Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:5010

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 12-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:5010, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 99-000465-49


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
MEERVOUDIGE KAMER

VI-zaaknummer: 99-000465-49
BESLISSING OP DE

VORDERING EX ARTIKEL 15D

WETBOEK VAN STRAFRECHT

Beslissing op de vordering tot uitstel of achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak van
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,thans gedetineerd in de [naam PI] , [plaats PI] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:5010:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM
MEERVOUDIGE KAMER

VI-zaaknummer: 99-000465-49
BESLISSING OP DE

VORDERING EX ARTIKEL 15D

WETBOEK VAN STRAFRECHT

Beslissing op de vordering tot uitstel of achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak van
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,thans gedetineerd in de [naam PI] , [plaats PI] .
procesverloop

1

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 mei 2016 (parketnummer 23-004685-14) is aan [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2014 (parketnummer 23-002865-13) is aan [verdachte] een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Amsterdam van 29 maart 2011 is aan [verdachte] een gevangenisstraf van 15 dagen opgelegd.

De begindatum van de detentie van veroordeelde was 23 februari 2013Op grond van artikel 15 Sr geldt als datum van de v.i. 30 augustus 2021.
2

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 27 november 2018, ingekomen ter griffie op 27 november 2018, strekt ertoe dat de rechtbank de v.i. van [verdachte] achterwege zal laten. Daartoe is in de vordering vermeld dat gebleken is dat [verdachte] zich na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straffen ernstig heeft misdragen, nu hij heeft gepoogd om zich na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf daaraan te onttrekken.

3

[verdachte] is verschenen en heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Rotterdam.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie, mr. H. Hoekstra, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot het achterwege laten van de v.i. en de daarin vermelde argumenten. Het kan niet anders zijn dan dat [verdachte] bevrijd zou gaan worden uit de [naam PI] door middel van een helikopter. [verdachte] wist zelf van deze bevrijdingsactie en heeft hieraan actief meegewerkt.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat het Openbaar Ministerie de onderhavige procedure misbruikt omdat het zich kennelijk realiseert dat een succesvolle strafrechtelijke vervolging van [verdachte] geen haalbare kaart is. Daarmee omzeilt het Openbaar Ministerie het bewijsrecht en belangrijke verdedigingsrechten zoals die van toepassing zijn in een strafzaak. De rechtbank mag daar niet in meegaan en de vordering moet daarom worden afgewezen. Subsidiair moet de vordering worden afgewezen omdat geen van de limitatief in artikel 15d genoemde voorwaarden van toepassing is. Van een ernstige misdraging, als bedoeld in artikel 15d lid 1 sub b Sr, is evident geen sprake geweest. Evenmin kan worden vastgesteld dat [verdachte] heeft gepoogd om zich aan de tenuitvoerlegging van zijn straf te onttrekken, zoals opgenomen in artikel 15d lid 1 sub c Sr. Uit de stukken blijkt niet ondubbelzinnig dat de bevrijdingsactie betrekking had op [verdachte] . De in de vordering opgenomen argumenten treffen geen doel. [verdachte] en [naam 1] zijn vrienden van elkaar. Ondanks dat zij met elkaar hebben gebeld en [naam 1] bij [verdachte] in de PI op bezoek is geweest, is niet gebleken dat zij over een ontsnappingspoging hebben gesproken. Het staat niet vast dat de bij [verdachte] aangetroffen telefoon met nummer * [nummer] ook door [verdachte] is gebruikt en dat daarmee informatie is doorgegeven over de gang van zaken binnen de PI. Het kan bovendien niet worden vastgesteld dat de in de cel van [verdachte] aangetroffen plattegrond van de PI de basis is geweest voor de door [naam 2] gemaakte tekening. Het ligt veel meer voor de hand dat [naam 2] de informatie zelf van Google Maps heeft gehaald. Naast [verdachte] zijn na het gebeuren nog twee andere personen in isolatie geplaatst. Mogelijk was één van hen het te bevrijden subject. Ook uit het verslag van het gesprek tussen [verdachte] en de selectiefunctionaris kan geen rol van [verdachte] bij een ontsnappingspoging worden afgeleid. De rechtbank heeft in de vonnissen van de verdachten in 13Leyburn overwogen dat er geen uitvoeringshandelingen zijn gepleegd met betrekking tot de beoogde bevrijding van [verdachte] en dat aldus geen begin van uitvoering heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dat ook [verdachte] geen poging heeft gedaan om zich aan de tenuitvoerlegging van zijn straf te onttrekken. Ook indien [verdachte] wetenschap van een bevrijdingsactie zou hebben gehad, kan niet worden vastgesteld dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van wapens of van het plan om met geweld een helikopter te kapen. In aanmerking genomen de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling van 1 januari 2017, had een vordering daarom achterwege moeten blijven. Meer subsidiair acht de raadsman de verhouding tussen de door de rechtbank aan de verdachten in 13Leyburn opgelegde straffen en het gevorderde achterwege laten van de v.i. zodanig disproportioneel dat dit tot afwijzing van de vordering moet leiden. Meest subsidiair heeft de raadsman bepleit dat slechts een deel van v.i. achterwege wordt gelaten.
overwegingen

4

4.1.
Inleiding

De rechtbank constateert dat in de vordering zowel artikel 15d lid 1 sub b Sr (ernstig misdragen) als artikel 15d lid 1 sub c Sr (onttrekken aan straf, dan wel poging daartoe) worden genoemd als redenen om de v.i. achterwege te laten, en dat deze gronden in de formulering met elkaar zijn verweven. Uit de verdere onderbouwing van de schriftelijke vordering en de desgevraagd hierover verstrekte toelichting van de officier van justitie ter zitting, dient de vordering echter zo te worden gelezen dat de v.i. van [verdachte] achterwege moet worden gelaten omdat [verdachte] na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf heeft geprobeerd zich aan deze straf te onttrekken. De vordering heeft dan ook het oog op artikel 15d lid 1 sub c Sr. Bij de beoordeling van de vordering zal de rechtbank onder meer moeten vaststellen of [verdachte] op 11 oktober 2017 het te bevrijden subject was, en zo ja, of zijn handelen kan worden aangemerkt als onttrekken of een poging tot onttrekken.
4.2.
Vordering ex artikel 15d Sr versus vervolgingsbeslissing

De rechtbank overweegt dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om op grond van artikel 15d Sr het achterwege laten van de v.i. van [verdachte] te vorderen voor zijn poging tot onttrekken aan de hem opgelegde straf, los moet worden gezien van de beslissing om [verdachte] al dan niet te vervolgen voor eventuele strafbare feiten die hij in verband daarmee zou hebben gepleegd. Het zijn twee afzonderlijke procedures waaraan van elkaar te onderscheiden verwijten ten grondslag liggen en die op andere wijze beoordeeld dienen te worden. Beide procedures kunnen zowel onafhankelijk van elkaar als naast elkaar bestaan. De rechtbank heeft geen grond voor het oordeel dat het Openbaar Ministerie de procedure van artikel 15d Sr zou hebben misbruikt om (waarborgen bij) een strafrechtelijke vervolging te omzeilen. De enkele stelling van de verdediging is daartoe onvoldoende.

4.3.
[verdachte] was te bevrijden persoon

Uit de stukken die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd leidt de rechtbank, voor zover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden af.
[naam 3] heeft geprobeerd om bij Helicentre Lelystad B.V. een helikopter te huren. Hij vertelde dat hij op 4 oktober 2017 een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij wilde vertrekken vanaf Helicentre Heythuysen in Limburg. Het Helicentre had argwaan en stelde na overleg met de luchtvaartpolitie de reservering uit. [naam 3] en zijn broer [naam 4] hadden contacten in de Amsterdamse onderwereld en er waren connecties met de criminele groepering waarvan ook [verdachte] deelt uitmaakte. [verdachte] zat op dat moment gedetineerd in de [naam PI] , slechts enkele kilometers verwijderd van Heythuysen. Het contact tussen [naam 3] en het Helicentre werd heimelijk overgenomen door de politie. Uiteindelijk werd afgesproken dat de helikoptervlucht op 11 oktober 2017 zou plaatsvinden. [naam 3] zou zich om 13.30 uur melden in Budel, vanwaar de helikopter naar Weert zou vliegen om zijn vriendin op te halen. Er is vastgesteld dat in de nacht van 10 oktober 2017 en 11 oktober 2017 diverse personen, waaronder [naam 5] , [naam 4] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 2] in het Blue Collar hotel in Eindhoven hebben verbleven. Op 11 oktober 2017 begaven zij zich naar Budel, Weert en de omgeving van de [naam PI] , waarbij onderling telefonisch contact werd gehouden. Uit afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat er vuurwapens waren meegenomen. Op 11 oktober 2017 te 13.04 uur vond een telefoongesprek plaats tussen [naam 1] en [naam 4] , waarin [naam 4] zegt dat hij pas om vijf voor twee vliegt en waarin [naam 1] zegt dat [naam 4] pas na vijf voor twee moet vliegen omdat ze anders misschien nog in de gang staan en de helikopter zien. Uit informatie van de [naam PI] blijkt dat [verdachte] op 11 oktober 2017 vanaf 13.55 uur zou worden gelucht. Op het afgesproken tijdstip vervoegde [naam 4] zich bij de helikopter in Budel. Daar werd hij aangehouden. Vervolgens is de helikopter, met politie aan boord, richting Weert gevlogen. In Weert en bij de [naam PI] waren arrestatieteams aanwezig. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat het de bedoeling was dat op de tussenlocatie in Weert de helikopter zou worden gekaapt en dat de piloot vervangen zou worden door de speciaal daarvoor uit Colombia overgekomen piloot [naam 2] . Op deze tussenlocatie reed een blauwkleurige BMW personenauto naar de locatie van de helikopter. Op het moment dat de politie de inzittenden wilde aanhouden reed de auto met hoge snelheid weg. Na een achtervolging kon de bestuurder, [naam 8] , worden aangehouden. Drie andere inzittenden van de auto wisten te ontkomen. In Roermond werd gezien dat een donkerkleurige BMW en een donkerkleurige Audi A4 in de omgeving van de PI stonden geparkeerd. Nadat de Audi was gaan rijden probeerde de politie de inzittenden aan te houden. Dit resulteerde in een wilde achtervolging waarbij de Audi de auto van de politie probeerde te rammen en waarbij door de politie op de Audi is geschoten. Tijdens de achtervolging werd uit de Audi een tas met magazijnen voor een AK-47 en losse patronen naar buiten gegooid. Op de vluchtroute werd de volgende dag een AK-47 aangetroffen, die kennelijk ook uit de auto was gegooid. Nadat de auto tot stilstand was gedwongen vluchtten twee personen uit de Audi. Uiteindelijk werd door de politie op de bestuurder van de Audi geschoten, ten gevolge waarvan hij is komen te overlijden. De bijrijder, [naam 7] , werd aangehouden. De BMW is ter plekke in beslag genomen.
Op 11 oktober 2017 om 13:24 uur vond een telefoongesprek plaats tussen het nummer * [nummer] en [naam 6] . Nummer * [nummer] maakte daarbij gebruik van een stemvervormer. De gebruiker van * [nummer] zei dat dit zijn nummer is. Omstreeks 14.20 uur werd [verdachte] van de luchtplaats gehaald en aan zijn kleding onderzocht. Daarbij werden twee telefoons bij hem aangetroffen, een telefoon met nummer * [nummer] en een BlackBerry Q10. De telefoon met nummer * [nummer] was voorzien van een stemvervormer. De telefoon met nummer * [nummer] is aldus ongeveer één uur na het telefonische contact van * [nummer] met [naam 6] bij [verdachte] aangetroffen. [naam 6] maakte deel uit van de groep personen die betrokken was bij de op handen zijnde bevrijding van een persoon uit de [naam PI] .
De cel van [verdachte] is doorzocht en daarin lag een prop papier met daarop een getekende plattegrond van de [naam PI] . Op deze plattegrond stonden afstandsmaten van 13 bij 23 meter bij een open ruimte, waar geen kabels hingen, tussen het voetbalveld en de luchtplaats. Deze afmetingen zijn niet terug te vinden op Google Maps. De piloot [naam 2] heeft verklaard dat hij een ontmoeting heeft gehad met “ [bijnaam] ” ( [naam 1] ) waarbij hem een plattegrond van de [naam PI] is getoond. [naam 2] heeft tijdens zijn verhoor de door [naam 1] getoonde plattegrond nagetekend. Deze tekening vertoont veel gelijkenis met de plattegrond die in de cel van [verdachte] is aangetroffen.

In de cel van [verdachte] lag ook een notitieboekje, waarin op een aparte bladzijde de telefoonnummers * [nummer] , * [nummer] , en * [nummer] stonden vermeld. De nummers * [nummer] en * [nummer] kunnen aan [naam 4] worden toegeschreven en zijn kort voor de bevrijdingsactie actief geworden. Op dezelfde bladzijde stond ook het adres [adres] vermeld, welk adres vlak bij de [naam PI] is gelegen.

In een hoorgesprek in de [naam PI] naar aanleiding van het gebeuren heeft [verdachte] verklaard dat hij een fout heeft gemaakt en dat hij zich niet had moeten laten meeslepen. Hij ontkende de opdrachtgever te zijn geweest of mensen op een idee te hebben gebracht. Ter zitting is [verdachte] met deze verklaring geconfronteerd. [verdachte] verklaarde dat hij niet wil zeggen wat hij heeft bedoeld met ‘laten meeslepen’.

Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de mislukte bevrijdingsactie op 11 oktober 2017 was gericht op [verdachte] . Met betrekking tot het telefoongesprek op 11 oktober 2017 om 13.24 uur oordeelt de rechtbank in dit verband dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] degene is geweest die dit gesprek met [naam 6] heeft gevoerd. Het is immers niet goed denkbaar dat iemand anders aan zijn potentiële bevrijders zou doorgeven dat * [nummer] zijn nummer is, om vervolgens deze telefoon aan een medegedetineerde te geven.Tevens blijkt uit genoemde feiten en omstandigheden dat [verdachte] van de bevrijdingsactie op de hoogte was en in contact stond met de uitvoerders. [verdachte] heeft zich ter zitting desgevraagd naar de bij hem aangetroffen telefoons, de plattegrond in zijn cel en (de inhoud van) het in zijn cel gevonden notitieboekje, op zijn zwijgrecht beroepen. Daarmee heeft hij de hiervoor weergegeven vaststellingen niet kunnen ontzenuwen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat naast [verdachte] nog iemand anders met de helikopter bevrijd zou gaan worden uit de [naam PI] , zijn daarvoor geen concrete aanwijzingen gebleken. In het kader van de beoordeling van de onderhavige vordering is dit ook niet relevant.
4.4.
Poging tot onttrekken

Op grond van artikel 15d lid 1 sub c Sr kan de v.i. worden uitgesteld of achterwege blijven indien de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet. In de Memorie van Toelichting (MvT) met betrekking tot de wetswijziging waarbij de grond (poging tot) onttrekking aan de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming werd toegevoegd, staat, met betrekking tot de invulling van het begrip poging, het volgende vermeld.

“Voor de invulling van dit begrip dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie ter zake van artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. Een penitentiaire inrichting is een rijke voedingsbodem voor het maken van plannen om te ontsnappen. Bij wijze van spreken iedere gedetineerde droomt hiervan en spreekt hierover met medegedetineerden. Het bedenken van plannen en het hierover spreken met mede-gedetineerden dient zonder gevolgen te blijven. Pas als hieraan een begin van uitvoering is gegeven en het niet voltooien niet is toe te schrijven aan de wil van de bij de uitvoering betrokkenen kan gesproken worden van een poging tot onttrekking die kan leiden tot uit- of afstel van de VI.”

Op 11 oktober 2017 zat [verdachte] gedetineerd in de [naam PI] . Hij was er van op de hoogte dat kompanen van hem buiten de PI bezig waren om een bevrijdingsactie op te touw te zetten. [verdachte] heeft contact onderhouden met leden van de groep. Door zijn detentie en het in de PI geldende regime had hij slechts beperkte mogelijkheden om een bijdrage aan zijn geplande bevrijding te leveren en was hij in grote mate afhankelijk van het optreden van anderen. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat al snel gesproken kan worden van een begin van uitvoering. De belangrijkste bijdrage van [verdachte] aan zijn eigen ontsnapping bestond er uit dat hij op de juiste tijd op de juiste plek aanwezig moest zijn.

De omstandigheden dat bij [verdachte] telefoons, een plattegrond van de PI en een notitieboekje met telefoonnummers zijn aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de georganiseerde bevrijdingsactie maken op zichzelf nog niet dat van een begin van uitvoering kan worden gesproken. Dat wordt anders op het moment dat [verdachte] op 11 oktober 2017 via het telefoonnummer * [nummer] contact heeft met [naam 6] en tegen hem zegt dat dit zijn telefoonnummer is en hij zich ongeveer een half uur na dit gesprek daadwerkelijk naar en vervolgens op de luchtplaats begeeft, op het bij zijn bevrijders bekende tijdstip. Hij gaat er dan vanuit dat gedurende het luchten de helikopter zal verschijnen om hem mee te nemen. [verdachte] heeft dan alles gedaan wat in zijn macht lag om zijn onttrekking mogelijk te maken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een begin van uitvoering. Het stadium van ‘dromen van ontsnappen’ en van ‘voorbereiding’ is op dat moment voor [verdachte] gepasseerd. Omdat de politie inmiddels had ingegrepen, is het bij een poging gebleven.

De stelling van de verdediging, dat bij [verdachte] geen poging tot onttrekken kan worden aangenomen op dezelfde gronden als waarom de rechtbank de verdachten in 13Leyburn heeft vrijgesproken van poging kaping en bevrijding, onderschrijft de rechtbank niet. Het betreft hier immers van elkaar te onderscheiden verwijten die afzonderlijk van elkaar moeten worden beoordeeld. Dat de kaping van de helikopter is verhinderd en daarmee de bevrijdingsactie tot stilstand is gekomen, laat onverlet dat [verdachte] tot het moment dat hij van de luchtplaats is gehaald heeft gedaan wat hij kon doen om zijn bevrijding mogelijk te maken. Daarmee heeft hij een begin gemaakt met de uitvoering van zijn voorgenomen plan om zich aan zijn straf te onttrekken.

Het was de bedoeling dat [verdachte] van buitenaf zou worden bevrijd, met behulp van een helikopter. Op zichzelf is dat al een zeer bijzondere omstandigheid. [verdachte] wist van dit plan en heeft daaraan een bijdrage geleverd. Deze situatie onderscheidt zich uitdrukkelijk van de ontvluchting waarbij de gedetineerde over een hek klimt of anderszins ‘de benen neemt’. Uit de eerdergenoemde MvT blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk het ontvluchten met behulp van een helikopter, ook zonder dat daarbij geweld wordt gebruikt, onder de regeling van artikel 15d Sr heeft willen brengen. Anders dan door de verdediging is betoogd, zou ook bij een ‘kale ontsnapping’ zonder wapens of geweld, nog steeds sprake zijn van een poging tot onttrekken die tot achterwege blijven de v.i. kan leiden.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat bij zijn ontsnapping mogelijk geweld zou worden gebruikt. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. [verdachte] is bevriend met [naam 1] . Uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2014 blijkt dat [verdachte] en [naam 1] samen in een auto hebben gereden terwijl zij zich bewust waren van de aanwezigheid van elkaars vuurwapen. Ook uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 mei 2016, waarbij [verdachte] is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de liquidatie van [slachtoffer] , wordt duidelijk dat [verdachte] zich in een uiterst crimineel milieu beweegt, waarbij het gebruik van geweld en vuurwapens niet uit de weg wordt gegaan. Uit het dossier 13Leyburn is ook gebleken dat de verdachten zich daadwerkelijk hadden bewapend. Verder moet [verdachte] zich ervan bewust zijn geweest dat zijn ontsnapping uit de PI met een helikopter een politiemacht op de been zou brengen om dit te verhinderen dan wel hem zo snel mogelijk terug te halen. In het onderhavige geval neemt de rechtbank om de hiervoor genoemde redenen aan dat [verdachte] wel degelijk op de hoogte was dat zijn potentiële bevrijders zich zouden voorbereiden op een mogelijke gewelddadige confrontatie en dat zij geweld en het gebruik van wapens bij de bevrijdingsactie niet zouden schuwen.

4.5.
Proportionaliteit

[verdachte] moet een lange gevangenisstraf ondergaan. Dat brengt met zich dat ook het v.i.-deel lang is. Het gaat om 1555 dagen. Op het moment dat [verdachte] probeerde om zich aan zijn straf te onttrekken, wist hij wat er voor hem op het spel stond. Niettemin heeft hij de gok gewaagd en heeft hij geprobeerd om zich met hulp van criminele contacten buiten de PI op uiterst brutale wijze aan zijn straf te onttrekken. Dat wapens en geweld zouden worden gebruikt heeft hij voor lief genomen. De onderhavige poging tot onttrekken beoordeelt de rechtbank als zo ernstig dat de v.i. geheel achterwege moet blijven. De omstandigheid dat [verdachte] voor de poging onttrekking disciplinair is gestraft en hij sindsdien aan het zwaarste detentieregime in de [naam PI] is onderworpen, kan hieraan niet afdoen. [verdachte] vindt het onterecht en niet proportioneel dat de gevolgen voor hem zwaarder uitvallen dan de veroordeelden in 13Leyburn, maar de rechtbank gaat hier niet in mee. Het gaat er namelijk niet om of hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit of dat hij al dan niet zwaarder wordt gestraft dan zijn potentiële bevrijders. Waar het om gaat is of [verdachte] door zijn handelen zijn recht op v.i. heeft verspeeld. En dat is onmiskenbaar het geval.
5

Artikelen 15, 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

6

Wijst de vordering toe en bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van achterwege blijft.
Deze beslissing is gegeven doormr. E.M.M. Gabel voorzitter,mrs. A.R.P.J. Davids en F. Dekkers, rechters,in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2019.
_460e2cc0-ffbe-41bc-ab31-5ba6ce6e128d
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 082, nr. 3, Aanvulling en wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met onttrekking aan de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming.