € 15.000,- contant geld aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feiten 1 en 2

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft het volgende verklaard over zijn rol. Begin 2017 is hij benaderd om een bedrijf op te richten. Dit bedrijf zou worden gebruikt voor de uitvoer van ketamine. Verdachte zou daarvoor ook betaald krijgen. Verdachte wist dat het niet legaal was, maar zat financieel aan de grond. Hij stemde daarom in. Op 5 april 2017 richtte hij M&A Frozen Foods B.V. op en opende een zakelijke rekening. De pasjes en inloggegevens van die rekening heeft hij afgegeven aan anderen. Op 1 mei 2017 huurde hij een loods. In diezelfde maand werden de eerste vijf zendingen verstuurd. Het ging om testzendingen, legale zendingen met alleen kip. Verdachte moest daarbij aanwezig zijn. Hij moest zijn gezicht laten zien als eigenaar van het bedrijf. Na deze eerste vijf zendingen heeft hij niets meer vernomen van de mannen die hem eerder hadden benaderd. Hij wist dan ook niet dat er daarna nog veel meer zendingen zijn verstuurd. Daar kwam hij pas achter bij het lezen van het dossier. Hij werd overal buiten gehouden. Pas in april 2019 werd hij weer benaderd met een opdracht. Hij is toen – op 17 april 2019 – naar de loods gegaan. Daar kreeg hij te horen dat hij naar boven moest gaan en moest wachten tot de zending klaar was om te worden ingeladen. Hij heeft zelf niets ingepakt. Hij heeft alleen de pallets in de vrachtwagen geladen toen de zending klaar was voor transport. Verder heeft verdachte nog verklaard dat de € 15.000,- die bij hem thuis is gevonden bestemd was om betalingen voor het bedrijf van te doen.
Medeplegen?

De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de uitvoer en het voorhanden hebben van de middelen die op 17 april 2019 in de loods van zijn bedrijf zijn aangetroffen. In het geval van medeplegen moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Uit die concrete omstandigheden moet blijken dat de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is.
De verklaring van verdachte over zijn eigen rol, zoals zojuist omschreven, speelt een belangrijke rol in het bewijs en duidt naar het oordeel van de rechtbank op medeplegen. Verdachte is sinds 2017 niet alleen de enig aandeelhouder en bestuurder van M&A Frozen Foods B.V., maar hij heeft zich na de oprichting van dat bedrijf ook, samen met anderen, bezig gehouden met het betalen van rekeningen en met transporten die door dat bedrijf zijn gedaan. Wat zich tussen de oprichting van het bedrijf in 2017 en het aantreffen van de verdovende middelen op 17 april 2019 precies rondom het bedrijf heeft afgespeeld, volgt niet uit het dossier. Wel volgt daaruit dat er eerder kip en dozen zijn gekocht door het bedrijf, en ook dat er (vele) eerdere transporten naar het buitenland hebben plaatsgevonden met [naam transportbedrijf] . Anders dan de verdachte verklaart, gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte in de gehele periode na de oprichting in 2017 betrokken is gebleven bij het bedrijf, samen met anderen.
Op 17 april 2019 blijkt er vervolgens een transport te worden aangeboden voor verzending naar het buitenland met [naam transportbedrijf] dat opnieuw bestaat uit kip, maar waarbij ook een grote hoeveelheid verdovende middelen is gevoegd. Niet alleen is verdachte op 17 april 2019 nog altijd betrokken bij het bedrijf, en heeft hij een geldbedrag van € 15.000,- thuis liggen om ‘betalingen voor het bedrijf van te doen’, hij is ook degene die op 17 april 2019 in de loods aanwezig is en de pallets aanbiedt aan de chauffeur . De chauffeur die de zending van 17 april 2019 heeft opgehaald heeft verklaard dat verdachte haar buiten zag staan, naar haar toe kwam, haar vertelde dat het nog een half uur zou duren en haar iets te drinken aanbood. Zij zag verdachte vervolgens de loods in gaan en de deur sluiten. Na drie kwartier zette verdachte de pallets buiten. Zij heeft alleen verdachte gezien, geen andere personen. Verdachte had bij zijn aanhouding 3 telefoons op zak.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de materiële bijdrage van verdachte aan het delict van een zodanig gewicht is geweest dat van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten kan worden gesproken. De rechtbank vindt daarmee bewezen dat hij als medepleger heeft te gelden.

Opzet op uitvoer Crystal Meth?

De vraag die vervolgens voorligt, is of kan worden gezegd dat verdachte ook (voorwaardelijk) opzet had op de uitvoer van Crystal Meth. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de uitvoer van Crystal Meth – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Bij beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Uit het dossier blijkt dat verdachte is gevraagd om – tegen vergoeding – mee te werken aan de illegale uitvoer van ketamine. Verdachte heeft ingestemd met dit verzoek en zich daarmee bewust ingelaten met criminele activiteiten gericht op het uitvoeren van verdovende middelen.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet langer van belang is dat verdachte niet precies wist hoeveel en wat er werd uitgevoerd. Verdachte heeft met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er ook andere niet-legale middelen zouden worden uitgevoerd, zoals Crystal Meth. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het uitvoeren van Chrystal Meth en het aanwezig hebben daarvan.

Uitvoer?

Uit artikel 1 lid 5 van de Opiumwet volgt dat onder ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ van middelen, bedoeld in artikel 2 en 3, is begrepen het ten vervoer aanbieden van goederen waarin die middelen verpakt zijn. Nu hiervan sprake is geweest, vindt de rechtbank de zogenaamde verlengde uitvoer bewezen.
Conclusie

De rechtbank vindt feit 1 primair en feit 2 bewezen.
Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het witwassen feit 3

Verdachte heeft verklaard dat hij het onder hem aangetroffen geldbedrag (€ 15.000,-) heeft ontvangen als vergoeding voor zijn werkzaamheden en om de rekeningen van het bedrijf mee te betalen.

De rechtbank is van oordeel dat het gehele aangetroffen geldbedrag samenhangt met de criminele activiteiten waarmee verdachte zich bezighield. Verdachte wist dat ook. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 4

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, vindt de rechtbank bewezen dat verdachte 18,8 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad en heeft afgeleverd, zonder dat hij daarvoor een registratie had.

4

1.
- deze hoeveelheid Crystal Meth (Methamfetamine) verhuld en verpakt onder een hoeveelheid kuikenbouten en- vervolgens deze verhulde en verpakte hoeveelheid Crystal Meth (Methamfetamine) voor transport aangeboden met als bestemming een adres in het Verenigd Koninkrijk;
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

primairop 17 april 2019 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk ten vervoer en uitvoer heeft aangeboden 287,1 kilogram Crystal Meth (Methamfetamine), immers hebben hij en zijn mededaders
2.op 17 april 2019 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad, 287,1 kilogram Crystal Meth (Methamfetamine);
3.op 17 april 2019, te Amsterdam een geldbedrag van in totaal 15.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit eigen misdrijf;
4.op 17 april 2019 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, zonder registratie een hoeveelheid van 18,8 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad en heeft afgeleverd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

overwegingen

7

7.1
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te hoog is, gelet op de beperkte rol van verdachte. Indien de rechtbank zal vrijspreken van feiten 1 en 2, heeft de raadsvrouw verzocht een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest op te leggen. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van alle feiten komt, heeft zij verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar op te leggen, waarvan 1,5 jaar voorwaardelijk, met daarbij de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. Indien de rechtbank een gevangenisstraf van 4 jaar zal opleggen, heeft de raadsvrouw verzocht om 1,5 jaar daarvan voorwaardelijk op te leggen in verband met de voorwaardelijke invrijheidsstelling. De raadsvrouw heeft verder nog verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdacht lijdt aan PTSS en heeft psychische problemen. Ook heeft verdachte financiële problemen. Verdachte en zijn gezin worden ten slotte nog steeds bedreigd door de mensen die misbruik van verdachte hebben gemaakt.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer en het voorhanden hebben van 287,1 kilogram Crystal Meth (methamfetamine) , het eenvoudig witwassen van € 15.000 en het in voorraad hebben en afleveren van 18,8 kilogram ketamine. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het gebruik ervan, onder andere door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs was dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen.Door zijn handelwijze heeft verdachte niet alleen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale netwerk van handel in verdovende middelen maar heeft hij daarvan ook zelf deel uitgemaakt.
Op deze ernstige feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van verdachte van 3 juli 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 5 jaar opleggen. De eis van de officier van justitie doet namelijk onvoldoende recht aan de aard en de ernst van de feiten. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor de uitvoer van harddrugs in de hoeveelheden als hier het geval, een gevangenisstraf van minimaal 60 maanden. Daarbij worden enkele strafverhogende omstandigheden genoemd, welke ook hier van toepassing zijn. De rechtbank houdt echter rekening met het reclasseringsadvies van 3 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het delict kampte met psychische problemen, er één transport op de tenlastelegging staat en verdachte first offender is. De rechtbank zal daarom volstaan met een gevangenisstraf van 60 maanden, ofwel 5 jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan een deel voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank denkt dat deze langdurige gevangenisstraf voldoende afschrikwekkende werking heeft om verdachte ervan te weerhouden het nog een keer te doen.

8

Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:

1. 15000 EUR(Omschrijving: goednr A.01.01.001/6064711_112592)
Verbeurdverklaring

Onder verdachte is een geldbedrag van € 15.000,- in beslag genomen. Dit geldbedrag behoort aan verdachte toe. Gebleken is dat dit geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf. Dit geld zal dan ook verbeurd worden verklaard.
9

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 56 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;op de artikel 38 van de Geneesmiddelenwet;op de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economisch delicten.
beslissing

10


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

eenvoudig witwassen;

ten aanzien van feit 4:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

1. 15000 EUR(Omschrijving: goednr A.01.01.001/6064711_112592)
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter,mrs. E.G.C. Groenendaal en E.G.M.M. van Gessel, rechtersin tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2019.