Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:4805

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:4805, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AMS 19/139


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussende stichting genaamd Stichting Nederlands Auschwitz Comité, te Amsterdam,de gemeente Amsterdam,
Bestuursrecht
gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten,
gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.

zaaknummer: AMS 19/139

de verenigingen genaamd Bewonersvereniging Studentenflat Weesperstraat en Plantage-Weesperbuurtvereniging, de stichtingen genaamd Stichting de Groene Plantage en Stichting Tussen Amstel en Artis, en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ,

gemachtigde: mr. A.B. Blomberg,
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

en

Daar waar nodig zal de rechtbank de individuele eisers hierna aanduiden als [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] en zal de rechtbank de verenigingen en de stichtingen hierna aanduiden als de rechtspersonen. De rechtbank zal verweerder hierna aanduiden als het college en de derde-partijen als respectievelijk het NAC en de gemeente Amsterdam. Onder het college wordt in deze uitspraak ook verstaan de rechtsvoorganger van het college, namelijk het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam.

ECLI:NL:RBAMS:2019:4805:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAMuitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussende stichting genaamd Stichting Nederlands Auschwitz Comité, te Amsterdam,de gemeente Amsterdam,
Bestuursrecht
gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten,
gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.
zaaknummer: AMS 19/139

de verenigingen genaamd Bewonersvereniging Studentenflat Weesperstraat en Plantage-Weesperbuurtvereniging, de stichtingen genaamd Stichting de Groene Plantage en Stichting Tussen Amstel en Artis, en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ,

gemachtigde: mr. A.B. Blomberg,
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

en

Daar waar nodig zal de rechtbank de individuele eisers hierna aanduiden als [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] en zal de rechtbank de verenigingen en de stichtingen hierna aanduiden als de rechtspersonen. De rechtbank zal verweerder hierna aanduiden als het college en de derde-partijen als respectievelijk het NAC en de gemeente Amsterdam. Onder het college wordt in deze uitspraak ook verstaan de rechtsvoorganger van het college, namelijk het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam.

procesverloop

Procesverloop

Met een besluit van 27 december 2017 heeft het college een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend aan het NAC voor het oprichten van een monument ter nagedachtenis aan de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust die nooit een graf hebben gekregen. Het Namenmonument wordt opgericht in de groenstrook tussen de Weesperstraat en de Hoftuin tegenover het gebouw Weesperstraat [nummers] in Amsterdam. De rechtbank zal deze omgevingsvergunning verder aanduiden als de bouwvergunning.Met een afzonderlijk besluit van 27 december 2017 heeft het college aan de gemeente Amsterdam een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 25 bomen in verband met het oprichten van het Namenmonument. De rechtbank zal deze omgevingsvergunning verder aanduiden als de kapvergunning.
Met een besluit van 27 november 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen de bouwvergunning ongegrond en tegen de kapvergunning deels gegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.Het NAC heeft een reactie gegeven.
De zaak is, gelijktijdig met de beroepszaak AMS 18/7480, behandeld op een zitting van 28 mei 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door [naam 6] en [naam 8] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 9] , procesmanager Namenmonument bij de gemeente Amsterdam, [naam 10] , juridisch adviseur van de Directie Juridische Zaken van de gemeente Amsterdam, [naam 11] , jurist Ruimte & Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam en [naam 12] , medewerker van Metro en Tram van de gemeente Amsterdam. Het NAC heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. L.W. Feenstra, kantoorgenoot van mr. Van der Grinten, en door [naam 13] , voorzitter van het NAC, en [naam 14] , directeur van IMd Raadgevende Ingenieurs (IMd). De gemeente Amsterdam is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
overwegingen

Overwegingen

Achtergrond van deze zaak

1.1.
Op 21 september 2017 heeft het NAC een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een Namenmonument in het plantsoen. Het Namenmonument is ontworpen door architect [naam 15] en bestaat uit een aantal stenen muren dat zo wordt geplaatst dat het een labyrint van gangen vormt. De muren dragen vier Hebreeuwse letters van spiegelend roestvrijstaal die samen de tekst ‘In herinnering aan’ vormen. In de stenen worden de namen, geboortedata en leeftijden van ruim 102.000 Nederlandse slachtoffers van de Holocaust gegraveerd. Het gaat om slachtoffers van Joodse, Roma en Sinti afkomst die nooit een graf hebben gekregen. De hoogte van de muren van het Namenmonument varieert, maar is op zijn hoogste punt ongeveer 2,43 meter. De roestvrijstalen letters op de muren variëren ook qua hoogte, maar zijn op het hoogste punt ongeveer 6,60 meter. Het Namenmonument heeft een lengte van ongeveer 250 meter.
1.2.
Op 27 september 2017 heeft de gemeente Amsterdam een aanvraag voor een kapvergunning ingediend voor het kappen van 34 bomen in verband met het oprichten van het Namenmonument.
1.3.
Het college heeft vervolgens de twee besluiten van 27 december 2017 genomen. Het college heeft bij het verlenen van de bouwvergunning besloten om met toepassing van een binnenplanse vrijstelling van het bestemmingsplan af te wijken omdat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" (het bestemmingsplan).De kapvergunning is verleend voor het kappen van 25 bomen. Aan de kapvergunning is de voorwaarde verbonden dat 55 bomen van diverse soorten en grootte worden herplant. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
1.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers tegen de bouwvergunning ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de kapvergunning is deels gegrond verklaard. Daarbij is vergunning verleend voor de kap van 24 bomen en de herplantingsplicht geldt voor 56 bomen.
1.5.
De rechtbank heeft de eisers bij brief van 16 mei 2019 verzocht toe te lichten waarom zij belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunningen.
1.6.
Eisers hebben met een brief van 23 mei 2019 een toelichting gegeven.
2. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Zijn eisers belanghebbenden?

3.1.
De rechtbank moet allereerst beoordelen of eisers belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunningen en of het college hen terecht ontvankelijk heeft geacht in hun bezwaar tegen de omgevingsvergunningen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is namelijk bepaald dat alleen een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit. Volgens vaste rechtspraak moet de rechtbank dit ambtshalve beoordelen.
3.2.
Belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Voor rechtspersonen geldt dat als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
De verenigingen en de stichtingen

3.3.
De verenigingen en de stichtingen hebben in beroep hun statuten overgelegd. Verder hebben zij in een brief van 6 april 2018 uiteengezet welke feitelijke werkzaamheden zij verrichten en hebben verricht. De rechtbank vindt dat de verenigingen en de stichtingen, gelet op hun statutaire doelstellingen en hun feitelijke werkzaamheden, belanghebbenden zijn bij de bouwvergunning en de kapvergunning. Het college heeft hen dan ook terecht ontvankelijk geacht in hun bezwaar.
De natuurlijke personen

3.4.
Volgens vaste rechtspraak moet een natuurlijk persoon om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang bij het besluit hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Aannemelijk moet wel zijn dat de betrokkene gevolgen van enige betekenis kan ondervinden. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.5.
De natuurlijke personen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] wonen allen op korte afstand van het plantsoen. [naam 4] , [naam 1] en [naam 6] hebben geen zicht op het plantsoen, [naam 7] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 3] wel. [naam 1] woont aan de [adres] op minder dan 100 meter van de locatie voor het Namenmonument. [naam 6] woont iets verderop in dezelfde straat, op een afstand van meer dan 100 meter. De [adres] is voor voetgangers en fietsers de verbindingsweg met het deel van het Joods Kwartier waar de Hollandse Schouwburg zich bevindt. [naam 4] woont aan de [adres] , op een afstand van minder dan 100 meter van de geplande locatie voor het Namenmonument en op korte afstand van de parkeerplaats voor bussen bij het Joods Historisch Museum. Van deze parkeerplek zullen ook bussen met bezoekers voor het Namenmonument gebruik maken. De rechtbank vindt het aannemelijk dat het Namenmonument zal zorgen voor meer verkeersbewegingen (voetgangers, fietsers, auto’s en bussen) en een hogere parkeerbezetting in de naaste omgeving. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat alle natuurlijke personen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het Namenmonument. Zij zijn daarom belanghebbenden bij de bouwvergunning. Voor [naam 7] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 3] geldt dit ook voor de kapvergunning, omdat zij zicht hebben op de te kappen bomen. Ook [naam 4] en [naam 1] zijn als belanghebbenden aan te merken bij de kapvergunning. Zij wonen zo dichtbij dat aannemelijk is dat zij gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het kappen van de bomen. [naam 6] woont weliswaar net als [naam 1] aan de [adres] , maar haar woning ligt, anders dan die [naam 1] , niet zeer dicht in de buurt van de hoek van de [adres] / [adres] van waar de te kappen bomen zichtbaar zijn. Gelet hierop kan van [naam 6] niet worden gezegd dat zij zo dichtbij woont dat aannemelijk is dat zij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het kappen van de bomen. Het college heeft [naam 6] dan ook ten onrechte als belanghebbende bij de kapvergunning aangemerkt.
3.6.
De conclusie is dat het college alleen [naam 6] ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende bij de kapvergunning. In zoverre is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Voor de bespreking van de door [naam 6] aangevoerde gronden heeft dit oordeel geen gevolgen, omdat deze gronden identiek zijn aan de gronden van de overige eisers. De rechter zal vanwege de leesbaarheid zowel bij het bespreken van de bouwvergunning als de kapvergunning steeds spreken van eisers. Bij de kapvergunning worden daarmee alle eisers bedoeld met uitzondering van [naam 6] .
4. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden aangevoerd tegen de bouwvergunning. De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de volgende onderwerpen bespreken:
De bouwvergunning

De locatiekeuze en inspraakmogelijkheden

-

De omvang van de toetsing en de gevolgde procedure, met name in verband met de locatiekeuze en de inspraak.

De verlening van de binnenplanse vrijstelling. Deze moet voldoen aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 van de Wabo.

De vereisten van het Bouwbesluit. Indien daar niet aan wordt voldaan, moet de bouwvergunning op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a van de Wabo worden geweigerd.

5.1.
Eisers voeren aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest omdat de buurt geen inspraak heeft gehad in de vormgeving van het monument en in de keuze van de locatie. Het ontbreken van inspraak bij de locatiekeuze achten zij in strijd met de vooraf door de gemeenteraad vastgestelde procedure. Verder is het Locatieadvies, op grond waarvan voor de locatie in het plantsoen is gekozen, inhoudelijk onjuist. Dit alles tast de rechtmatigheid van de besluitvorming aan. De locatiekeuze is geen louter politieke beslissing. Bij het aanwijzen van de meest geschikte locatie door de gemeenteraad spelen ruimtelijke argumenten een rol, waardoor het locatiekeuzebesluit constitutief is voor de verleende bouwvergunning. Het locatiekeuzebesluit van de gemeenteraad is niet zelfstandig vatbaar voor bezwaar en beroep en deze voorbereidingsbeslissing moet daarom in deze beroepsprocedure aan de orde kunnen komen en worden getoetst, aldus eisers.
5.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat de locatiekeuze als voorbereidingsbesluit betrokken kan worden in deze procedure. Hoewel het hier zeker om een bijzonder bouwwerk gaat, een nationaal monument, zijn op de aanvraag de ‘normale’ regels van de Wabo van toepassing. Dit houdt in dat het bouwplan, zoals ingediend door het NAC, inclusief de door haar gekozen locatie, het uitgangspunt vormde bij de beoordeling door het college of een omgevingsvergunning op grond van de Wabo kan worden verleend.
5.3.
Het locatiekeuzebesluit van de gemeenteraad is een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, namelijk het sluiten van een overeenkomst over het ter beschikking stellen van de grond van de gemeente aan het NAC. Zo’n voorbereidingsbesluit is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat betekent dat in deze zaak uitsluitend de besluitvorming voorligt over de aanvraag van het NAC voor een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het bouwen van het Namenmonument.

5.4.
Als het ingediende bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan volgens vaste rechtspraak het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking leiden als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers hebben weliswaar het Locatieonderzoek aangevochten, maar hebben geen concrete alternatieven aangedragen die voldoen aan het hiervoor vermelde criterium. Het college hoefde daar in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning ook niet zelf onderzoek naar te doen. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld of een bouwvergunning kon worden verleend voor dit ontwerp op deze locatie.
5.5.
De rechtbank heeft begrip voor de wens van eisers om inspraak te hebben over de locatie en het ontwerp van het Namenmonument. Inspraak maakt echter geen onderdeel uit van de in de Wabo geregelde procedure bij gebruikmaking van een binnenplanse vrijstelling. Het college was dan ook niet verplicht tot het bieden van meer of extra inspraak en was daar ook niet toe gehouden op grond van een of meer beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.
De binnenplanse vrijstelling van het bestemmingsplan

6.1.
Op grond van het bestemmingsplan heeft het plantsoen de bestemming ‘Verkeer’. Uit de planregels blijkt dat gronden met de bestemming ‘Verkeer’ bestemd zijn voor onder andere fiets- en voetpaden en groen. Het Namenmonument is in strijd met deze bestemming en, gelet op de hoogte van het Namenmonument, ook in strijd is met de bouwregels die slechts een hoogte van maximaal 3,5 meter toestaan. In de planregels is echter bepaald dat door middel van een (binnenplanse) vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden afgeweken voor het realiseren van gedenktekens.
6.2.
Eisers menen dat het college ten onrechte een binnenplanse vrijstelling heeft verleend, omdat de bestemming hierdoor onomkeerbaar wijzigt. Dat is met een binnenplanse afwijking niet toegestaan. Het plantsoen met de bestemming ‘Verkeer’ verandert volgens eisers namelijk door de komst van het Namenmonument in een bezienswaardigheid die zich uitstrekt over het gehele plantsoen en ’s avonds wordt afgesloten.
6.3.
Volgens het college is geen sprake van een onomkeerbare wijziging van de bestemming, omdat de verkeersmogelijkheden niet zullen afnemen en het gebied voor het grootste deel nog vrij toegankelijk is. Het is bovendien niet zo dat binnen het Namenmonument ‘geen enkele vrije verkeersruimte’ zou overblijven.
6.4.
De rechtbank overweegt het volgende. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 33 van de planregels is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid alleen dan buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met de Wro als deze afwijkingsmogelijkheid een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel als die bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige beperking. Voor de vraag of sprake is van een planologisch relevante wijziging van de bestemming is van belang of de bestaande bestemming realiseerbaar blijft na realisering van de afwijking van het bestemmingsplan. Daarbij is van belang welk gebruik op grond van de doeleindenomschrijving van de bestemming is toegestaan. Bij deze beoordeling zijn de aard, omvang en ruimtelijke uitstraling van de wijziging van belang.

6.5.
De bestaande bestemming ‘Verkeer’ is ook na de bouw van het Namenmonument met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid nog realiseerbaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gedeelte van de gronden met de bestemming ‘Verkeer’, waarop het Namenmonument wordt verwezenlijkt, in verhouding tot de totale omvang van de gronden met deze bestemming in het bestemmingsplan klein is. De verkeersbestemming rondom het Namenmonument blijft bestaan (rijbaan, fietspad, trottoir, heg en andere groenvoorzieningen). Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het Namenmonument voor voetgangers toegankelijk is. Gelet hierop is geen sprake van een planologisch relevante bestemmingswijziging. Dit betekent dat het college de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in zoverre mocht toepassen.
6.6.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan een omgevingsvergunning bij toepassing van een binnenplanse afwijking slechts worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het bestemmingsplan is bepaald dat toepassing van de bevoegdheid om af te wijken niet tot gevolg mag hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan.Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hieraan wordt voldaan. Bovendien is de afwijking volgens het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eisers betwisten dit. Zij betogen daarom dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan de binnenplanse afwijking. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende beroepsgronden die eisers aan hun betoog ten grondslag hebben gelegd.
De Haalbaarheidsstudie

6.7.
Eisers voeren aan dat het Namenmonument in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat niet is voldaan aan de randvoorwaarden in de Haalbaarheidsstudie (hierna: de randvoorwaarden). Dit zijn volgens hen bindende voorwaarden. De gemeenteraad heeft namelijk in een raadsbesluit van 22 juni 2016 op voordracht van het college kennisgenomen van de Haalbaarheidsstudie en de daarin opgenomen stedenbouwkundige randvoorwaarden en vervolgens ingestemd met het plantsoen als locatie voor het Namenmonument onder de voorwaarde dat de randvoorwaarden in acht worden genomen. Eisers hebben voorts gewezen op toezeggingen door ambtenaren van het stadsdeel Centrum en stadsdeelvoorzitter [naam 16] tijdens een informatieavond op 31 mei 2016 dat er overeenkomstig de randvoorwaarden zal worden gehandeld.
6.8.
Volgens het college is de Haalbaarheidsstudie een ambtelijke studie om te onderzoeken of de locatie Weesperstraat in fysieke zin geschikt is voor het realiseren van het Namenmonument. De daarin genoemde randvoorwaarden zijn geen bindende voorwaarden om het Namenmonument in overeenstemming te kunnen achten met een goede ruimtelijke ordening, maar moeten worden aangemerkt als uitgangspunten die mede kunnen worden betrokken bij het beantwoorden van de vraag of het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel (de toezeggingen door ambtenaren) kan dit beroep niet slagen, aldus het college.
6.9.
De rechtbank stelt voorop dat het college het bevoegde orgaan is om te beslissen over het verlenen van de bouwvergunning met een binnenplanse vrijstelling. Bij de beoordeling of die vrijstelling in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening is het college in beginsel niet gebonden aan meningen daarover van de gemeenteraad, ambtenaren van het stadsdeel Centrum of [naam 16] . Dat betekent dat de Haalbaarheidsstudie het college niet bindt bij de besluitvorming, tenzij hij daarmee in strijd komt met het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen zo mogelijk moeten worden gehonoreerd (het vertrouwensbeginsel).De rechtbank zal beoordelen of het college op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden was om de randvoorwaarden als bindende voorwaarden te hanteren. De rechtbank zal allereerst beoordelen of de uitlatingen van de raad, de gemeenteambtenaren en van [naam 16] kunnen worden gekwalificeerd als toezeggingen dat de randvoorwaarden als bindende voorwaarden zouden worden beschouwd. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuursorgaan over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.
6.10.
De Haalbaarheidsstudie is opgesteld door ambtenaren van de Dienst Ruimte en Duurzaamheid. Doel was om te onderzoeken of de locatie Weesperstraat geschikt is voor het Namenmonument. In de Haalbaarheidsstudie wordt inzichtelijk gemaakt welke randvoorwaarden en uitgangspunten noodzakelijk zijn voor een goede inpassing in de omgeving. Op de informatieavond van 31 mei 2016 hebben ambtenaren van het stadsdeel Centrum en [naam 16] een toelichting gegeven op de keuze van het plantsoen als locatie voor het Namenmonument. Een ontwerp was toen nog niet bekend. Gezegd is dat er uitgangspunten zijn waar de ontwerper rekening mee moet houden. Er is echter niet over de Haalbaarheidsstudie gesproken. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de bijeenkomst op 31 mei 2016 slechts een informatief karakter had, konden de uitlatingen van de ambtenaren en van [naam 16] bij eisers redelijkerwijs niet de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het college, in die zin dat de randvoorwaarden als bindende voorwaarden zouden worden gehanteerd bij de beoordeling van een aanvraag voor een bouwvergunning. Hieruit volgt dat van een toezegging geen sprake is geweest.
6.11.
De gemeenteraad heeft blijkens het raadsbesluit van 22 juni 2016 kennis genomen van de Haalbaarheidsstudie en de daarin opgenomen randvoorwaarden. De raad heeft vervolgens besloten het plantsoen aan te wijzen als definitieve locatie voor het Namenmonument met inachtneming van de randvoorwaarden uit de Haalbaarheidsstudie. Zoals al in rechtsoverweging 5.3 staat, is het locatiekeuzebesluit een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het betreft dus een besluitvormingstraject van de gemeenteraad over een onderwerp terzake waarvan de gemeenteraad het bevoegde orgaan is. Een dergelijk besluit van de gemeenteraad kan niet worden aangemerkt als een uitlating en daarmee ook niet als een toezegging van het college.
6.12.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Aangezien het college de randvoorwaarden in de Haalbaarheidsstudie mede heeft betrokken bij de beoordeling of het Namenmonument in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank dit ook doen.
Strijd met een goede ruimtelijke ordening?

6.13.
Eisers voeren aan dat het Namenmonument ook overigens in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het Namenmonument tot gevolg heeft dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Zij wijzen in dit verband op de aantasting van de zichtlijnen vanaf de Weesperstraat met de Hoftuin en de historische bebouwing daaromheen, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de vluchtveiligheid.
6.14.
De rechtbank merkt allereerst op dat de vluchtveiligheid geen verband houdt met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Voor de vluchtveiligheid van bezoekers van een bouwwerk zoals het Namenmonument bevat het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) regels en normen. Omdat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ook getoetst moet worden aan het Bouwbesluit zal de rechtbank de beroepsgrond over de vluchtveiligheid van bezoekers hierna bespreken onder het kopje
6.15.
Het college stelt zich op het standpunt dat de onder 6.13 weergegeven beroepsgronden niet voldoen aan het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb.
6.16.
De rechtbank is dit niet met het college eens. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eisers door het bestreden besluit dreigen te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eisers. De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste niet aan beoordeling van deze beroepsgronden in de weg staat. Het belang van eisers bij deze beroepsgronden is het behouden van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. Dit is een aspect dat deel uitmaakt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Een goede ruimtelijke ordening strekt ook tot bescherming van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van eisers. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat deze bepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers.
De zichtrelatie tussen Weesperstraat en Hoftuin

6.17.
Eisers voeren aan dat het Namenmonument de zichtrelatie tussen de Weesperstraat en de Hoftuin en de historische bebouwing daaromheen aantast. Dit is in strijd met de randvoorwaarden, met een goede ruimtelijke ordening en leidt tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. Volgens eisers kan voor dit standpunt ook steun worden gevonden in het Masterplan Wibautas, vastgesteld door de gemeenteraad op 13 februari 2002 (hierna: het Masterplan).
6.18.
Niet in geschil is dat na de bouw van het Namenmonument het zicht op de Hoftuin vanaf de Weesperstraat afneemt. Volgens het college blijven er echter voldoende zichtlijnen op de Hoftuin bestaan. Het college verwijst hiervoor naar het addendum op de ruimtelijke motivering van Mees Ruimte & Milieu van 3 mei 2018 (hierna: het addendum) en het advies van de Commissie Welstand en Monumenten (CWM) van 7 december 2016. De rechtbank vindt dat het college toereikend heeft onderbouwd dat de zichtrelatie tussen de Weesperstraat en de Hoftuin en de historische bebouwing voldoende wordt gehandhaafd, althans in die mate wordt gehandhaafd dat dit geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening en niet leidt tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. In het addendum is vermeld dat het Namenmonument is opgebouwd als een ensemble van verschillende massa’s met ruimte tussen de onderlinge bouwdelen. De bestaande zichtas op de toegangspoort van de Hoftuin en de centrale as van de tuin en de Hermitage, gezien vanaf de Weesperstraat, blijven behouden. Bovendien is ter hoogte van de entree van de Hoftuin extra veel ruimte tussen de afzonderlijke bouwdelen opgenomen en blijft de entree van de Hoftuin vanuit een brede hoek zichtbaar, aldus het addendum. Verder heeft het college in het verweerschrift door middel van een plattegrond aangetoond dat ook op andere punten enkele zichtlijnen vanaf de Weesperstraat tot de Hoftuin en de historische bebouwing gehandhaafd blijven. Het college is terecht van mening dat het bouwplan daarmee ook in overeenstemming is met het Haalbaarheidsonderzoek. Als randvoorwaarde staat daarin namelijk vermeld dat de toegangspoort en de centrale as van de tuin vanaf de Weesperstraat waarneembaar moeten blijven. Het college heeft verder terecht verwezen naar het advies van het CWM van 7 december 2016. In dit advies heeft het CWM vermeld dat de doorzichten naar de Hoftuin voldoende zijn opengehouden. Ten slotte heeft het college op goede gronden aan het standpunt dat de cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plantsoen niet worden aangetast ten grondslag gelegd dat het plantsoen van relatief recente datum is omdat tot de aanleg van de metrolijn in de jaren 60 er nog huizen stonden op de bouwlocatie.
6.19.
Aan het Masterplan kunnen eisers geen steun ontlenen voor hun betoog. In dit plan is vermeld dat het geen formele planologisch-juridische status heeft zoals een bestemmingsplan. Het is een beleidsdocument, dat na de vaststelling door de gemeenteraad en stadsdeelraad gezien kan worden als een set afspraken tussen betrokken bestuursorganen. De rechtbank leidt hieruit af dat het Masterplan geen bindende voorwaarden bevat voor het verlenen van een bouwvergunning als hier aan de orde. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat het Masterplan bijna twintig jaar oud is en niet meer aansluit bij de huidige realiteit.
Vormt het Namenmonument een risico voor de (sociale) veiligheid?

6.20.
Eisers voeren aan dat de hoogte, de vormgeving en de nachtelijke afsluiting van het Namenmonument op deze ingesloten locatie tot onveiligheid leidt. Het plantsoen wordt getransformeerd tot een onoverzichtelijk, besloten en beklemmend gebied dat criminaliteit kan en zal uitlokken. Verder wijzen eisers op de dreiging van terreur, omdat er risico’s zijn rond plekken met een Joodse betekenis of signatuur.
6.21.
De rechtbank vindt dat toereikend is onderbouwd dat voldoende maatregelen zijn genomen om de sociale veiligheid rondom het Namenmonument te waarborgen. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat tussen de verspringende muren en hoeken veel open ruimte is gelaten, waardoor geen sprake is van een onoverzichtelijke of afgesloten stelsel van muren. Het college heeft verwezen naar het advies van de politie van Amsterdam van 5 juli 2018. In dit advies staat dat zij zich schaart achter hetgeen de driehoek hierover heeft bepaald. De driehoek heeft besloten dat het Namenmonument wordt beschouwd als een regulier oorlogsmonument met Joodse symbolische waarde en dat de driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en korpschef van de politie, een aantal zichtbare en niet-zichtbare maatregelen zal nemen om de veiligheid te bewaken. Zo zullen op een aantal strategische plekken overzichtscamera’s worden geplaatst en zal bij de herinrichting van de infrastructuur rekening worden gehouden met preventieve veiligheidsmaatregelen, zoals drempels of het plaatsen van banken, aldus het advies. Verder zal er ook verlichting worden aangebracht. Het college heeft aldus op grond van dit advies kunnen concluderen dat eventuele veiligheidsrisico’s voldoende zijn geadresseerd en niet in de weg staan aan vergunningverlening.
De trottoirruimte voor voetgangers langs het monument

6.22.
Eisers voeren aan dat het geplande trottoir langs het Namenmonument te smal is en dit tot gevaarlijke situaties zal leiden. Het trottoir is de doorgaande route van de Weesperstraat naar de metro. Gezien de toegenomen bezoekersaantallen van de Hollandse Schouwburg in de afgelopen jaren, vinden zij dat het college het verwachte bezoekersaantal van 70.000 per jaar en tijdens drukke uren 200 bezoekers per uur veel te laag heeft ingeschat. Verder wijzen eisers erop dat in de Leidraad Centrale Verkeerscommissie 2016 is vermeld dat bij permanente publiekstrekkers een trottoir van minstens 3,6 meter gewenst is. Ook in de Haalbaarheidsstudie wordt deze breedte genoemd. Het trottoir langs het Namenmonument voldoet daar niet aan.
6.23.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. In de ruimtelijke motivering van Mees Ruimte & Milieu van 21 december 2017 (de ruimtelijke motivering) zijn de verwachte bezoekersaantallen vermeld. Op de drukste uren zullen ongeveer 200 bezoekers per uur het Namenmonument bezoeken. Anders dan eisers menen is deze schatting niet gebaseerd op alleen de bezoekersaantallen van de Hollandse Schouwburg maar op die van meerdere vergelijkbare bezienswaardigheden. Gebleken is dat het trottoir een gemiddelde breedte van 2 meter krijgt. Uit het rapport van Goudappel Coffeng van 8 september 2017 blijkt dat een trottoir van minimaal 1,80 meter voldoet aan de CROW-richtlijnen en dat het aantal extra bezoekers dat gebruik zal maken van het trottoir prima te verwerken is. Goudappel Coffeng heeft dit nog nader toegelicht in een reactie van 9 mei 2018, met de aanvulling dat het aantal voetgangers na de totstandkoming van het Namenmonument niet substantieel verandert, namelijk van ruim 2 voetgangers per minuut naar 3 voetgangers per minuut. De rechtbank ziet in het betoog van eisers geen reden om aan de genoemde conclusies uit de ruimtelijke motivering en de rapporten van Goudappel Coffeng te twijfelen. Daarom heeft het college deze conclusies kunnen overnemen en bij de besluitvorming kunnen betrekken. Eisers hebben er weliswaar terecht op gewezen dat in de Leidraad Centrale Verkeerscommissie 2016 is vermeld dat bij permanente publiekstrekkers een trottoir van minstens 3,6 meter gewenst is, maar deze Leidraad is niet bindend en is niet bestuurlijk vastgesteld. Het college was daar dan ook niet aan gebonden. Verder staat in de Haalbaarheidsstudie vermeld dat de breedte van het trottoir minimaal 1,80 moet zijn. Daar wordt aan voldaan.
Voorzieningen voor het parkeren van fietsen

6.24.
Eisers voeren aan dat onvoldoende fietsnietjes worden geplaatst, gelet op het verwachte aantal bezoekers van het Namenmonument. Behalve de bezoekers van het Namenmonument zullen ook bezoekers van de Hoftuin, de Hermitage en de metro van deze voorzieningen gebruik maken.
6.25.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de ruimtelijke motivering blijkt dat er 20 parkeerplaatsen komen voor fietsen. Goudappel Coffeng heeft in zijn advies van 8 september 2017 vermeld dat de fietsenstallingen voldoende capaciteit zullen bieden op dagen waarop geen herdenkingen of evenementen in of bij het Namenmonument zullen plaatsvinden. Wanneer een evenement of herdenking plaatsvindt, kan het noodzakelijk zijn om in de directe omgeving van het monument tijdelijke fietsvakken te realiseren. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar in de openbare ruimte, aldus Goudappel Coffeng. Gebleken is dat er uiteindelijk aan de westkant van het Namenmonument 11 fietsnietjes en aan de oostkant van het Namenmonument 13 fietsnietjes worden geplaatst. Eisers hebben van hun kant niet aannemelijk gemaakt dat de geplande fietsparkeervoorzieningen onvoldoende zouden zijn. De rechtbank vindt dus dat het college het advies van Goudappel Coffeng op goede gronden bij de vergunningverlening heeft betrokken.
6.26.
De rechtbank concludeert dat het college voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het Namenmonument niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, dat het Namenmonument niet tot gevolg heeft dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en evenmin tot gevolg heeft dat aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Het college was dan ook bevoegd om gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan.
De belangenafweging

6.27.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank moet toetsen of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
6.28.
Eisers voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Het Namenmonument leidt tot verslechtering van hun directe woonomgeving, het plantsoen wordt feitelijk aan de openbare ruimte onttrokken en wordt vervangen door een enorm en ontregelend monument waaraan zij zich niet kunnen onttrekken. Verder verdwijnt schaars openbaar groen zonder noodzaak. Eisers vinden verder dat het belang van het NAC en het algemeen belang bij monument niet gelijk kan worden gesteld met het belang van ontwerp op plek. Het college heeft volgens hen verzuimd te onderbouwen waarom juist de realisatie van dit monument op deze locatie een zwaarwegend belang dient. Eisers wijzen er in dit verband op dat geen draagvlakonderzoek is gedaan, niet naar een namenmonument in het algemeen, niet naar de meest wenselijke vormgeving van een namenmonument en niet naar dit specifieke ontwerp op deze plek. Zij vinden dat het NAC het realiseren van een namenmonument ook met een ander ontwerp en/of op een andere locatie zou kunnen realiseren en dat het college dit ten onrechte niet heeft meegewogen bij de belangenafweging. Verder vinden zij dat ook de belangen van anderen dan zijzelf meegewogen moeten worden, zoals de nabestaanden, direct betrokkenen en mensen met directe banden met de Joodse gemeenschap.
6.29.
Het NAC is van mening dat het Namenmonument op deze locatie van groot belang is. Inmiddels 74 jaar na de oorlog komt er een monument voor Nederlandse slachtoffers van Joodse, Roma en Sinti afkomst die nooit een graf hebben gekregen. Het Namenmonument maakt de catastrofe die zich heeft voltrokken zichtbaar en tastbaar en geeft daarmee ook historische duiding aan een van de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis op een naar de mening van het NAC bij uitstek geschikte locatie, het hart van de vooroorlogse Joodse buurt in Amsterdam.
6.30.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de meningen over de komst van het Namenmonument, zowel wat betreft het ontwerp als de gekozen locatie, verschillen. Dit geldt zowel binnen als buiten de Joodse gemeenschap. Duidelijk is dat verschillend wordt gedacht over de wijze waarop de slachtoffers van de Holocaust moeten worden herdacht. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college vanwege die verschillen nog een draagvlakonderzoek had moeten doen. Het college was bekend met de verschillende meningen. Hij heeft deze meningen bij zijn oordeel betrokken. Daarbij heeft het college meegewogen dat het gaat om een monument van nationaal belang. De Holocaust heeft miljoenen slachtoffers gemaakt, waaronder ongeveer 60.000 Amsterdammers. Op de projectlocatie stonden tijdens de oorlog 27 panden van bewoners van wie de naam straks een plek op het Namenmonument krijgen. Juist daarom vindt het college van belang dat het Namenmonument op deze plek komt. Het Namenmonument moet een blijvende herinnering zijn aan de verschrikkingen van de Holocaust en een indringende waarschuwing tegen discriminatie, aldus het college. Het college heeft bij zijn besluit medewerking te verlenen ook meegewogen dat er brede politieke steun is voor het monument, zoals blijkt uit het verslag van de Raadscommissie Algemene Zaken van 5 juli 2018; alle partijen steunen de komst van dit monument op deze plek. Ook het kabinet steunt de komst van het Namenmonument. Het college heeft op grond van deze overwegingen doorslaggevend gewicht toegekend aan de bouw van het Namenmonument.
6.31.
Tegenover het belang dat is gediend met de komst van het Namenmonument staat het belang van eisers. De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de argumenten van eisers betrekking heeft op de inbreuk op hun leefomgeving. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat realisatie van het Namenmonument uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Vast staat dat de plek waar nu het plantsoen is van karakter zal veranderen. Voor eisers, zo begrijpt de rechtbank, verandert het van een plek waar ze graag komen en langslopen in een plek die zij beklemmend vinden.
6.32.
De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de hiervoor onder 6.30. genoemde redenen in redelijkheid het belang van het realiseren van het Namenmonument zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van eisers.
Voldoet het bouwplan aan het Bouwbesluit?

De vluchtveiligheid

7.1.
Eisers voeren aan dat de noordelijke uitgang van het Namenmonument tot onveilige situaties zal leiden, vooral voor bezoekers met een rolstoel, rollator of kinderwagen. Verder bestaat het gevaar van stuwing binnen het Namenmonument als gevolg van de kanalisering van de bezoekersstromen in de langwerpige vorm van het monument, aldus eisers.
7.2.
Het college stelt zich primair op het standpunt dat deze beroepsgrond niet voldoet aan het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, omdat de veiligheidseisen waar eisers zich op beroepen niet tot bescherming van hun belangen strekken, maar enkel tot bescherming van de belangen van de bezoekers van het Namenmonument. Het subsidiaire standpunt van het college houdt in dat er is voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit.
7.3.
Het Bouwbesluit bevat normen voor de veiligheid in en een veilige doorgang uit een bouwwerk geen gebouw zijnde. Deze normen strekken tot bescherming van de bezoekers van het Namenmonument en niet van omwonenden zoals eisers. Eisers voeren aan dat ook zij bezoekers van het Namenmonument zullen zijn. Voor eisers gaat het in deze beroepsprocedure echter om het belang van het voorkomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt aangetast. Dat is een belang dat zij hebben als omwonende en niet als bezoeker van het Namenmonument. Er is daarom geen verband tussen deze beroepsgrond en het belang waarin eisers door de bouwvergunning dreigen te worden geschaad. Bedoelde normen in het Bouwbesluit strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. Dit heeft tot gevolg dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond komt de rechtbank daarom niet toe.
De fundering

7.4.
Eisers voeren aan dat is gebleken dat in ieder geval een deel van het Namenmonument niet op palen, maar op staal wordt gefundeerd. Dat heeft gevolgen voor de onderliggende metrobuis, omdat de dilataties van de metrobuis hierdoor niet langer bereikbaar zijn. Zij kunnen daardoor niet langer worden geïnspecteerd.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de dilataties van de metrobuis al dan niet bereikbaar zijn voor de Dienst Metro en Tram, een onderwerp is dat buiten het beoordelingskader voor de verlening van een bouwvergunning aan het NAC valt. De rechtbank verwerpt reeds daarom dit betoog van eisers.
7.6.
Verder voeren eisers aan dat de wijze van funderen serieuze risico’s voor de omliggende historische bebouwing met zich brengt. Zij verwijzen in dit verband naar e-mails van [naam 16] ( [naam 16] ), HTS-ingenieur Weg- en Waterbouw, van 9 en 10 mei 2019. Het college stelt zich op het standpunt dat de stellingen van [naam 16] van een onjuiste veronderstelling uitgaan. Het college verwijst naar een memo van Royal HaskoningDHV van 27 maart 2019 en naar een reactie van de Dienst Metro en Tram van 17 mei 2019.
7.7.
De rechtbank is het niet eens met het college dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op deze beroepsgrond, omdat de invloed van de fundering op de metrobuis geen belang is dat strekt tot bescherming van eisers als omwonenden. In de e-mails van [naam 16] staat dat bij een verkeerde fundering de wind vat kan krijgen op de roestvrijstalen schermen. Dit zou kunnen leiden tot trillingen en uiteindelijk tot verzakking van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. De bescherming van deze gebouwen is een belang dat in ieder geval een deel van de eisers aangaat.
7.8.
De rechtbank overweegt dat uit de door het NAC ingebrachte reactie van IMd van 23 mei 2019 blijkt dat de enige wijziging in de fundering van het Namenmonument is dat de betonfundering boven de metro is vervangen door het funderen op staal. Dit is volgens de reactie juist gedaan om de risico’s te verminderen. Deze wijziging heeft geen invloed op de afdracht van windbelasting op de fundering, aldus IMd. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eisers met de e-mails van [naam 16] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de deels gewijzigde constructie als gevolg van de windbelasting risico’s oplevert voor de omringende historische bebouwing. De rechtbank vindt dat het voldoende aannemelijk is dat de deels gewijzigde constructie aan de eisen van het Bouwbesluit voldoet, ook al omdat [naam 16] in zijn e-mail van 9 mei 2019 vermeldt dat de berekeningen er, voor zover hij kan nagaan, acceptabel uitzien.
7.9
Uit de paragrafen 5, 6 en 7 volgt dat beroepsgronden gericht tegen de bouwvergunning niet slagen. Dat betekent dat de bouwvergunning in stand blijft.
De kapvergunning

8.1
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de kapvergunning te weigeren, omdat hij aan het belang van het realiseren van het Namenmonument een zwaarder gewicht toekent dan aan de belangen die met het behoud van de bomen zijn gediend. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat het Namenmonument niet gerealiseerd kan worden zonder het kappen van de 24 bomen en dat het verdwijnen van de bomen wordt gecompenseerd door middel van de opgelegde herplantplicht.
8.2.
Eisers voeren aan dat het gaat om gezonde bomen die uitsluitend en alleen worden gekapt om het Namenmonument mogelijk te maken. Zij vinden dat de noodzaak, die het college als een zwaarwegend belang presenteert, geen werkelijke noodzaak is en dus niet zoveel gewicht mag krijgen als het college daaraan toekent. Het belang is door de (ontwerper van de) initiatiefnemer zelf gecreëerd door te kiezen voor dit omvangrijke ontwerp van het Namenmonument waarmee niet wordt voldaan aan de heldere, vooraf gestelde randvoorwaarden in de Haalbaarheidsstudie. Bij een andere, bescheidener vormgeving van het Namenmonument zouden er minder bomen gekapt hoeven te worden. Er is volgens eisers dan ook geen noodzaak om alle bomen te kappen. Verder vinden zij dat aan het belang van het behouden van het groen ten onrechte minder belang is gehecht dan aan dat van realisatie van het Namenmonument. Dit klemt volgens eisers temeer omdat de herplantplicht grotendeels een sigaar uit eigen doos is. De herplant zou volgens hen toch al plaatsvinden in het kader van de vergroening van de Weesperstraat op grond van het zogenoemde Knowledge Mile Park, dat een juridische basis heeft in het Gebiedsplan 2016.
8.3.
Het college heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd dat alle in de Bomenverordening 2014 genoemde weigeringsgronden zich in dit geval voordoen. Het college was dus bevoegd de kapvergunning voor het kappen van de 24 bomen te weigeren. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het college bij een afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van deze bevoegdheid. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het navolgende.
8.4.
Uit het rapport van de Bomenwacht, de Bomen Effect Analyse, van 25 april 2017 blijkt dat de 24 bomen waarvoor de kapvergunning is verleend, niet gehandhaafd kunnen worden in verband met de realisatie van het Namenmonument. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het kappen van de 24 bomen noodzakelijk is voor het realiseren van het Namenmonument. Daarbij heeft het college mogen uitgaan van het Namenmonument zoals dat met de verleende bouwvergunning is vergund. De vormgeving en omvang van het Namenmonument vormden in zoverre voor het college een gegeven bij het afwegen van de belangen in het kader van de kapvergunning.
8.5.
Het college heeft verder van belang mogen achten dat het verdwijnen van de te kappen bomen wordt gecompenseerd door middel van de in de kapvergunning opgelegde herplantplicht, waarmee aan de in artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening genoemde belangen wordt tegemoetgekomen. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat deze herplant grotendeels een sigaar uit eigen doos is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herplantplicht, nu deze als voorwaarde is opgenomen in de kapvergunning, juridisch afdwingbaar is geworden. Dat was niet het geval bij de geplande bomen in het kader van het Knowledge Mile Park. Dat het Knowledge Mile Park een juridische basis heeft in het Gebiedsplan 2016, maakt dit niet anders. Het college heeft er terecht op gewezen dat in het Gebiedsplan 2016 geen concrete handelingen worden voorgeschreven, zoals het aantal bomen dat wordt geplant en de plaats waar dat moet gebeuren.
8.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het belang van het realiseren van het Namenmonument in redelijkheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang dat met behoud van de 24 te kappen bomen is gediend. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de kapvergunning te verlenen.
Conclusie

9.1.
Het beroep, voor zover dat is ingesteld door de verenigingen Bewonersvereniging Studentenflat Weesperstraat en Plantage-Weesperbuurtvereniging, de stichtingen Stichting de Groene Plantage en Stichting Tussen Amstel en Artis en [naam 7] , [naam 1] , [naam 2] , [naam 5] , [naam 3] en [naam 4] , is ongegrond.
9.2.
Het beroep voor zover dat is ingesteld door [naam 6] is gegrond, omdat het college haar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in haar bezwaar tegen de kapvergunning. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van [naam 6] tegen de kapvergunning ongegrond is verklaard. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [naam 6] tegen de kapvergunning alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
9.3.
De conclusie uit het bovenstaande is dat zowel de bouwvergunning als de kapvergunning geheel in stand blijven.
Proceskosten en griffierecht

10.1
Omdat de rechtbank het beroep voor zover het is ingesteld door [naam 6] gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.
10.2
De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Voorlopige voorziening

11. In een uitspraak van 28 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het bestreden besluit, wat betreft zowel de kapvergunning als de bouwvergunning, geschorst tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op dit beroep. In de Awb is echter bepaald dat een voorlopige voorziening van rechtswege vervalt zodra de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan op het beroep. De rechtbank stelt dan ook vast dat de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening (de schorsing van de kapvergunning en de bouwvergunning) vervalt op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf een voorlopige voorziening te treffen.

beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, voorzitter, mr. H.B. van Gijn en mr. C.F. de Lemos Benvindo, leden, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.
de griffier is niet in de gelegenheid voorzitterom de uitspraak te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep voor zover het is ingediend door [naam 6] gegrond;

verklaart het beroep voor zover het is ingediend door de overige eisers ongegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het college daarbij het bezwaar van [naam 6] tegen de kapvergunning ongegrond heeft verklaard;

verklaart het bezwaar van [naam 6] tegen de kapvergunning alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 345,- aan eisers vergoedt;

veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijlage

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,(..)c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:(..)g. houtopstand te vellen of te doen vellen,geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;(…)c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;(…)2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, (…) wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:69aDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

Artikel 2.2

Artikel 2.10

Artikel 2.12

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, (…).
Bestemmingsplan Oostelijke Binnenstad

Artikel 17 Verkeer

17.1
BestemmingsomschrijvingDe voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. rijwegen;b. ongebouwde parkeervoorzieningen;c. straatmeubilair;d. fiets- en voetpaden;e. pleinen;f. speelvoorzieningen;g. groen;h. openbare nutsvoorzieningen;i. behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden van stoepen;j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van aansluitingen op nutsvoorzieningen zoals elektriciteit, gas en water, alsmede ten behoeve van kabel- en telefonieaansluitingen, een en ander uitsluitend en alleen ten dienste van woonboten;k. voorzieningen ten behoeve van ondergrondse warmte- en koudeopslag.
17.2
BouwregelsOp de tot 'Verkeer' bestemde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden opgericht (…)
Artikel 33 Algemene regels bij omgevingsvergunning af te wijkenToepassing om bij omgevingsvergunning af te wijken van algemene regels mag niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan.Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, is het dagelijks bestuur bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van regels van dit plan, voor:
33.1
Gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde(…) bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals (…), gedenktekens, (…).
Bomenverordening 2014

Artikel 5 Weigeringsgronden
Artikel 7 Herplantplicht

1. De vergunning of jaarvergunning kan worden geweigerd in verband met:a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.
1. Het college verbindt aan de vergunning en de jaarvergunning het voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten. 2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand. (…).
_0956e6bf-d285-4330-9743-5daa8c5d4adb
1

De rechtbank zal het monument verder aanduiden als: het Namenmonument.

_acc87f49-4f94-4c10-b092-42e897e2655d
2

De rechtbank zal deze groenstrook verder aanduiden als: het plantsoen.

_78723856-c8a7-466b-ad8e-892978ca270a
3

Toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo.

_4d5e5cd6-1a72-42dd-a36d-610d4ef4efe7
4

Artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.

_24916f43-67d2-4c73-b690-7666a93592e6
5

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1787, r.o. 6.1.

_e9fbf554-69fa-4a18-aa09-d91231880305
6

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

_1fc89686-1ff9-457a-ab38-fba1678ad295
7

Artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

_89293ba1-0823-43b3-88a9-30e25afa3e3d
8

Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, r.o. 18.2 in samenhang met de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, r.o. 3.2.

_842ae664-8952-4b27-b8a5-7b013d6ce148
9