Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:47

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:47, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13-751533-18


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-751533-18RK nummer: 18/4867
Datum uitspraak: 4 januari 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 17 augustus 2009 door Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1983, niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, maar volgens één van de voorwaarden waaronder zijn overleveringsdetentie is geschorst bereikbaar op het adres van zijn raadsvrouw mr. H. van der Ende, [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:47:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-751533-18RK nummer: 18/4867
Datum uitspraak: 4 januari 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 17 augustus 2009 door Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1983, niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, maar volgens één van de voorwaarden waaronder zijn overleveringsdetentie is geschorst bereikbaar op het adres van zijn raadsvrouw mr. H. van der Ende, [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1

Zitting 28 augustus 2018

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H. van der Ende, advocaat te Venlo en door een tolk in de Poolse taal.De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Sluiting onderzoek 11 september 2018

Tussenuitspraak 25 september 2018

Tussenuitspraak 4 oktober 2018

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd en de officier van justitie verzocht een aantal vragen over – zakelijk weergegeven – de waarborg van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in Polen.
Schorsing overleveringsdetentie met ingang van 22 november 2018

Zitting 6 december 2018

Gehoord zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. V. Poelmeijer namens zijn kantoorgenoot mr. M.A. Prins, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

Ter sprake gekomen is onder meer de beantwoording van de hiervoor bedoelde vragen, die door het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit werden voorgelegd en bij brief van 26 oktober 2018 door , Polen, zijn beantwoord.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij ook die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Sluiting onderzoek 21 december 2018

2

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

In het EAB wordt melding gemaakt van een van van 16 juni 2009 met referentie II Kp 124/09 (3 Ds. 328/06).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

bedreiging met mishandeling, meermalen gepleegd;

mishandeling, meermalen gepleegd.

5

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie () van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest [naam 1] en [naam 2] , punt 88 gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.
Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

De rechtbank heeft vervolgens in de eerder genoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag beantwoord en vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak vervolgens overwogen:
“Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen”.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij voor de beantwoording van deze - tweede - vraag behoefte heeft aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. De rechtbank heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. De rechtbank heeft een aantal vragen geformuleerd en verzocht in ieder geval informatie te verstrekken over de volgende onderwerpen:
De rechtbank heeft de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uitgenodigd tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten. Zoals hiervoor vermeld zijn de hiervoor genoemde vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en heeft de rechtbank vervolgens een antwoord van de Poolse justitiële autoriteit ontvangen.
Zitting van 6 december 2018, standpunten

De antwoorden zijn ter zitting van 6 december 2018 met de opgeëiste persoon, de raadsman en officier van justitie besproken.
Standpunt raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de eerste vraag door de rechtbank reeds bevestigend is beantwoord in de uitspraak van 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7032. Dit is nogmaals bevestigd in de uitspraak van 26 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8508, waarin ook op de tweede vraag wordt ingegaan. Met betrekking tot de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon stelt de raadsman dat de opgeëiste persoon vreest dat de autoriteiten in Polen hem willekeurig zullen behandelen. Hij had een goedlopend bedrijf in Polen en was financieel in goede doen. Als hij eerder vrij wil komen zal hij daarvoor moeten betalen. Er is in Polen sprake van omkopingspraktijken.De overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt officier van justitieVerklaring opgeëiste persoon
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Aangezien deze informatie ook relevant kan zijn voor de hiervoor genoemde - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen, komt de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag nog niet toe.De rechtbank verzoekt de uitvaardigende Poolse autoriteit dan ook nogmaals om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrestBovendien herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.In vervolg op de reeds verstrekte informatie vraagt de rechtbank in het bijzonder aandacht voor het volgende:
Ten aanzien van vraag A1:

Opnemen van de beantwoording

Ten aanzien van vraag A2:

Ten aanzien van vraag A4:

Opnemen van het antwoord over de assessors

Ten aanzien van vraag C1:

Ten aanzien van vraag C3:

Alleen antwoord door/over één instantie

De rechtbank verzoekt dat de vragen worden doorgeleid naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.
Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.De vragen dienen binnen vier weken na de uitspraak te worden beantwoord. Binnen vier weken na ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit zal een vervolgzitting worden gepland.
1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen? 2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen? 3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”. Ten aanzien van vraag E1:
upperalpha

de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

buitengewoon beroep.

arabic

Blijkens het gegeven antwoord op vraag C2 is een aantal wettelijke wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de bezoldiging van rechters. Zijn er sinds deze wetswijzigingen ook feitelijk wijzingen doorgevoerd in de bezoldiging van specifieke (vice-)voorzitters en rechters?

Zo ja, betreft dit (een) wijziging(en) in positieve (toekennen van een vergoeding) of negatieve (verlaging van het basissalaris) zin? Wat was de reden voor deze wijziging(en)?

arabic

Blijkens verstrekte informatie waren (ten tijde van de beantwoording) nog geen zaken behandeld door het Hooggerechtshof. Zijn er wel zaken aanhangig gemaakt?

Zijn er adviezen uitgebracht?

1. Blijkens het antwoord is/zijn één of meer (vice)presidenten en/of rechters met pensioen gegaan. Is dit een gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd?
1. Blijkens het gegeven antwoord is tegen één rechter een disciplinaire procedure gestart. Wat is de reden voor deze procedure? Welke bepaling(en) is/zouden zijn geschonden? Indien van toepassing, wat is de uitkomst van deze procedure?
1. De verstrekte informatie met betrekking tot de vragen A2, A3 ziet op de District Court/Regional Court die de zaak zal gaan behandelen. Zijn er meerdere rechterlijke instanties bevoegd om te oordelen over de zaak van deze opgeëiste persoon, bijvoorbeeld na het instellen van beroep in alle voornoemde gevallen: Zo ja, dan verzoekt de rechtbank dat deze en de eerdere vragen ook voor deze instanties worden beantwoord..
beslissing

6

HEROPENTSCHORST
BEVEELT

BEVEELT

Aldus gedaan doormr. C. Klomp, voorzitter,mrs. A.K. Glerum en M.T.C. de Vries, rechters,in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.