Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:4952

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:4952, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/730078-16 (Promis)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730078-16 (Promis)

Datum uitspraak: 11 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBAMS:2019:4952:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730078-16 (Promis)

Datum uitspraak: 11 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 22, 23 en 29 oktober 2018 en 13, 15 en 16 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M. van Kampen en A. van de Venn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht.

2

1. : het medeplegen van de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] (hierna: [naam ontvoerd meisje] ) in de periode van 17 september 2016 tot en met 18 oktober 2016 en
subsidiair

2. : het medeplegen van onttrekking aan het ouderlijk gezag van [naam ontvoerd meisje] in de periode van 29 september 2016 tot en met 28 maart 2019 en: medeplichtigheid aan voornoemde onttrekking aan het ouderlijk gezag in de periode van 29 september 2016 tot en met 18 oktober 2016.
Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 13 mei 2019 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3

3.1
Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

Het Openbaar Ministerie heeft op 29 mei 2019 een e-mail gestuurd aan de rechtbank met daarin een bijlage met stukken over de overlevering van verdachte. De rechtbank zal, gelet op de ouderdom van deze stukken en het moment van toezending, te weten na de inhoudelijke behandeling, geen acht slaan op deze stukken en zal deze niet toevoegen aan het procesdossier.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van feit 2 (onttrekking aan het wettig gezag). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de overlevering op basis van het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) slechts is toegestaan voor betrokkenheid bij ontvoering, aangezien alleen het lijstfeit ‘ontvoering’ is aangekruist. Op grond van het specialiteitsbeginsel kan verdachte dus alleen voor dit feit worden vervolgd. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 27 lid 2 en 28 lid 2 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB). Dit beginsel is alleen niet van toepassing als de strafvervolging niet leidt tot een toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid beperkt. De voorlopige hechtenis van verdachte heeft betrekking gehad op twee feiten, waardoor genoemde uitzondering niet van toepassing is. Dit betekent dat, behoudens wanneer er sprake is van expliciete toestemming van de Duitse autoriteiten, er geen vervolging mogelijk is voor feit 2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat, als de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een ‘ander feit’ in de zin van artikel 27 lid 2 Kaderbesluit EAB en daarmee aanvullende toestemming dient te worden verkregen, geldt dat verdachte op geen enkel moment gedetineerd is geweest op basis van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en dat het specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan de vervolging en berechting voor enig ander feit dan waarvoor de overlevering is toegestaan. Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: EU HvJ) [naam uitspraak] en [naam uitspraak] volgt dat een persoon kan worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander feit’ dan dat welk de reden tot zijn of haar overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Als die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, dan kan die straf pas ten uitvoer worden gelegd als toestemming is verleend door de uitvoerende lidstaat (in dit geval Duitsland). De aanvullende toestemming wordt momenteel aangevraagd.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat overlevering is verzocht voor artikel 282 Sr. Uit de omschrijving van de feiten in het EAB blijkt niet dat mede is bedoeld overlevering te verzoeken voor onttrekking aan het wettig gezag. Dit betekent dat sprake is van vervolging mede voor een ander feit dan welke de reden tot overlevering van verdachte is geweest. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat aan verdachte geen vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd ten aanzien van artikel 279 Sr.Het EU HvJ heeft in zijn arrest van 1 december 2008 in de zaak [naam uitspraak] en [naam uitspraak] (C-388/08 PPU, par. 76) overwogen dat een overgeleverde persoon kan worden vervolgd en berecht toestemming daarvoor is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. In deze zaak mocht verdachte worden vervolgd voor feit 2 ondanks dat er nog geen toestemming daartoe was van de Duitse autoriteiten. Toestemming moet immers slechts worden gevraagd en verkregen als een vrijheidsstraf ten aanzien van feit 2 ten uitvoer moet worden gelegd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
3.2
Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging nietig moet worden verklaard. Het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op medeplichtigheid is volgens hem niet duidelijk, omdat de verfeitelijking van het tweede gedeelte van de tenlastelegging niet overeenkomt met het eerste gedeelte. Voor verdachte is het onduidelijk welke gedragingen haar verweten worden.

De rechtbank constateert dat er afwijkingen bestaan in de verfeitelijking van feit 1 primair en feit 1 subsidiair, respectievelijk feit 2 primair en feit 2 subsidiair. Deze afwijkingen maken de tenlastelegging echter niet zodanig onduidelijk dat voor verdachte niet duidelijk is wat haar verweten wordt. Het verweer wordt verworpen.

3.3
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Standpunt officieren van justitie

Opzet

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle verdachten opzet, op zijn minst in voorwaardelijke vorm, hebben gehad op de ontvoering en de onttrekking aan het wettig gezag van [naam ontvoerd meisje] . Verdachten hadden moeten weten dat het eigenhandig bewerkstelligen dat de vader, tegen de wil van de moeder, in het buitenland wordt herenigd met zijn dochter in strijd is met het recht in Nederland. Het uitvoeren en handhaven van regels rondom wettig gezag in Nederland is een taak die bij de bevoegde autoriteiten in Nederland ligt. Dat ook sprake is van opzet op het gebruikte geweld, blijkt uit het feit dat een stroomstootwapen (hierna: taser) en tie-wraps, in overeenstemming met hetgeen is beschreven in de documenten ‘ [naam document 1] ’ en ‘ [naam document 2] ’, zijn meegenomen naar de woning waar [naam ontvoerd meisje] verbleef. Bovendien is [medeverdachte 1] als ‘deurstopper’ met dat speciale doel ingevlogen vanuit de Verenigde Staten.
Rol verdachte

Verdachte heeft een belangrijke rol gehad in de voorbereiding, maar ook tijdens de uitvoering en de voltooiing van de ontvoering. Verdachte was op de hoogte van het plan om [naam ontvoerd meisje] op 29 september 2016 te ontvoeren, zodat [naam ontvoerd meisje] door [naam vader] naar India meegenomen kon worden. Verdachte is bij in ieder geval vijf besprekingen met medeverdachten geweest. Ze heeft op de dag van de ontvoering essentiële handelingen verricht, die hebben bijgedragen aan de uitvoering en voltooiing ervan. Verdachte is met haar vader naar De Witte Bergen gereden, waar zij [naam vader] hebben ontmoet. Op de parkeerplaats is [naam ontvoerd meisje] – in aanwezigheid van verdachte – door de ontvoerders overgedragen aan [naam vader] . Vervolgens heeft verdachte samen met haar vader de rol van chauffeur vervuld. Vanuit de woning van verdachte en haar vader werd uitgezocht hoe [naam vader] en [naam ontvoerd meisje] onder de radar naar India konden vertrekken. Daarmee staat vast dat verdachte op cruciale momenten op de voorgrond is getreden. Verdachte heeft op 23 september 2016 de WhatsApp-groep ‘ [naam document 1] ’ aangemaakt. Uit het draaiboek ‘ [naam document 1] ’ blijkt de cruciale rol van verdachte. Het draaiboek lijkt een blauwdruk te zijn van de feitelijke uitvoering van de ontvoering. Voor haar aandeel heeft verdachte een beloning ontvangen. De aanwezigheid van verdachte op cruciale momenten, in combinatie met het aanmaken van een WhatsApp-groep ‘ [naam document 1] ’, het programmeren van telefoons en het vervoeren van [naam 1] maakt dat voldoende bewijs aanwezig is waaruit blijkt dat verdachte op de hoogte was van de plannen voor deze ontvoering en ook een belangrijke rol heeft vervuld in de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] .
Medeplegen

Uit het bewijs volgt dat er in vrijwel alle opzichten een nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen alle verdachten die er op was gericht om [naam ontvoerd meisje] , eventueel met geweld, bij haar moeder weg te halen. Deze nauwe en bewuste samenwerking was er ten tijde van de voorbereiding, de feitelijke uitvoering en de afhandeling van de ontvoering. Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat iedereen wist wat hij of zij moest doen. Dat er een duidelijke rolverdeling was, waar iedereen zich aan hield en van op de hoogte was, blijkt ook uit het draaiboek ‘ [naam document 1] ’ en de feitelijke uitvoering die aan dit vooraf uitgewerkte plan is gegeven. Iedere verdachte heeft in die rol zijn of haar eigen substantiële bijdrage geleverd aan de ontvoering. Zonder die bijdrage kon de ontvoering niet worden voltooid.
4.2
Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 1 en feit 2 dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent dat zij (bewust) enige rol heeft gespeeld in de ten laste gelegde feiten. Voor zover er bij haar sprake was van wetenschap dat [naam ontvoerd meisje] zou worden meegenomen, is deze wetenschap pas achteraf ontstaan. De feitelijke handelingen die verdachte heeft verricht, kunnen niet worden geplaatst in het kader van het wegvoeren van [naam ontvoerd meisje] naar India en zijn te weinig substantieel om medeplegen of medeplichtigheid op te leveren. Binnen de tenlastelegging kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij één van de feitelijke handelingen een substantiële rol heeft gehad. Handelingen die door verdachte zijn verricht, verrichtte zij niet met de wetenschap van het meenemen van [naam ontvoerd meisje] naar India.

Voorwaardelijk verzoek

Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat [naam moeder] het wettig gezag had over [naam ontvoerd meisje] . Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, dan dient te zaak te worden aangehouden op grond van artikel 14 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), aangezien de waardering van de ten laste gelegde feiten afhankelijk is van de lopende civiele procedures in zowel India als Nederland over het wettig gezag over [naam ontvoerd meisje] .
4.3
Oordeel van de rechtbank

4.3.1
Feiten en omstandigheden



Algemeen

[naam ontvoerd meisje] is op [geboortedatum] in [geboorteplaats] geboren. Zij is de dochter van [naam vader] (hierna: [naam vader] ) en [naam moeder] . [naam vader] heeft de Indiase nationaliteit en [naam moeder] heeft de Nederlandse en de Pakistaanse nationaliteit. [naam ontvoerd meisje] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Na een verblijf in India is [naam moeder] op 7 december 2014 met [naam ontvoerd meisje] en haar oudere dochter [naam dochter] vanuit India naar Nederland gekomen. In de loop van 2015 zijn zowel [naam vader] (in India) als [naam moeder] (in Nederland) echtscheidingsprocedures begonnen, waarin sindsdien – zowel in Nederland als in India – ook geprocedeerd wordt over het gezag over [naam ontvoerd meisje] . [naam ontvoerd meisje] verbleef bij haar moeder in Nederland, tot zij op 29 september 2016 vanuit Amsterdam – via Duitsland – door [naam vader] is meegenomen naar India.

Grondslag voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de feiten en omstandigheden vast aan de hand van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] , de aangifte van [naam moeder] , de verklaringen van de getuigen ter plaatse en de aangetroffen documenten.
Verklaringen [medeverdachte 2]

De rechtbank neemt de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] als belangrijk uitgangspunt voor de feitenvaststelling om de volgende redenen. Hij heeft zich als enige van de betrokkenen kort na het uitgaan van het Amber Alert bij zijn advocaat en vervolgens bij de politie gemeld. Hij heeft als enige uitvoering èn consistent verklaard. Hij heeft niets verklaard dat niet overeenkomt met de inhoud van het dossier en hij heeft zichzelf belast. De rechtbank heeft niet de indruk dat [medeverdachte 2] zijn rol kleiner heeft gemaakt dan deze was. Anders dan bij de andere verdachten, worden de verklaringen van [medeverdachte 2] niet ontkracht door objectieve bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank volgt [medeverdachte 2] daarom wat betreft de feitelijke gang van zaken. De rechtbank gebruikt de verklaringen van medeverdachten alleen indien deze verklaringen objectieve ondersteuning vinden in het dossier of als de medeverdachten zichzelf belasten.
29 september 2016: de ontvoering

Op 29 september 2016 wordt er even na acht uur ’s ochtends door [medeverdachte 2] aangebeld op de [adres 1] in Amsterdam. Dit is het adres van [naam oma] , de oma van [naam ontvoerd meisje] (hierna: oma). [naam ontvoerd meisje] verblijft samen met haar oudere halfzus [naam dochter] en haar moeder [naam moeder] regelmatig bij haar oma. Oma opent de deur, [medeverdachte 2] doet zich voor als iemand van de Sociale Dienst. Omdat drie mannen voor de deur argwaan zouden wekken, wachten [medeverdachte 1] en [naam 1] even verderop. Als oma de deur opent, wenkt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en [naam 1] dat zij ook kunnen komen. [medeverdachte 2] vraagt of de moeder van [naam ontvoerd meisje] thuis is, waarop oma ontkennend antwoordt. [medeverdachte 2] zegt dat hem ter ore is gekomen, dat er iemand tegen haar zin wordt vastgehouden in de woning. [medeverdachte 2] loopt naar binnen. Dan gaan ook [medeverdachte 1] en [naam 1] naar binnen. In de woning zijn op dat moment aanwezig [naam ontvoerd meisje] , oma, [naam tante] (de tante van [naam ontvoerd meisje] , hierna: [naam tante] ) en [naam neef] (een neef van [naam ontvoerd meisje] ). [medeverdachte 1] heeft een document in zijn hand waarvan hij zegt dat dit van de rechtbank is en dat zij [naam ontvoerd meisje] komen halen. Dit document blijkt afkomstig te zijn van een sharia-rechtbank in Mumbai, India. [naam tante] pakt het document uit de handen van [medeverdachte 1] . [naam 1] pakt [naam ontvoerd meisje] op en loopt met haar naar de auto. Ook [medeverdachte 2] loopt naar buiten. [medeverdachte 2] en [naam 1] stappen met [naam ontvoerd meisje] in de Renault Espace waarmee zij waren aangekomen en rijden weg. [naam tante] rent naar buiten maar blijft bij de deur staan als ze ziet dat de auto al wegrijdt. [medeverdachte 1] raakt in een worsteling met oma en [naam tante] . [medeverdachte 1] probeert oma en [naam tante] een kamer in te duwen. [medeverdachte 1] probeert vervolgens weg te komen, waarbij oma en [naam tante] hem proberen tegen te houden. Oma en [naam tante] proberen met [medeverdachte 1] naar buiten te gaan om zo hulp in te roepen van buren. [medeverdachte 1] heeft tie-wraps en een taser bij zich. Tijdens zijn poging om te vluchten, slaat [medeverdachte 1] [naam tante] met de taser tegen haar hoofd. Buurman [naam buurman] , die oma en [naam tante] te hulp schiet, wordt ook door [medeverdachte 1] geraakt met de taser. [medeverdachte 1] wordt ter plaatse aangehouden.

De overdracht

[medeverdachte 2] komt met [naam 1] en [naam ontvoerd meisje] in de Renault Espace aan bij de parkeerplaats van restaurant De Witte Bergen in Eemnes. Daar staan [medeverdachte 3] , [naam vader] en [medeverdachte 4] naast hun Volkswagen Golf op hen te wachten. [verdachte] zit in haar Fiat Punto. [naam 1] stapt uit de Renault Espace en stapt bij [verdachte] in. [naam vader] stapt met [naam ontvoerd meisje] achter in de Golf, met als bestuurder [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] stapt in de Golf als bijrijder. [medeverdachte 3] rijdt vervolgens als eerste weg en korte tijd later volgt [verdachte] in de Fiat. Zij rijden gezamenlijk naar de woning van [medeverdachte 3] en [verdachte] in [woonplaats] .
De voorbereiding van de ontvoering

In de fase voorafgaand aan de ontvoering heeft het volgende plaatsgevonden.

Enige tijd vóór de daadwerkelijke ontvoering is [naam vader] op zoek gegaan naar mensen om hem te helpen bij de ontvoering van zijn dochter [naam ontvoerd meisje] . [naam vader] had lokale ondersteuning nodig en is bij [medeverdachte 3] uitgekomen, met wie hij al zakelijk contact had. [naam vader] was de opdrachtgever en de financier van de ontvoering.

Vóór 17 september 2016 vond een plaats tussen [naam vader] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waarin [naam vader] zijn probleem heeft voorgelegd. [medeverdachte 3] heeft informatie ontvangen en heeft die vervolgens doorgestuurd aan [medeverdachte 2] . Dit ‘startpakket’ bestond onder andere uit eerdere observatieverslagen, opgemaakt door Engelsen en Israëliers, en een begroting voor de kosten van de ontvoering, genaamd ‘ [naam document 2] ’ en opgemaakt door [medeverdachte 4] op 16 september 2016. [medeverdachte 2] heeft deze begroting verder aangepast. ‘ [naam document 3] ’ en ‘ [naam document 4] ’ zijn door [medeverdachte 2] opgemaakt op respectievelijk 16 en 20 september 2016.

17 september 2016

Op 17 september 2016 namen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [naam vader] en [medeverdachte 4] deel aan een Skype-gesprek. Op basis van dit gesprek heeft [medeverdachte 3] contact gezocht met [medeverdachte 5] en hem een observatieopdracht gegeven.
20 september 2016

Op 20 september 2016 hebben [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] elkaar ontmoet in de woning van [medeverdachte 3] in [woonplaats] . [medeverdachte 3] had hen uitgenodigd om met elkaar kennis te maken. [medeverdachte 3] heeft tijdens deze bijeenkomst uit de doeken gedaan wat er van [medeverdachte 5] werd verwacht. [medeverdachte 5] zou zo snel mogelijk naar de hen bekende adressen gaan om te observeren. Er is specifiek besproken, waar [naam moeder] zich ‘s ochtends mee bezig hield.
22 september 2016

Aanmaken WhatsApp-groep ‘ [naam document 1] ’

Op 22 september 2016 is door [verdachte] de WhatsApp-groep ‘ [naam document 1] ’ aangemaakt. De andere deelnemers van de groep waren [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Op dezelfde dag stuurde [medeverdachte 3] het volgende bericht naar de groepsleden: “Vrijdag 30 september moet [naam moeder] voor de rechter verschijnen in A’dam, dat geeft ons waarschijnlijk een opportunity, tijd en plaats moet ik nog uitzoeken”. [medeverdachte 5] reageerde hierop met de tekst “okay”.
23 september 2016

Document ‘concept operatie [naam document 1] ’

Op 23 september 2016 heeft [medeverdachte 2] een plan van aanpak geschreven, het document genaamd ‘concept operatie [naam document 1] ’, en verstuurd aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] schreef dit document ter voorbereiding op de bijeenkomst de dag erna in Duitsland. In het document is de missie als volgt omschreven: “.”
24 september 2016

Op 24 september 2016 was er weer een bijeenkomst in Emlichheim. Hierbij waren [naam vader] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aanwezig. [verdachte] kwam er af en toe bij. Tijdens deze bijeenkomst is een ruwe schets van het plan besproken. Het basisidee was het weghalen van [naam ontvoerd meisje] . [verdachte] had samenvattingen gemaakt van voorafgaande observaties. Het document ‘concept operatie [naam document 1] ’ is tijdens deze bijeenkomst besproken. Er werden papieren exemplaren van dit document verstrekt aan [naam vader] en [medeverdachte 4] . Het ging over locaties, wat er geobserveerd moest worden en wat het juiste moment zou zijn voor de ontvoering. Dit zou zijn als oma alleen thuis was met [naam ontvoerd meisje] . Daar was iedereen het over eens.Op 24 september 2016 deelde [medeverdachte 3] in de WhatsApp-groep ‘ [naam document 1] ’ de telefoonnummers van [naam moeder] , [naam tante] , oma en [naam oom] (een oom van [naam ontvoerd meisje] ). Op dezelfde dag is het groepsgesprek verwijderd van de telefoon van [verdachte] .
Ontvangen en uit te keren bedragen

In Duitsland heeft [medeverdachte 2] een envelop met geld gekregen van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had dit geld gekregen van [naam vader] . [medeverdachte 2] zou nog een tweede deel krijgen. Het ging voor [medeverdachte 2] om een bedrag van in totaal € 20.000,-. [medeverdachte 3] zou hetzelfde bedrag ontvangen. Toen [medeverdachte 2] zich op 30 september 2016 meldde bij de politie, had hij een bedrag van € 7.400,- bij zich, het restant van het aan hem uitgekeerde gedeelte nadat hij daarvan enkele kosten voor de ontvoering had betaald.
27 september 2016

Op 27 september 2016 heeft [medeverdachte 2] vier telefoons gekocht en contant betaald. [medeverdachte 3] en [naam vader] hadden bedacht dat het niet handig was om eigen telefoons te gebruiken. Door niet te traceren te zijn zou tijd worden gewonnen tussen het moment van de ontvoering en het moment dat [naam vader] in het vliegtuig naar India zou stappen.
Op 27 september 2016 hebben [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] elkaar in de middag ontmoet in Almere. Zij hebben toen besproken dat de observatie geïntensiveerd moest worden. Het bleek voor [medeverdachte 5] lastig om het alleen te doen, daarom is er een collega bij betrokken.

In de avond hebben [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] samen gegeten in restaurant De Witte Bergen in Eemnes. [medeverdachte 3] had het initiatief genomen om [naam vader] te zien. [naam vader] en [medeverdachte 4] kwamen later aan. Er is toen besproken dat [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] had ingehuurd en dat hij werd ingevlogen. Hij zou oma rustig houden. [medeverdachte 1] zou [medeverdachte 2] en [naam 1] assisteren. [medeverdachte 3] heeft toen de informatie, die uit de observaties van [medeverdachte 5] kwam, teruggekoppeld aan [naam vader] en [medeverdachte 4] . Daarnaast is besproken dat [medeverdachte 2] een auto zou gaan huren en deze op de dag van de ontvoering zou besturen.

28 september 2016: Hilton-hotel

Op 28 september 2016 vond een bijeenkomst plaats in het Hilton-hotel. [medeverdachte 2] kreeg bericht van [medeverdachte 3] dat er een ontmoeting moest plaatsvinden op Schiphol. [medeverdachte 2] heeft een vergaderruimte gehuurd in het Hilton-hotel vanaf 15.30 uur. Hij heeft de ruimte gehuurd onder de naam ‘ [naam document 1] ’, de codenaam van het project die alle betrokkenen kenden. Op deze manier zou het voor de anderen duidelijk zijn waar zij moesten zijn. [medeverdachte 2] heeft de huur van de ruimte contant betaald met het geld dat hij eerder had ontvangen van [medeverdachte 3] . Bij de bijeenkomst waren aanwezig [medeverdachte 2] , [naam vader] , [verdachte] en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [naam 1] . Tijdens de bijeenkomst is besproken dat het weghalen van [naam ontvoerd meisje] bij voorkeur moest plaatsvinden vóór de zitting die op vrijdag 30 september 2016 gepland stond. [medeverdachte 4] had [medeverdachte 2] verzocht een flip-over te huren. Op de flip-over is door [naam vader] een schets gemaakt van de straat van het huis van oma. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 1] bijgepraat, die net was ingevlogen. [medeverdachte 2] heeft ook het woord gevoerd. Hij heeft gesproken over wat hij had gezien, wie er zou rijden en wat het plan was voor de dag erna. Tijdens deze bijeenkomst vroeg [medeverdachte 4] of er machinepistolen (‘MP5’s’) nodig waren. Daarnaast is besproken dat [verdachte] [naam 1] na de overdracht weg zou brengen. Hij moest naar dezelfde bestemming als [naam vader] , maar hij zou niet meer in de auto passen bij [naam vader] , [naam ontvoerd meisje] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] vanwege het kinderzitje. De bijeenkomst in het Hilton-hotel op Schiphol heeft ongeveer drie uur geduurd.
Uit de observaties was naar voren gekomen dat alles zich rond Amsterdam concentreerde, dus zou het voor de hand liggen dat het weghalen van [naam ontvoerd meisje] in Amsterdam zou gebeuren. Na de bijeenkomst is [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] en [naam 1] naar de locatie in Amsterdam gegaan waar de ontvoering zou plaatsvinden. Het plan was dat [medeverdachte 1] oma tegen zou houden en [medeverdachte 2] en [naam 1] met [naam ontvoerd meisje] zouden vertrekken. [medeverdachte 2] heeft aangewezen waar de fiets voor [medeverdachte 1] klaar stond. Uit het feit dat er een fiets voor hem klaar stond, blijkt dat [medeverdachte 1] na de ontvoering op een andere manier weg zou gaan dan [medeverdachte 2] en [naam 1] . [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] en [naam 1] rondgereden en hen vervolgens afgezet bij het Centraal Station in Amsterdam.Rond 23:15 uur kwamen [medeverdachte 1] , [naam vader] , [medeverdachte 4] en [naam 1] aan bij het Hyatt-hotel in Hoofddorp. Zij boekten vier kamers en deze werden samen contant afgerekend door [naam vader] . [naam vader] heeft op 28 september 2016 een Renault Espace en een Volkswagen Golf gehuurd op Schiphol.
29 september 2016: de dag van de ontvoering

Op 29 september 2016 is [medeverdachte 2] rond 06:30 uur vertrokken vanuit Bergen naar Amsterdam. Hij heeft [medeverdachte 1] en [naam 1] opgehaald bij station Diemen Zuid. [medeverdachte 2] heeft bij het station de tie-wraps aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] en [naam 1] waren op het station afgezet door [naam vader] en [medeverdachte 4] . [naam vader] kwam aan in de Renault en is in de Golf bij [medeverdachte 4] gestapt, waarna zij samen naar Hilversum zijn gereden. In eerste instantie is besproken dat [naam vader] zelf mee zou gaan om [naam ontvoerd meisje] te ontvoeren, maar uiteindelijk heeft hij ervoor gekozen dit niet te doen. [naam vader] ging naar het ophaalpunt en voor hem in de plaats ging [naam 1] . [medeverdachte 2] is met [medeverdachte 1] en [naam 1] in de Renault gestapt en [medeverdachte 2] heeft deze bestuurd. [medeverdachte 5] heeft om 08:00 uur waargenomen dat [naam moeder] met haar oudste dochter vertrok richting Hoofddorp. Op dat moment heeft [medeverdachte 5] [medeverdachte 3] gebeld en doorgegeven dat [naam moeder] was vertrokken. [medeverdachte 2] heeft even met [medeverdachte 1] en [naam 1] rondgereden, totdat zij de ‘go’ kregen dat [naam moeder] was vertrokken en [naam ontvoerd meisje] alleen met oma zou zijn. Het bericht ‘do it’ is op de telefoon van [medeverdachte 1] gevonden. Het is onduidelijk wie het bericht heeft gestuurd, maar het kan het niet anders dan dat het bericht is gestuurd door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] of [naam vader] . Zij stonden namelijk samen op de parkeerplaats in Eemnes. Eén van hen heeft aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] laten weten dat [naam moeder] weg was. [medeverdachte 3] was hierbij de noodzakelijke schakel, aangezien hij van [medeverdachte 5] hoorde dat [naam moeder] vertrokken was. Na ontvangst van het bericht is [medeverdachte 2] de [adres 1] op gereden. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] en [naam 1] uit de auto gelaten, is voor het huis van oma gestopt, is uitgestapt en heeft aangebeld.
Na de ontvoering

[medeverdachte 3] heeft vervolgens [naam ontvoerd meisje] , [naam vader] en [medeverdachte 4] naar een andere locatie gebracht, te weten zijn woning in [woonplaats] . Hierna is geprobeerd verder vervoer te regelen via een kennis van [naam vader] in Krefeld. [medeverdachte 3] heeft [naam ontvoerd meisje] , [naam vader] en [medeverdachte 4] verder Duitsland in gereden en is zelf op een parkeerplaats in Krefeld uit de auto gezet. In overeenstemming met het plan is [naam vader] met [naam ontvoerd meisje] naar Mumbai, India, gegaan. Tot op heden verblijft [naam ontvoerd meisje] in India.

[medeverdachte 3] is later door [verdachte] opgehaald in Duitsland en zij zijn samen naar huis gereden. [medeverdachte 1] is op de [adres 1] aangehouden. [medeverdachte 2] heeft de Renault Espace teruggebracht naar de verhuurder en heeft de navigatie gewist. Hij heeft zijn werktelefoon bij de overdracht ingeleverd bij [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] heeft zich kort na het uitgaan van het Amber Alert bij zijn advocaat en vervolgens bij de politie gemeld.

Rolverdeling

[medeverdachte 3]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 1]

[verdachte]

[medeverdachte 5]

4.3.2
Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2 primair.

Geen medeplegen

Verdachte heeft geen actieve rol gehad bij het bedenken van de plannen voor de ontvoering of het uitvoeren daarvan. Haar rol moet worden omschreven als meer ondersteunend van aard. Haar rol was niet substantieel genoeg of van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat het betoog van verdachte dat zij van niets wist ongeloofwaardig is, en dat zij wist wat die plannen waren. Bij de vraag of haar bijdrage voldoende substantieel was, gaat het echter alleen om wat zij heeft gedaan, en niet om wat zij wist.
4.3.3
Bewijsoverwegingen


Gezag

Nederlands recht

De rechtbank beoordeelt de stand van zaken met betrekking tot het gezag op 29 september 2016 naar Nederlands recht. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat op die datum beide ouders wettig gezag hadden over [naam ontvoerd meisje] (ECLI:NL:HR:2018:31). Voor zover er al betekenis toekomt aan eventueel gewijzigde gezagsrechtelijke verhoudingen naar Indiaas recht heeft op basis van het dossier te gelden dat voor het eerst in 2017 een officiële en bevoegde Indiase rechterlijke instantie over het gezag heeft geoordeeld. De rechtbank stelt vast dat op de uitspraak van 16 januari 2016 van de sharia-rechtbank ‘’ vermeld staat. Daarnaast blijkt uit navraag bij de Indiase ambassade dat het document – ook in India – niet rechtsgeldig is. Dat de rechtbank Noord-Holland in het kader van de feitenvaststelling in een civiele zaak laatstgenoemde uitspraak heeft genoemd, doet hier niet aan af.
Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft verzocht het onderzoek ter terechtzitting te schorsen als de rechtbank niet meegaat in zijn standpunt, dat niet vaststaat dat aangeefster op 29 september 2016 wettig gezag had over [naam ontvoerd meisje] . Op grond van artikel 14 Sv kan de vervolging voor bepaalde tijd worden geschorst als sprake is van een civielrechtelijk geschil waarvan de uitkomst van invloed is op de waardering van de ten laste gelegde feiten. De raadsman meent dat de civiele procedure omtrent het gezag moet worden afgewacht, omdat dan pas kan worden vastgesteld wie op 29 september 2016 het gezag had over [naam ontvoerd meisje] . De rechtbank verwerpt het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, aangezien voor de beoordeling in deze zaak alleen de gezagsrelatie ten tijde van de ontvoering op 29 september 2016 relevant is (vgl. ECLI:NL:HR:2016:111).
Medeplichtigheid

Subsidiair wordt verdachte vervolgd voor medeplichtigheid. De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van iemand was gericht op zijn of haar handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn of haar opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de daders gepleegde misdrijf (hierna: het gronddelict).

Juridisch kader

Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de daders verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Vaststelling feitelijke handelingen verdachte

De rechtbank verwijst naar de onder 4.3.1 beschreven vaststelling van de feiten en omstandigheden ten aanzien van de feitelijke handelingen van verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat het doel was om [naam ontvoerd meisje] te ontvoeren, zodat [naam vader] met haar naar India kon vertrekken. Verdachte is met medeverdachten aanwezig geweest bij de bespreking in het Hilton-hotel, waar de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] is besproken. De rechtbank acht ongeloofwaardig dat verdachte tijdens hier aanwezig is geweest en niet heeft meegekregen waar de bespreking over ging. Tijdens de bijeenkomst heeft zij op telefoons, die zijn gebruikt bij de ontvoering, WhatsApp geïnstalleerd. Op de dag van de ontvoering heeft verdachte haar vader [medeverdachte 3] in de ochtend naar Hilversum gebracht. Kort na de ontvoering heeft zij medeverdachte [naam 1] naar haar woning in [woonplaats] gebracht. Daarnaast heeft verdachte haar vader later in Krefeld, Duitsland, opgehaald.
Conclusie

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het verschaffen van gelegenheid en middelen als opzet op de ontvoering en onttrekking aan het wettig gezag van [naam ontvoerd meisje] . De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde medeplichtigheid aan feit 1 en feit 2.
Zag het (voorwaardelijk) opzet ook op geweld?

De rechtbank stelt vast dat in het plan van aanpak specifiek staat omschreven dat oma vast kan worden gebonden. Tijdens de bijeenkomst in het Hilton-hotel is daar ook over gesproken. Er zijn daadwerkelijk tie-wraps en een taser meegenomen naar de woning van oma, en de taser is ook gebruikt door [medeverdachte 1] . Het plan was dat moeder weg zou zijn en oma met dwingende hand naar de woonkamer zou worden bewogen. [medeverdachte 1] zou deurstopper zijn, zodat er genoeg tijd zou zijn om [naam ontvoerd meisje] naar de plaats van overdracht in Eemnes te brengen. In het door [medeverdachte 2] opgemaakte plan wordt niet alleen een ‘geweldenaar’ opgenomen, [medeverdachte 1] is daadwerkelijk ingevlogen om die rol op zich te nemen.

Ten aanzien van de specifieke geweldshandelingen geldt voor de medeplichtigen dat er (minst genomen voorwaardelijk) opzet op die handelingen heeft bestaan. Het is aannemelijk dat geweld zou worden gebruikt, omdat bij het ontvoeren van een kind tegen de wil van degene(n) bij wie het zich in huis bevindt de aanmerkelijke kans bestaat dat er geweld moet worden gebruikt. Degene die gezag over een kind heeft, zal dat kind immers niet zomaar laten wegvoeren. Zeker als men – zoals in deze zaak – wetenschap heeft van het feit dat er onmin is tussen de vader en de moeder, bestaat er naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat van een vrijwillige overgave van het kind geen sprake zal zijn. Daarnaast ligt er geweld besloten in het plan ‘ [naam document 1] ’, welk plan – getuige het aantreffen van tie-wraps en een (daadwerkelijk gebruikte) taser – ook is uitgevoerd.Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op alle bewezen geweldshandelingen heeft aanvaard.
Partiële vrijspraak periode feit 1

De periode van 29 september 2016 tot en met 30 september 2016 kan bewezen worden: de dag van de ontvoering tot en met de dag dat [naam ontvoerd meisje] uit Duitsland is vertrokken. De periode van 17 september 2016 tot en met 28 september 2016 kan niet bewezen worden omdat er toen sprake was van voorbereidingshandelingen die niet zijn verfeitelijkt in de tenlastelegging.

Voortdurend delict feit 2

Als een minderjarige wordt onttrokken aan het wettig gezag, dan duurt die situatie voort totdat de minderjarige weer bij de (tevens) gezaghebbende ouder is. Dat kan geruime tijd duren. Zeker als de onttrekking plaatsvindt naar een ander land, in het bijzonder een land waarmee Nederland geen verdragsrechtelijke rechtshulprelatie heeft. Het feit dat verdachten die situatie hebben gecreëerd maakt dat hen ook de periode waarin de minderjarige aan het gezag blijft onttrokken kan worden toegerekend. Alle verdachten wisten of hadden kunnen weten dat het doel van de ontvoering was om [naam ontvoerd meisje] naar India te brengen. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op het voortduren van de situatie als men meewerkt aan het overbrengen van een minderjarig kind naar India. De rechtbank acht daarom de gehele ten laste gelegde periode bewezen, met dien verstande dat de tenlastelegging voor wat betreft de medeplichtigheidshandelingen zich beperkt tot de periode vanaf 29 september 2016. Daarom kunnen alleen handelingen die zijn verricht vanaf omstreeks die datum en daarna worden bewezen.
5

1. Subsidiair
2. Subsidiair
- zich toegang verschaft tot de woning waar die [naam ontvoerd meisje] verbleef en- [naam oma] en [naam tante] vastgepakt en/of geslagen met een stroomstootwapen en- dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van [naam buurman] gehouden en- met de minderjarige de woning verlaten,
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [naam vader] en [naam 1] in de periode van 29 september 2016 tot en met 30 september 2016 in Amsterdam en elders in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een minderjarige (beneden de twaalf jaar oud), te weten [naam ontvoerd meisje] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij met dat opzet

tot en bij het plegen van welk misdrijf de verdachte omstreeks 29 september 2016 in Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland en in Duitsland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en mededaders in de periode van 29 september 2016 tot en met 28 maart 2019 in Amsterdam en elders in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een minderjarige (beneden de twaalf jaar oud), te weten [naam ontvoerd meisje] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hebben onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag, te weten aan [naam moeder] (de moeder), immers hebben zij met dat opzet

tot en bij het plegen van welk misdrijf de verdachte omstreeks 29 september 2016 in Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland en in Duitsland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

-

zich met een stroomstootwapen (taser) en tie-wraps naar de woning begeven alwaar [naam ontvoerd meisje] en [naam oma] en [naam tante] zich bevonden en

zich toegang verschaft tot de woning en

[naam oma] en [naam tante] vastgepakt en/of geslagen met die taser en

toen en daar voornoemde [naam ontvoerd meisje] meegenomen uit de woning en

dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van [naam buurman] gehouden en

voornoemde [naam ontvoerd meisje] in de auto geplaatst en

voornoemde [naam ontvoerd meisje] naar de woning van [medeverdachte 3] in het buitenland overgebrachtvervoerd,

-

deel te nemen en aanwezig te zijn bij een bespreking met medeverdachten, waarbij informatie is gegeven en verkregen over [naam moeder] en [naam ontvoerd meisje] en [naam oma] en

op telefoons (die zijn gebruikt bij de ontvoering) de applicatie WhatsApp heeft geïnstalleerd en

medeverdachte [medeverdachte 3] op 29 september 2016 in de ochtenduren naar Hilversum heeft gebracht en

medeverdachte [naam 1] op 29 september (kort na de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] ) heeft gebracht naar haar woning in [woonplaats] en

medeverdachte [medeverdachte 3] op of omstreeks 29 september 2016 in Krefeld (Duitsland) heeft opgehaald.

-

deel te nemen aan een overleg op Schiphol waarbij informatie en gegevens zijn uitgewisseld over [naam moeder] en [naam ontvoerd meisje] en [naam oma] en

medeverdachte [medeverdachte 3] op 29 september 2016 (in de ochtenduren) naar Hilversum te brengen en,

medeverdachte [medeverdachte 3] op of omstreeks 29 september 2016 (in de avonduren) in Krefeld (Duitsland) op te halen.

6

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
Eis officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie en een half jaar met aftrek van voorarrest.

8.2
Oordeel van de rechtbank



De rechtbank heeft besloten in alle zes de vonnissen in de zaak Plumeau de hierna volgende integrale, collectieve strafmotivering op te nemen, ook voor zover die ziet op de andere verdachten. De rechtbank heeft, om tot de individuele strafopleggingen te komen, de rol van de verschillende verdachten met elkaar vergeleken, waarmee de overwegingen met betrekking tot de individuele verdachten ook relevant zijn in de zaken van de andere verdachten.Het is duidelijk dat de hoofdverantwoordelijke voor de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] haar vader is, [naam vader] . Dat maakt geenszins minder erg wat deze zes verdachten hebben gedaan. Drie van hen, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , hebben voor en met [naam vader] een professioneel ontvoeringsplan opgezet. Zij hebben dit plan uitgevoerd, bijna precies zoals het was uitgedacht, en de drie andere verdachten hebben, met volle wetenschap van de bedoeling, aan de uitvoering meegewerkt, respectievelijk als mededader ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) en als medeplichtige ( [medeverdachte 5] en verdachte).
Het plan, en de uitvoering daarvan, waren heftig en in elk geval in Nederland ongehoord: drie onbekende mannen dringen een woning binnen en ontvoeren een meisje van pas twee jaar oud, op verzoek van haar Indiase vader, die deze mannen daarvoor heeft ingehuurd. De ontvoerders zijn voorbereid op het gebruik van geweld: één van de mannen is gewapend met een taser en tie-wraps en zal optreden als ‘deurstopper’, met als doel de andere twee mannen met het meisje te laten ontkomen en de ontvoering te laten slagen. Er volgt ook een gewelddadige confrontatie – alleen de deurstopper trekt daarbij aan het kortste eind. Maar verder slaagt het plan helemaal: de twee mannen die [naam ontvoerd meisje] meenemen ontkomen, ze dragen haar over aan een andere groep ontvoerders, en die brengen haar naar de woning van één van de ontvoerders in [woonplaats] ; vanuit Duitsland wordt ze door haar vader naar India ontvoerd. Hoewel iedere onttrekking aan het ouderlijk gezag impact heeft, is deze zaak vele malen heftiger dan de gemiddelde zaak waarbij een kind aan het ouderlijk gezag wordt onttrokken of de gemiddelde internationale kinderontvoering. Doorgaans gaat dat niet gepaard met geweld. Dat een nog zeer jong kind wordt meegenomen door een voor de gelegenheid ingehuurd ontvoeringsteam, is al helemaal uitzonderlijk.
Maar wat veel erger is dan wat er op die bewuste dag is gebeurd, is het gevolg daarvan. Dat gevolg is dat de inmiddels vijfjarige [naam ontvoerd meisje] al bijna drie jaar in India verblijft, terwijl er geen enkel vooruitzicht is dat dit gaat veranderen. India is geen partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, en al het werk dat is verzet om [naam ontvoerd meisje] terug naar Nederland te krijgen, heeft nog geen resultaat opgeleverd.

Verdachten hebben, zonder enige overdrijving, een gezinsleven kapot gemaakt. [naam ontvoerd meisje] is plotseling weggerukt uit haar vertrouwde leefomgeving en gescheiden van haar moeder, die vanaf haar geboorte tot 29 september 2016 de constante factor in haar leven was. [naam ontvoerd meisje] moet sinds die dag haar moeder missen, en haar moeder moet sinds die dag haar dochter [naam ontvoerd meisje] missen. De moeder van [naam ontvoerd meisje] heeft de rechtbank verteld dat het verdriet om het gemis van [naam ontvoerd meisje] elke dag aan haar vreet, dat het tijdsverloop daar niets aan verandert, dat zij al zo veel belangrijke momenten in het leven van [naam ontvoerd meisje] heeft gemist die niet kunnen worden ingehaald, en dat het slopend is om niet te weten wanneer het einde van de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] in zicht komt.

Dit wordt alleen maar erger, doordat – en de rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan wat de moeder van [naam ontvoerd meisje] hierover heeft verklaard – de vader van [naam ontvoerd meisje] nagenoeg ieder contact tussen [naam ontvoerd meisje] en haar moeder heeft gefrustreerd. Zij heeft slechts recent, omdat dit door de Indiase rechter werd bevolen, enkele Skype-gesprekken met haar dochter kunnen voeren.

Behalve van haar moeder, is [naam ontvoerd meisje] ook plotseling gescheiden van haar zus [naam dochter] , van haar oma en oom – die net als haar moeder geen minuut hebben gemist van de vele zittingen in deze zaak – en de rest van haar familie in Nederland. Duidelijk is dat de actie van verdachten meerdere mensen zeer veel verdriet heeft gedaan en nog iedere dag doet.Namens verdachten is aangevoerd dat het feit dat [naam ontvoerd meisje] al zo lang uit Nederland weg is, niet aan hen kan worden toegerekend. Dat is onzin. De rechtbank heeft dit al overwogen naar aanleiding van de verweren over de ten laste gelegde periode. Verdachten hebben tegen betaling een Indiër geholpen een tweejarig kind naar India te ontvoeren. Ze wisten of hadden op zijn minst moeten weten dat er een grote kans was dat [naam ontvoerd meisje] niet zou terugkeren, en dat haar moeder en familie haar lange tijd of zelfs nooit meer zullen zien. Het feit dat [naam ontvoerd meisje] nog steeds in India verblijft, is voor de volle 100% een voorzienbaar gevolg van het eigen handelen van de verdachten.
Buiten kijf staat dat [naam ontvoerd meisje] ook een vader heeft, en ook een familie heeft in India. Maar dat kan op geen enkele manier relativeren wat verdachten hebben gedaan. Op het moment van de ontvoering werd geprocedeerd over het gezag over en de verblijfplaats van [naam ontvoerd meisje] . Dat laatste onderstreept alleen maar dat verdachten zich hier ver van hadden moeten houden. Het was niet aan hèn om te beslissen waar [naam ontvoerd meisje] moest verblijven, maar aan de rechter.

Het aspect van die lopende rechtszaak maakt de zaak extra kwalijk. De meeste verdachten wisten dat de dag na de ontvoering een zitting zou plaatsvinden bij het Gerechtshof. Dat maakt de actie van de verdachten al helemaal tot een klap in het gezicht van de rechtsstaat.

Iedere onttrekking aan het ouderlijk gezag is een vorm van eigenrichting, maar dit – een tot in detail geplande ontvoering op de dag voor een rechtszitting in de zaak tussen de ouders, verricht door ingehuurde mensen die zelf buiten de strijd tussen de ouders staan – is een zeer heftige vorm daarvan.

De officieren van justitie hebben hun strafeis met name gebaseerd op de richtlijn van het Openbaar Ministerie bij internationale kinderontvoering, die een eis van zes maanden tot vier jaar voorschrijft. Elf van de dertien mogelijke strafverzwarende omstandigheden doen zich hier voor, aldus de officieren van justitie, waarbij kennelijk vooral zwaar wegen: de zeer jonge leeftijd van [naam ontvoerd meisje] , het feit dat de onttrekking aan het wettig gezag nog steeds voortduurt, en dat [naam ontvoerd meisje] is ontvoerd naar een land waar de vooruitzichten op het terugdraaien van de ontvoering slecht zijn.

Door de verdediging van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] is verwezen naar uitspraken, waarbij voor onttrekking aan het gezag veel lagere straffen worden opgelegd dan hier zijn geëist. In alle gevallen gaat het naar het oordeel van de rechtbank echter om onvergelijkbare zaken.Bij ECLI:NL:RBOVE:2015:2290 ging het om iemand die een 13-jarig kind hielp om twee dagen weg te lopen van een pleeggezin. Bij ECLI:NL:RBOVE:2017:4737 ging het om een vader die drie kinderen elf dagen aan het gezag van de moeder onttrok. Bij ECLI:NL:RBUTR: 2009:BI1291 ging het om een vader die een kind vijf dagen aan het gezag van de moeder onttrok. Bij ECLI:NL:RBOVE:2013:3372 ging het om een vader die – met geweld –- drie kinderen aan het gezag van de moeder onttrok, maar die onttrekking duurde acht dagen. Bij ECLI:NL:GHSHE:2018:205 was fors geweld gebruikt, maar duurde de onttrekking aan het gezag kennelijk niet eens een dag.
Door naar deze uitspraken te verwijzen, wordt miskend wat deze zaak nu juist zo ernstig maakt: dat [naam ontvoerd meisje] al bijna drie jaar aan het gezag van haar moeder is onttrokken, en dat er geen enkel vooruitzicht is dat dit weer goed gaat komen.

Er is geen LOVS-oriëntatiepunt voor onttrekking aan het wettig gezag, internationale kinderontvoering of ontvoering. Het enige oriëntatiepunt waarmee tot op enige hoogte een vergelijking kan worden gemaakt, is dat voor een woningoverval met licht geweld, waarbij als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van drie jaar geldt. Ook in deze zaak was sprake van binnendringen in een woning, waarbij geweld was voorzien en ook geweld heeft plaatsgevonden. In vergelijking met een gemiddelde woningoverval, was het binnendringen in de woning in deze zaak korter, en minder gewelddadig. Toch is deze zaak een stuk ernstiger. Hier zijn geen geld of spullen weggenomen, maar is een meisje van slechts twee jaar oud meegenomen, en dat meisje is bijna drie jaar later nog steeds niet terug bij haar moeder. De gevolgen zijn – in die zin – veel ernstiger dan de gevolgen van een woningoverval. Een woningoverval heeft vaak een forse psychische impact op de slachtoffers, maar dat is hier zeker niet anders, zo blijkt uit de slachtofferverklaringen die op de zitting zijn afgelegd door en namens de familie van [naam ontvoerd meisje] .

De rechtbank heeft afgewogen wat de officieren van justitie aan hun eis ten grondslag hebben gelegd en heeft een vergelijking gemaakt met het oriëntatiepunt voor woningovervallen. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat voor die verdachten die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan zowel de planning als de uitvoering van de ontvoering van [naam ontvoerd meisje] , een passend uitgangspunt voor de op te leggen straf is: een gevangenisstraf van vier en een half jaar.

Er zijn drie verdachten die volgens de rechtbank zo’n rol hebben vervuld: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Zij hebben alle drie een even belangrijke rol gespeeld bij de planning van de ontvoering. Wat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] “missen” omdat zij, anders dan [medeverdachte 2] , niet bij de inval op de [adres 1] aanwezig waren, compenseren zij doordat zij op hun beurt, anders dan [medeverdachte 2] , volop betrokken waren bij wat er na de overdracht bij De Witte Bergen plaatsvond: het buiten Nederland brengen van [naam ontvoerd meisje] .

Per verdachte moet vervolgens worden bekeken of er redenen zijn, gegeven de persoonlijke omstandigheden, om van dit uitgangspunt af te wijken.

[medeverdachte 3] heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, waarin door klinisch psycholoog drs. B. van Giessen de conclusie is getrokken dat de feiten hem in mindere mate kunnen worden toegerekend. Hij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis; deze PTSS en sociale omstandigheden hebben geleid tot een verminderd kritisch vermogen. De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundige over. Splinter wist dat hij fout zat, maar was, in de woorden van de psycholoog, “verminderd in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen”. Met deze omstandigheid moet bij de strafoplegging in enige mate rekening worden gehouden. De rechtbank zal dat doen door de op te leggen gevangenisstraf met drie maanden te verminderen.

Behalve in de conclusie van de deskundige, ziet de rechtbank geen reden om in het geval van [medeverdachte 3] van het uitgangspunt voor de op te leggen straf af te wijken. Hij is één van de drie hoofddaders. Hij heeft mede vanuit financiële motieven een onmisbare rol gespeeld in de coördinatie en daarmee het welslagen van de ontvoering. Bovendien heeft hij medeontvoerders en medeplichtigen, waaronder zijn dochter, geronseld. Anders dan andere verdachten heeft hij zich niet direct gemeld, nadat de ernst van de situatie tot hem moet zijn doorgedrongen, en heeft hij nadien geen open kaart gespeeld. Hij heeft beperkt meegewerkt aan het onderzoek; hij heeft veelvuldig gelogen en zijn verklaring gewijzigd. Waar mogelijk heeft hij zijn rol kleiner proberen te maken of de schuld op anderen proberen af te schuiven. Hij heeft wel een soort van spijt betuigd, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende laten zien dat hij het kwalijke inziet van zijn handelen.

De rechtbank legt aan [medeverdachte 3] daarom een gevangenisstraf op voor de duur van vier jaar en drie maanden.

[medeverdachte 4] heeft niet veel willen verklaren over de ontvoering en zijn rol daarbij, en de vraag waarom hij daaraan heeft meegedaan. Ter zitting heeft [medeverdachte 4] zelfs niets willen verklaren over de feiten, anders dan dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan en dat hij de situatie niet goed heeft beoordeeld. Bij gebrek aan een onderbouwing van die uitlatingen, kan de rechtbank niet beoordelen in hoeverre de spijtbetuiging van [medeverdachte 4] oprecht is. De rechtbank weet te weinig over de wijze waarop [medeverdachte 4] bij de zaak betrokken is geraakt, zijn rol daarin of de manier waarop hij daarop terugkijkt om daarin enige aanleiding te zien om van het uitgangspunt af te wijken.

Door de raadsvrouw van [medeverdachte 4] is aangevoerd dat de schrijnende omstandigheden waaronder hij in de Verenigde Staten in uitleveringsdetentie heeft gezeten, reden is om een lagere straf op te leggen. De rechtbank ziet daarin, en in de slechte gezondheidstoestand van [medeverdachte 4] , aanleiding om in zijn voordeel in enige mate van het uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank legt aan [medeverdachte 4] daarom een gevangenisstraf op van vier jaar.

[medeverdachte 2] is de enige verdachte die volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt en de enige verdachte die oprecht berouw lijkt te hebben van wat hij heeft gedaan. De verklaringen van [medeverdachte 2] hebben zowel de politie als de rechtbank geholpen een vrij goed beeld van de zaak te krijgen. Dat de spijt van [medeverdachte 2] oprecht is, leidt de rechtbank in de eerste plaats af uit het feit dat hij zich op de dag na de ontvoering bij de politie heeft gemeld en – dit vindt de rechtbank veelzeggend – daarbij het geld dat hij van [naam vader] had ontvangen heeft meegenomen en afgegeven. In de tweede plaats krijgt de rechtbank deze indruk op basis van wat [medeverdachte 2] heeft verklaard bij de diverse politieverhoren, en wat hij op de zittingen heeft verklaard. [medeverdachte 2] verklaart consistent, en schuift niets af op anderen. Daarin verschilt hij sterk van zijn medeverdachten, die ofwel zwijgen ofwel liegen en draaien, hun rol kleiner maken dan hij was, en geen van allen hun verantwoordelijkheid nemen.

De rechtbank legt hierom aan [medeverdachte 2] een gevangenisstraf op van drie jaar.

Dat is één derde lager dan het uitgangspunt dat volgens de rechtbank past bij de rol van [medeverdachte 2] . De rechtbank begrijpt dat dit een forse korting is, en dat de moeder en verdere familie van [naam ontvoerd meisje] niets hebben aan het berouw van [medeverdachte 2] . Toch vindt de rechtbank het verschil in houding ten opzichte van wat hier is gebeurd van aan de ene kant [medeverdachte 2] , en aan de andere kant de andere verdachten, zo opvallend, dat de rechtbank een duidelijk onderscheid in de op te leggen straffen wil maken.

De rechtbank kijkt iets anders naar de rol van [medeverdachte 1] dan de officieren van justitie, en vindt het passend voor hem een iets lager uitgangspunt te hanteren dan voor [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had zonder meer een kwalijke rol, maar anders dan bij die andere drie, was zijn rol puur een uitvoerende. Hij is niet betrokken geweest bij de planning van de ontvoering, en is pas de dag voor de ontvoering bij het plan betrokken. De rechtbank vindt een uitgangspunt van vier jaar gevangenisstraf passend bij de rol van [medeverdachte 1] .

De rechtbank ziet, anders dan bij andere verdachten, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De houding en proceshouding van [medeverdachte 1] pleiten slechts tegen hem. [medeverdachte 1] heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen; hij heeft volhard in zijn onzinnige verhaal dat hij uit het buitenland is ingevlogen om een gerechtelijk stuk uit India in Nederland uit te reiken, zonder iets te weten van de plannen van de ontvoerders. De houding van [medeverdachte 1] werd gekenmerkt door zelfmedelijden (zoals toen hij vertelde hoe erg het was dat hij door zijn voorlopige hechtenis zijn kinderen moest missen), door boosheid (waarbij hij de officier van justitie en rechtbank heeft beledigd) en door huichelarij (zoals toen hij had geprobeerd aan een nieuw paspoort te komen, nadat zijn