Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:43

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:43, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/751441-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751441-18RK-nummer: 18/3804

Datum uitspraak: 4 januari 2019

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, niet ingeschreven in de Basisregistratie personen,opgegeven verblijfadres in Nederland: [verblijfadres] , [verblijfplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

ECLI:NL:RBAMS:2019:43:DOC
nl

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751441-18RK-nummer: 18/3804
Datum uitspraak: 4 januari 2019

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, niet ingeschreven in de Basisregistratie personen,opgegeven verblijfadres in Nederland: [verblijfadres] , [verblijfplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

procesverloop

1



Zitting 19 juli 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd om de beantwoording van de door de Ierse rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-216/18 PPU af te wachten, omdat die beantwoording mogelijk relevant was voor de afdoening van deze zaak. Deze beslissing had tot gevolg dat de beslistermijn werd opgeschort totdat de prejudiciële vragen waren beantwoord.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018

Bij arrest van 25 juli 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie () in de zaak C-216/18 PPU de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.
Zitting 7 augustus 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 augustus 2018. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Tussenuitspraak 16 augustus 2018

Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor bepaalde tijd geschorst teneinde de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen hun standpunten te overleggen betreffende, kort gezegd, de vraag of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen in gevaar brengen.

Zitting 28 augustus 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 28 augustus 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon heeft op 28 augustus 2018 afstand gedaan van zijn recht om de behandeling van de vordering ter zitting bij te wonen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere.

Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek op 16 augustus 2018.

De rechtbank heeft eveneens met instemming van de officier van justitie en de raadsman het onderzoek onderbroken tot 11 september 2018.

Sluiting onderzoek 11 september 2018

Op 11 september 2018 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum op 25 september 2018 om 12.30 uur bepaald.
Schorsing overleveringsdetentie 11 september 2018

Tussenuitspraak 25 september 2018

Bij tussenuitspraak van 25 september 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst tot 4 oktober 2018 om 12.30 uur, omdat zij meer tijd nodig had voor haar uitspraak.
Tussenuitspraak 4 oktober 2018

Bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de beantwoording door de uitvaardigende justitiële autoriteit van een aantal door tussenkomst van het Openbaar Ministerie aan die autoriteit voor te leggen vragen.

Zitting 6 december 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 6 december 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsman mr. J. Zevenboom heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd namens hem het woord te voeren.Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek op 28 augustus 2018.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 20 december 2018 om de raadsman meer voorbereidingstijd te gunnen.

Opheffing schorsing 6 december 2018

De rechtbank heeft op 6 december 2018 met onmiddellijke ingang de schorsing van de overleveringsdetentie opgeheven.

Zitting 20 december 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 20 december 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon is niet verschenen. De door hem gemachtigde raadsman mr. J. Zevenboom heeft namens de opgeëiste persoon het woord gevoerd en verklaard dat de opgeëiste persoon op de hoogte is van deze zittingsdatum.De rechtbank heeft het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek op 6 december 2018 en bepaald dat op 21 december 2018 het onderzoek wordt gesloten.
Sluiting onderzoek 21 december 2018

Op 21 december 2018 heeft de rechtbank, met instemming van partijen buiten zitting en in enkelvoudige samenstelling, het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan op 4 januari 2019.

2

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon ter zitting van 7 augustus 2018 onderzocht. De opgeëiste persoon heeft toen verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (vindplaats: ECLI:NL:RBAMS:2018:5925) waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW heeft geoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie () van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest [naam 1] en [naam 2] , punt 88 gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.
Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

De rechtbank heeft vervolgens in de eerder genoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag beantwoord en vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak vervolgens overwogen:
“Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen”.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij voor de beantwoording van deze - tweede - vraag behoefte heeft aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. De rechtbank heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. De rechtbank heeft een aantal vragen geformuleerd en verzocht in ieder geval informatie te verstrekken over de volgende onderwerpen:
De rechtbank heeft de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uitgenodigd tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten. De vragen zijn door tussenkomst van het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende autoriteit voorgelegd en bij brief van 6 november 2018 door de in Poznań beantwoord.
Zitting van 20 december 2018, standpunten

De antwoorden zijn ter zitting van 20 december 2018 met de raadsman en de officier van justitie besproken.
Standpunt raadsman

Standpunt officier van justitie

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Aangezien deze informatie ook relevant kan zijn voor de hiervoor genoemde - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen, komt de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag nog niet toe.De rechtbank verzoekt de uitvaardigende Poolse autoriteit dan ook nogmaals om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrestBovendien herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.In vervolg op de reeds verstrekte informatie vraagt de rechtbank in het bijzonder aandacht voor het volgende:
1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen? 2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen? 3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”.
upperalpha

de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

buitengewoon beroep.

I. De rechtbank heeft geconstateerd dat de vragen door the Regional Court in Poznań zijn beantwoord terwijl het EAB is uitgevaardigd door de Circuit Court. Kunt u dit toelichten?
Ten aanzien van vraag A1

Ten aanzien van vraag A4:

Ten aanzien van vragen C1:

De rechtbank verzoekt dat deze vragen alsnog worden beantwoord en daartoe zo nodig zullen worden doorgeleid naar een instantie die bevoegd en in de gelegenheid is deze vraag te beantwoorden.
Ten aanzien van vragen C3:

De rechtbank verzoekt dat deze vragen alsnog worden beantwoord en daartoe zo nodig zullen worden doorgeleid naar een instantie die bevoegd en in de gelegenheid is deze vraag te beantwoorden.
Ten aanzien van vraag E1:

Alleen antwoord door/over één instantie

De rechtbank verzoekt – voor zover dat nog niet uit het voorgaande volgt - dat de vragen worden doorgeleid naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle zaken die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.
Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.De vragen dienen binnen vier weken na de uitspraak te worden beantwoord. Binnen vier weken na ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit zal een vervolgzitting worden gepland.
arabic

Blijkens het gegeven antwoord is/zijn één of meer (vice)presidenten ontslagen. Wat is de reden voor dit/deze ontslag(en)?

Zijn de betreffende personen nog werkzaam als rechter of bekleden zij in het geheel niet langer een functie op deze rechtbank? Zo nee, waarom niet?

arabic

Blijkens verstrekte informatie waren (ten tijde van de beantwoording) nog geen zaken behandeld door het Hooggerechtshof. Zijn er wel zaken aanhangig gemaakt?

Zijn er adviezen uitgebracht?

1. De rechtbank verzoekt dat deze vraag alsnog zal worden beantwoord en zo nodig zal worden doorgeleid naar een instantie die bevoegd en in de gelegenheid is deze vraag te beantwoorden.
1. De verstrekte informatie met betrekking tot de vragen A1, A2, A3, A4, C1, C2, C3, E1 ziet op de die de zaak zal gaan behandelen. Zijn er meerdere rechterlijke instanties bevoegd om te oordelen over de zaak van deze opgeëiste persoon, bijvoorbeeld na het instellen van beroep?
beslissing

6

HEROPENT SCHORST
BEVEELT

BEVEELT

Aldus gedaan doormr. C. Klomp, voorzitter,mrs. A.K. Glerum en M.T.C. de Vries, rechters,in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2019.
De jongste rechter is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.