Uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2019:4243

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Amsterdam op 13-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBAMS:2019:4243, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/13/664817 / KG ZA 19-404 AB/MV


Bron: Rechtspraak

center
100
9b5f1936-7642-486d-af0e-e72954cd882f
2
13
image/png

center
100
578ff8c5-7721-4e36-821c-a1d70827cfb7
2
523
image/png

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/664817 / KG ZA 19-404 AB/MV

Vonnis in kort geding van 13 juni 2019

in de zaak van

ECLI:NL:RBAMS:2019:4243:DOC
nl

center
100
9b5f1936-7642-486d-af0e-e72954cd882f
2
13
image/png

center
100
578ff8c5-7721-4e36-821c-a1d70827cfb7
2
523
image/png

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/664817 / KG ZA 19-404 AB/MV

Vonnis in kort geding van 13 juni 2019

in de zaak van

1

2. ,beiden wonende te [woonplaats] ,eisers bij dagvaarding van 15 april 2019,advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag,
tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

zetelend te Den Haag,gedaagde,advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.
Eisers zullen hierna ook [eiser 1] en [eiser 2] worden genoemd. Gedaagde zal hierna ook de Staat worden genoemd. In de dagvaarding is [eiser 2] abusievelijk [naam 1] genoemd.

1

1.1.
Ter (verplaatste) zitting van 28 mei 2019 hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. De Staat heeft tevens een conclusie van antwoord en een pleitnota in het geding gebracht. Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig: aan de zijde van eisers [eiser 2] , [naam 2] , I. Huigens (tolk Engels) en mr. Schuckink Kool;aan de zijde van de Staat mr. Engels en haar kantoorgenoot mr. B. Pasztjerik. Namens de eigenaar van het pand [pand] waren aanwezig [informant 1] , mr. H.C. Koops (advocaat te Amstelveen), [informant 2] en [informant 3] , die ter zitting als informant zijn gehoord. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
1.2.
Voor aanvang van de zitting heeft mr. Schuckink Kool bij de voorzieningenrechter bezwaar gemaakt tegen het feit dat een deel van de medebewoners/krakers de toegang tot het gebouw van de rechtbank was geweigerd omdat zij geen identiteitsbewijs konden tonen. De beslissing om een deel van de groep medebewoners/krakers geen toegang te verlenen tot het gebouw van de rechtbank bleek op grond van een risico analyse te zijn genomen door het hoofd beveiliging van de rechtbank, die verantwoordelijk is voor de veiligheid in het gebouw. De voorzieningenrechter gaat daar niet over.
2

2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] maakten deel uit van een groep van uitgeprocedeerde (ongedocumenteerde) asielzoekers die op 2 april 2019 het pand [pand] hebben gekraakt. Op 3 april 2019 is namens de eigenaar van het pand ( [eigenaar] ) aangifte gedaan van huisvredebreuk.
2.2.
Bij brief van 8 april 2019 heeft de officier van justitie de bewoners van het pand aangekondigd dat zij worden aangemerkt als verdachten van overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht en dat het voornemen bestaat het pand te ontruimen vóór dinsdag 4 juni 2019. Deze brief is door de politie op 8 april 2019 tevens uitgereikt aan een van de bewoners ( [bewoner] ).
3

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort gezegd, de Staat te verbieden over te gaan tot strafrechtelijke ontruiming, totdat in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat zij wederrechtelijk in het pand verblijven en een belangenafweging in hun nadeel is uitgevallen.
3.2.
De Staat voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Ter zitting heeft mr. Schuckink Kool, op de vraag waarom [eiser 1] niet was verschenen, verklaard dat deze niet langer in het pand verblijft. [eiser 1] heeft dan ook geen (spoedeisend) belang meer bij toewijzing van de gevraagde voorziening.
4.2.
Tussen de bewoners van het pand enerzijds en vertegenwoordigers en de advocaat van de eigenaar van het pand anderzijds is gesproken en gemaild over een minnelijke regeling, die kort gezegd inhield dat de bewoners het pand op 31 juli 2019 leeg en ontruimd aan de eigenaar zouden opleveren. Mr. Schuckink Kool heeft de desbetreffende e-mails en een concept vaststellingsovereenkomst van 21 mei 2019 in het geding gebracht. Ter zitting heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie het recht heeft verspeeld om tot strafrechtelijke ontruiming over te gaan, omdat tussen de bewoners en de eigenaar van het pand een gebruikersovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de bewoners het recht hebben het pand tot en met 31 juli 2019 te gebruiken. Dit standpunt is echter onjuist. De door mr. Schuckink Kool in het geding gebrachte conceptovereenkomst is niet ondertekend. Bovendien volgt uit dit concept en uit de in het geding gebrachte e-mails dat nog zou moeten worden voldaan aan twee voorwaarden, namelijk dat de bewoners een informele vereniging zouden oprichten en dat de overeenkomst zou moeten worden vastgelegd in een notariële akte door een door de bewoners aan te wijzen notaris en op kosten van de bewoners. Aan beide voorwaarden hebben de bewoners niet voldaan, zodat het door de eigenaar gedane aanbod niet is aanvaard. Het gaat hierbij niet slechts om de puntjes op de i, zoals mr. Schuckink Kool ter zitting heeft betoogd, maar om voor de eigenaar van het pand wezenlijke voorwaarden om met de bewoners tot definitieve overeenstemming te kunnen komen. De groep van bewoners kan immers aan wijziging onderhevig zijn en voor de eigenaar is van wezenlijk belang dat hij weet met wie hij te maken heeft, zodat aan gemaakte afspraken te zijner tijd ook de hand kan worden gehouden. Evenmin kan worden gezegd dat door de Staat de gerechtvaardigde verwachting is gewekt bij [eiser 2] dat een gebruikersovereenkomst tot stand zou komen. De advocaat van de Staat was weliswaar geïnteresseerd in het al dan niet tot stand komen van een regeling met de eigenaar, maar het was voldoende duidelijk dat hij niet (ook) optrad voor die eigenaar, die zich liet voorzien van rechtsbijstand door een eigen advocaat ( mr. H.C. Koops ).
4.3.
Subsidiair heeft [eiser 2] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat in dit geval de belangen onjuist zijn afgewogen. Vast staat dat [eiser 2] gebruik maakt van het pand zonder dat hem daarvoor toestemming is verleend door de eigenaar of de beheerder. Namens de eigenaar is aangifte gedaan van huisvredebreuk, waarmee is onderstreept dat [eiser 2] geen titel heeft voor zijn verblijf in het pand en dat de eigenaar wil dat hij vertrekt. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook op goede gronden aangenomen dat voldaan is aan de eis van wederrechtelijkheid die is gesteld in de artikelen 138, 138a en 139 Wetboek van Strafrecht.
4.4.
Het standpunt van [eiser 2] , zoals opgenomen in de dagvaarding, dat de bevoegdheid tot ontruiming niet reeds bij verdenking van een strafbaar feit ontstaat, maar pas na een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter, gaat niet op. De Hoge Raad heeft zich reeds uitgelaten over dit punt en geoordeeld dat een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de aan politie en het Openbaar Ministerie verleende ontruimingsbevoegdheid van artikel 551a Wetboek van Strafvordering (zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:2011:BQ9880, r.o. 3.2.2.).
4.5.
Anders dan [eiser 2] blijkens de dagvaarding meent, hoeft het Openbaar Ministerie zich ook niet van tevoren tegenover de bewoners te verantwoorden voor de gronden waarop in een concreet geval gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot strafrechtelijke ontruiming.
4.6.
Wel is het zo dat ook aan kakers bescherming toekomt in het door artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM gewaarborgde huisrecht. De wetgever heeft echter geoordeeld dat de hiervoor bedoelde wettelijke bevoegdheid tot strafrechtelijke ontruiming een legitiem doelt dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. De uitoefening van de ontruimingsbevoegdheid moet evenwel ook in het concrete geval de proportionaliteitstoets kunnen doorstaan. Weliswaar zal het belang van de eigenaar doorgaans het zwaarst wegen, maar niet uitgesloten kan worden dat het belang van de krakers, gelet op de zeer ernstige inbreuk op het huisrecht en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, in het concrete geval toch zwaarder weegt, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, aldus de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest. De bewijslast van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden die in het concrete geval tot een andere dan door de wetgever gemaakte afweging zouden moeten leiden, ligt bij de krakers, nu zij zich op de aanwezigheid daarvan beroepen.
4.7.
[eiser 2] heeft gesteld dat hij als asielzoeker is uitgeprocedeerd en geen toegang heeft tot arbeid, inkomen of andere voorzieningen. Hij stelt daardoor hard te zullen worden getroffen wanneer hij het dak boven zijn hoofd verliest. De 24-uursopvang van de gemeente Amsterdam kent wachtlijsten en voor die opvang komt [eiser 2] naar eigen zeggen voorlopig niet in aanmerking.

4.8.
Het ontbreken van andere huisvesting heeft de wetgever al betrokken bij de keuze om in abstracto voorrang te geven aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker. In dit concrete geval legt het verlies door [eiser 2] van het dak boven zijn hoofd dan ook geen extra gewicht in de schaal. Bovendien heeft de Staat gesteld dat [eiser 2] , indien hij zich tijdig op de wachtlijst had laten plaatsen, mogelijk wel gebruik had kunnen maken van de 24-uursopovang van de gemeente Amsterdam, die is bedoeld voor mensen in zijn situatie.

4.9.
Het Openbaar Ministerie en daarmee de Staat heeft belang bij uitoefening van zijn ontruimingsbevoegdheid, in ieder geval om daarmee de rechten van de eigenaar van het pand te beschermen. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de eigenaar op het moment van de kraak bezig was met het uitvoeren van herstel- en renovatiewerkzaamheden aan het pand en dat het pand met ingang van 1 februari 2019 was verhuurd aan de Stichting Nest West (welke stichting flexibele werkplekken aanbiedt aan kleine ondernemers). Een en ander onderstreept het belang van de eigenaar. Na ontruiming (en na voltooiing van de werkzaamheden) kan het pand direct aan de Stichting Nest West ter beschikking worden gesteld, aldus de Staat. Voorshands zal dan ook geen sprake zijn van langdurige leegstand.
4.10.
Verder heeft [eiser 2] aangevoerd dat de eigenaar kennelijk geen belang heeft bij een spoedige ontruiming, omdat hij bereid bleek in te stemmen met een gebruik van het pand door de bewoners tot 31 juli 2019 (zie onder 4.2). Dit gaat niet op. Die bereidheid heeft de eigenaar geuit in het kader van een minnelijke regeling, wat uiteindelijk niet is gelukt. Aan die bereidheid (volgens de Staat enkel uit coulance jegens de bewoners) kan de eigenaar, nu geen regeling tot stand is gekomen, niet worden opgehangen.
4.11.
De conclusie is dat de belangen van het Openbaar Ministerie en de Staat in dit geval boven het belang van [eiser 2] gaan. Aan de proportionaliteitstoets is voldaan en de vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.12.
[eiser 2] is een uitgeprocedeerde asielzoeker, die vanwege deze status geen inkomen mag verwerven en geen recht op een uitkering heeft. Vanwege het geheel ontbreken van financiële middelen, zou het een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter opleveren als hij het kostenrisico zou moeten meewegen in de afweging of hij een kort geding aanhangig wil maken ter toetsing van het gebruik door het openbaar ministerie van diens ontruimingsbevoegdheid (vgl. HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:607). Anders dan de Staat wil, leidt de omstandigheid dat de gemeente Amsterdam voorziet in adequate opvang en deze financiert niet tot een ander oordeel. Voor die opvang kan [eiser 2] op dit moment hoogstens op een wachtlijst komen, wat hem geen middelen oplevert. De proceskosten zullen dan ook worden verrekend in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
beslissing

5

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
verrekent de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2019.

_07368905-6c50-4b37-a860-5ec09f4a14c0
1

type: MVcoll: mb